Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BG5720

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
01-12-2008
Datum publicatie
01-12-2008
Zaaknummer
18/630420-07 en 18/670366-08 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichtingen ’t Zandt en (poeder)brieven. Gedeeltelijk bewezen verklaard. Bruikbaarheid van LCN DNA-methode voor bewijs.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 126g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2009, 41
NJ 2009, 89
NBSTRAF 2009/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummers: 18/630420-07 en 18/670366-08 (promis)

datum uitspraak: 1 december 2008

op tegenspraak

raadslieden: mrs. T. van der Goot en J. Boksem

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboortedatum en geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 april 2008, 16 juni 2008, 11 september 2008 en 17 november 2008.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na aanvulling op de voet van artikel 314a Wetboek van Strafvordering en na wijziging van die aanvulling, ten laste gelegd dat

Parketnummer: 18/630420-07:

1.

hij op of omstreeks 18 december 2007 te Zeerijp, in de gemeente Loppersum,

tezamen en in vereniging met een ander of andere, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem en/of een of meer van zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een schuur, behorende bij perceel Kinkhornsterweg 3, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was,

met dat opzet (op de zolder) in die schuur een kaars heeft/hebben aangestoken en/of om die kaars papier met een brandversnellend middel heeft gelegd/aangebracht en/of in de nabijheid van die brandende kaars brandversnellende middelen heeft/hebben aangebracht, in elk geval met dat opzet (open) vuur in aanraking heeft/hebben gebracht met die kaars, althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 10 december 2007 te Godlinze, in de gemeente Delfzijl,

tezamen en in vereniging met een ander of andere, althans alleen,

opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in een woning/pand gelegen aan de Provincialeweg 9,

immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk brand gesticht, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer kaarsen en/of papier, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die/dat woning/pand geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die/dat woning/pand en/of zich in die/dat woning/pand bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 25 september 2007 te 't Zandt, in de gemeente Loppersum,

tezamen en in vereniging met een ander of andere, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem en/of een of meer van zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een pand, te weten perceel Lissebonsepad 3 (oude brandweerkazerne), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was,

met dat opzet (op de zolder) in dat pand een kaars heeft aangestoken welke kaars zich bevond in een fles met daarin een brandbare vloeistof (wasbenzine) en/of om die kaars en/of fles papier heeft gelegd/aangebracht en/of in de nabijheid van die fles brandversnellende middelen heeft aangebracht, in elk geval met dat opzet (open) vuur in aanraking heeft gebracht met die kaars, althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op of omstreeks 2 oktober 2007 te 't Zandt, in de gemeente Loppersum,

tezamen en in vereniging met een ander of andere, althans alleen,

in de (achter)tuin behorende bij perceel Molenweg 45 (welke (achter)tuin grensde aan de (achter)tuin behorende bij perceel Molenweg 41, zijnde de woning van verdachte) en/of welke tuin door verdachte werd onderhouden, ter voorbereiding van het misdrijf opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of levensgevaar voor een ander te duchten is, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen, te weten een tas met 2 flacons met wasbenzine, althans een brandbare stof, en/of een kaars met daaromheen 2 kindersokjes, bestemd tot het begaan van dat misdrijf heeft verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 16 oktober 2007 te 't Zandt, in de gemeente Loppersum,

tezamen en in vereniging met een ander of andere, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem en/of een of meer van zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een woning gelegen aan de Oosterstraat 32, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was,

met dat opzet (op de zolder) in die woning een fles met brandbare vloeistof (mengsel van kookpuntbenzine en terpentine) heeft/hebben geplaatst en/of papier in de hals van die fles gestopt en/of (vervolgens) dat papier heeft/hebben aangestoken, in elk geval met dat opzet (open) vuur in aanraking heeft/hebben gebracht met dat papier, althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij op of omstreeks 23 oktober 2007 te 't Zandt, in de gemeente Loppersum,

tezamen en in vereniging met een ander of andere, althans alleen,

ter uitvoering van het door hem en/of een of meer van zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een clubgebouw/kantine, behorende bij perceel Hoofdstraat 85b (clubgebouw/kantine tennisvereniging), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was,

met dat opzet in dat/die clubgebouw/kantine tussen het/een/de metalen frame(s) van (een) stoel(en) en het kunststof van (een) (rug)leuning(en) van (een) stoel(en) een kaars heeft/hebben geplaatst en/of om die kaars papier heeft/hebben gelegd/aangebracht en/of (vervolgens) die kaars heeft/hebben aangestoken, in elk geval met dat opzet (open) vuur in aanraking heeft/hebben gebracht met die kaars, althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7.

hij op of omstreeks 19 november 2007 te 't Zandt, in de gemeente Loppersum,

tezamen en in vereniging met een ander of andere, althans alleen,

opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in een schuur behorende bij en/of gelegen achter/nabij een woning gelegen aan de Molenweg 31,

immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk brand gesticht, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer kaarsen en/of papier en/of benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die schuur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of zich in die schuur bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

8.

hij op of omstreeks 23 november 2007 te 't Zandt, in de gemeente Loppersum,

tezamen en in vereniging met een ander of andere, althans alleen,

opzettelijk brand heeft/hebben gesticht in een (schaft)keet, welke zich bevond in de tuin van de woning gelegen aan de Molenweg 39,

immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk brand gesticht, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een dekbed en/of een (kartonnen) doos, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die keet geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die keet en/of een nabijgelegen schuur en/of zich in die keet en/of schuur bevindende goederen te duchten was;

9.

hij op of omstreeks 27 november 2007 te 't Zandt, in de gemeente Loppersum,

tezamen en in vereniging met een ander of andere, althans alleen,

opzettelijk brand heeft gesticht in een schuur welke zich bevond achter de woning gelegen aan de Oostersingel 31,

immers heeft/hebben verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (motor)benzine in die schuur gegooid/gesprenkeld en/of (vervolgens) opzettelijk brand gesticht, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een partytent en/of (motor)benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die schuur geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en/of belendende percelen en/of zich in die schuur en/of in die belendende percelen bevindende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

Parketnummer 18/670366-08:

1.

hij op of omstreeks 25 maart 2008, althans in of omstreeks de periode van 1

maart 2008 tot en met 25 maart 2008, te Ter Apel, althans gemeente Vlagtwedde

en/of in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (een) medewerker(s) van [bedreigde 1] en/of een of meer

anderen, al dan niet schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft

bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van

personen of goederen ontstaat en/of tegen het leven gericht en/of zware

mishandeling en/of brandstichting, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of

meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend toen en aldaar een

(poeder)brief verstuurd en/of doen versturen aan die medewerker(s) van [bedreigde 1],

met (onder meer) de tekst: "Laat johny b. vrij. Laatste keer. Maak nu

bekend binnen 24 uur", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of

strekking;

art 285 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van 1 mei

2008 tot en met 16 mei 2008, te Ter Apel, althans gemeente Vlagtwedde en/of te

't Zandt, althans gemeente Loppersum, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, [bedreigde 2] en/of een of meer anderen, al

dan niet schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft bedreigd met

enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of

goederen ontstaat en/of tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of

brandstichting, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk dreigend toen en aldaar een (poeder)brief verstuurd

en/of doen versturen aan die [bedreigde 2] met (onder meer) de tekst:

"Alles gaat in brand in t Zandt laat hem vrij Boem Tiktaktiktak

Brandweerkazerne", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 16 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van 1 mei

2008 tot en met 16 mei 2008, te Ter Apel, althans gemeente Vlagtwedde en/of te

't Zandt, althans gemeente Loppersum, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, [bedreigde 3] en/of een of meer anderen, heeft

bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van

personen of goederen ontstaat en/of tegen het leven gericht en/of zware

mishandeling en/of brandstichting, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of

meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend toen en aldaar een

(poeder)brief verstuurd en/of doen versturen aan die [bedreigde 3] met

(onder meer) de tekst: "Je club VV gaat branden Zandster ramp", althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 18 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van 1 mei

2008 tot en met 18 mei 2008, te Ter Apel, althans gemeente Vlagtwedde en/of in

de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, medewerkers van de [bedreigde 1] en/of [bedreigde 4] en/of een

of meer anderen, al dan niet schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde,

heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid

van personen of goederen ontstaat en/of brandstichting, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend toen

en aldaar een brief verstuurd en/of doen versturen aan [bedreigde 1] en/of [bedreigde 4]

met (onder meer) de tekst:

"Laat Johny vrij Johny niks gedaan" en/of "Als Johny niet vrij komt er een

brand die stad en ommeland niet vergeten Hoeft niet in tZandt te zijn maak

bekent" en/of "brand in formalig cafe 'tZandt 6 juni 300 dagen branden

'tZandt", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 19 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van 1 mei

2008 tot en met 19 mei 2008, te Ter Apel, althans gemeente Vlagtwedde en/of in

de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, medewerkers van de [bedreigde 5] en/of een of meer

anderen, al dan niet schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft

bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van

personen of goederen ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht

en/of zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer

van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend toen en aldaar een (poeder)brief

verstuurd en/of doen versturen aan de [bedreigde 5] met (onder meer)

de tekst:

"Snuif eens Boem Tiktaktiktak Laat Johny vrij De tijd gaat komen", althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 19 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van 1 mei

2008 tot en met 19 mei 2008, te Ter Apel, althans gemeente Vlagtwedde en/of in

de gemeente Loppersum, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, medewerkers van de [bedreigde 6] en/of een of meer

anderen, al dan niet schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft

bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van

personen of goederen ontstaat en/of met enig misdrijf tegen het leven gericht

en/of zware mishandeling en/of brandstichting, immers heeft/hebben verdachte

en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend toen en aldaar

een brief verstuurd en/of doen versturen aan de [bedreigde 6] met (onder

meer) de tekst:

"Laat Johny vrij of groote brand in t Zandt kies maar gewonden niet

uitgesloten meerdere mensen heben brieven geen aktie dan komt reactie",

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

art 285 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 20 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van 1 mei

2008 tot en met 20 mei 2008, te Ter Apel, althans gemeente Vlagtwedde en/of te

't Zandt, althans gemeente Loppersum, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, [bedreigde 7] en/of [bedreigde 8] en/of een of meer anderen,

al dan niet schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft bedreigd met

enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of

goederen ontstaat en/of en/of zware mishandeling en/of brandstichting, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk

dreigend toen en aldaar een brief verstuurd en/of doen versturen aan die [bedreigde 7]

en/of [bedreigde 8] met (onder meer) de tekst:

"Ook jullie schuur gaat branden hou je mond he" en/of "Binnenkort brand in

formalig cafe tZandt gaat in brand de tijd tikt door Laat Johny vrij

Tiktaktiktak 6 juni 300 dagen brandend tZandt", althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking, en/of (daarbij) een plattegrond gevoegd met

daarop aangekruist locaties en/of de tekst(en) "+ Gaan nog branden" en/of

"Meelesen" en/of "300 dagen branden 'tZandt 6 juni";

art 285 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

8.

hij op of omstreeks 24 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van 1 mei

2008 tot en met 24 mei 2008, te Ter Apel, althans gemeente Vlagtwedde en/of te

't Zandt, althans gemeente Loppersum, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, [bedreigde 9] en/of een of meer anderen, heeft bedreigd

met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of

goederen ontstaat en/of brandstichting, immers heeft/hebben verdachte en/of

(een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend toen en aldaar een

brief verstuurd en/of doen versturen aan die [bedreigde 9] met (onder meer) een

plattegrond met daarop aangekruist locaties waar branden zijn gesticht en/of

waarop ook de paardenschuur van die [bedreigde 9] was getekend, welke niet in brand

was gestoken en/of welke paardenschuur verdachte eerder heeft gedreigd in

brand te steken;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

9.

(parketnummer 670208-08)

hij

in de gemeente Loppersum,

op of omstreeks 18 december 2007, althans in december 2007,

opzettelijk

28 kilogram, althans hoeveelheden of een hoeveelheid van meer dan 10

kilogram, consumentenvuurwerk,

in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid en/of artikel 1.1.2, eerste lid van

het Vuurwerkbesluit, namelijk

- bestemd voor particulier gebruik en/of

- aangetroffen bij (een) particulier(en),

bestaande uit:

Chinese rollen en/of vlinderbommen en/of signaalraketten en/of nitraatbommen,

ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde

eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde

lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels,

buiten een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1

van het Vuurwerkbesluit,

namelijk in de woning Molenweg 41 te 't Zandt,

heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad,

namelijk:

2 Chinese rollen, (horse brand) (100.000 shots),

waarvan de lading, in strijd met de eisen, genoemd in bijlage III, onder A2

van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004, niet uitsluitend bestond uit

zwart buskruit

en/of

58, althans een groot aantal, vlinderbommen

- waarvan de effectlading, in strijd met de eisen, genoemd in bijlage III,

onder A1 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004, niet uitsluitend

bestond uit zwart buskruit

en/of

- welke niet waren/was voorzien van een gebruiksaanwijzing met zodanige

aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen

letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kon ontstaan, gesteld in de

Nederlandse taal, begrijpelijk en duidelijk leesbaar

en/of

10, althans een aantal, signaalraketten (lawinepijlen),

- waarvan de effectlading, in strijd met de eisen, genoemd in bijlage III,

onder D1 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004, niet uitsluitend

bestond uit zwart buskruit

en/of

- welke niet waren/was voorzien van een gebruiksaanwijzing met zodanige

aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen

letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kon ontstaan, gesteld in de

Nederlandse taal, begrijpelijk en duidelijk leesbaar

en/of

178, althans een groot aantal, nitraatbommen,

- waarvan de effectlading, in strijd met de eisen, genoemd in bijlage III,

onder A1 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004, niet uitsluitend

bestond uit zwart buskruit

en/of

- welke niet waren/was voorzien van een gebruiksaanwijzing met zodanige

aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen

letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kon ontstaan, gesteld in de

Nederlandse taal, begrijpelijk en duidelijk leesbaar;

art 1.2.2 lid 1 aanhef onder b Vuurwerkbesluit

art 1.2.2 lid 1 aanhef onder a Vuurwerkbesluit

art.1.2.4 lid 1 Vuurwerkbesluit

art 2.1.3 lid 1 Vuurwerkbesluit

art 1.2.2 lid 1 ahf/ond b Vuurwerkbesluit

Bewijsvraag

Met betrekking tot parketnummer 18/630420-07

Standpunt van de officier van justitie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gesteld dat de feiten 1 tot en met 6, 8 en 9 bewezen kunnen worden verklaard, omdat hiervoor wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Van het onder 7 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat geen van de ten laste gelegde feiten bewezen kan worden verklaard, omdat er onvoldoende bewijs voorhanden is. Het strafdossier levert weliswaar vermoedens van betrokkenheid van verdachte bij de feiten, maar van bewijs is geen sprake, zodat vrijspraak moet volgen.

Beoordeling

De rechtbank verwijst hieronder naar bewijsmiddelen. Daarbij heeft zij telkens verwezen naar het politiedossier met nummer PL01KN/08-001340 en de daarbij behorende bijlagen.

Met betrekking tot feit 1 (poging tot brandstichting Kinkhornsterweg 3 te Zeerijp)

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 november 2008, inhoudende, zakelijk weergegeven, dat hij op 18 december 2007 zich in Zeerijp op de Schansweg heeft bevonden, dat hij daar even de benen heeft gestrekt en dat hij om 17.13 uur weer in zijn auto is ges[medeverdachten 1 en 2]t en is weggereden.

- een proces-verbaal observeren van 18 december 2007 (als bijlage 1 bij bijlage 32.23 gevoegd), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, dat verdachte op 18 december 2007 stelselmatig werd geobserveerd. Verbalisanten relateren dat zij om 16.52 uur het visuele contact met verdachte verliezen. Dit is op ongeveer 20 meter afstand van de Kinkhornsterweg te Zeerijp. Om 17.16 uur krijgen verbalisanten verdachte weer in beeld en volgen zij hem richting Uithuizen. Tussen 16.52 uur en 17.16 uur hebben verbalisanten slechts een viertal voertuigen zien rijden over de Schansweg. Verbalisanten relateren vervolgens dat zij vanaf 17.19 uur in de buurt van de Kinkhornsterweg rondlopen, dat zij geen andere personen waarnemen, behalve een onbekende persoon in de woning aan de Schansweg 11. Om 17.55 zien zij in het schuurtje naast de woning Kinkhornsterweg 3 te Zeerijp lichtschijnsel. Om 18.09 uur nemen zij waar dat het gaat om een brandende kaars.

- een proces-verbaal onderzoek poging brandstichting d.d. 21 december 2007 (bijlage 27.8), zakelijk weergegeven onder meer inhoudende, als conclusie van de deskundige, dat als de brandende kaars niet tijdig was ontdekt, er vrijwel zeker brand was ontstaan door de aanwezigheid van papier en het droge zolderhout. Door de poging om op vorenomschreven wijze brand te stichten was er gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest, daar de naastgelegen woning op een afstand van slechts 7,50 meter van de betreffende schuur stond. In de woning waren de bewoners aanwezig waardoor mogelijk levensgevaar had kunnen ontstaan.

- het proces-verbaal technische expertise brandonderzoek d.d. 21 december 2007 (bijlage 27.8), onder meer inhoudend, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 18 december 2007, vanaf 19.20 uur, heb ik Gatze Kamstra, inspecteur van politie, deskundige A Brandonderzoeken, werkzaam bij de Regiopolitie Drenthe, Noordelijke Recherche-eenheid, afdeling ondersteuning, Unit Forensische Opsporing, Technische Expertise Brandonderzoeken, een onderzoek ingesteld.

Op de zolder stond een brandende kaars op blauw papier. Rechts van de kaars lag een soortgelijk stuk blauw papier, deels in elkaar gefrommeld. Verder lag er stro en textiel. De kortste afstand tussen de kaars en dit papier bedroeg ongeveer 20 cm. De bovenkant van de kaars was ongeveer 8 cm van de bovenkant van het eronder liggende papier verwijderd.

Met een PID-meter zijn Vluchtige Organische Componenten (VOC's) gemeten: een hoge waarde werd gemeten in het papier onder de brandende kaars en in het daaronder opgehoopte vuil (stro en restanten van textiel). In het rechts van de kaars liggende blauwe papier werd een lage waarde VOC's geïndiceerd.

- een proces-verbaal van zoeking in het bedrijf van verdachtes werkgever [werkgever] (bijlage 31.5), onder meer inhoudend, zakelijk weergegeven:

In de bedrijfsauto werd blauw papier aangetroffen. Een souche blauw papier werd in beslag genomen (SVO 12);

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 december 2007 (bijlage 31.6), zakelijk weergegeven inhoudende, dat de werkgever van verdachte verklaart dat één rol blauw papier binnen het bedrijf aanwezig was en dat deze was geplaatst in de bestelbus merk Renault, kenteken 94-BV-HR, die op 18 december 2007 door [verdachte] was gebruikt.

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 februari 2008 (bijlage 31.10), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, dat in de kofferruimte van verdachtes auto, in beslag genomen is onder nummer 5-A-5001 een zwarte werkbroek, merk "Havep Worker".

- een proces-verbaal afhandeling goederen (bijlage 35.1), en daarvan bijlage D, onder meer inhoudende dat in de in beslag genomen broek in de zakken blauw papier is aangetroffen.

- een proces-verbaal van vergelijkend technisch onderzoek papier d.d. 18-11-2008 (bijlage 27.9; de rechtbank gaat ervan uit dat de sluitingsdatum van dit proces-verbaal op een vergissing berust en dat bedoeld is 28-01-2008), onder meer inhoudend, zakelijk weergegeven:

De souches blauw papier, aangetroffen in de bedrijfsauto waarmee verdachte op 18 december 2007 heeft gereden, komen overeen met het blauwe papier aangetroffen op de plaats delict.

Voorts houdt dit proces-verbaal als conclusie in dat de in de broekzak linksvoor en in de broekzak rechtsachter van de onder verdachte in beslag genomen broek aangetroffen stukken blauw papier op de scheurranden overeenkomen met de scheurranden van het blauwe papier aangetroffen op de plaats delict.

De rechtbank overweegt aangaande de standpunten van de officier van justitie en de verdediging aan de hand van de genoemde bewijsmiddelen als volgt.

Rechtmatigheid van het door stelselmatige observatie verkregen bewijs

Namens verdachte is aangevoerd dat voor het bewijs geen gebruik mag worden gemaakt van de resultaten die zijn verkregen uit onderzoek dat door de politie is verricht op basis van een door de officier van justitie op 5 november 2007 gegeven bevel tot stelselmatige observatie van verdachte (als bedoeld in artikel 126g Wetboek van Strafvordering). De verdediging stelt daartoe - samengevat - het volgende. Dit bevel is gegeven in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in verband met de in 't Zandt e.o. gepleegde (pogingen tot) brandstichtingen. Uit niets blijkt dat het voor dit onderzoek van belang kon zijn de verdachte stelselmatig te observeren terwijl voor betrokkenheid bij of verdenking van verdachte bij bedoelde feiten geen, in elk geval onvoldoende gronden aanwezig waren. Daar komt bij dat op 27 november 2007, althans op 18 december 2007 het strafrechtelijk onderzoek naar genoemde verdachten [medeverdachten 1 en 2] reeds (feitelijk) was geëindigd waardoor er geen enkele gerechtvaardigde reden meer bestond om in het kader van dat onderzoek verdachte stelselmatig te blijven observeren tot op 18 december 2007. Integendeel, de officier van justitie had toen het onderzoek naar de verdachten [medeverdachten 1 en 2] een einde nam de uitvoering van het bevel tot stelselmatige observatie dienen te beëindigen.

De officier van justitie heeft de visie van de verdediging bestreden. Het bevel observatie is gegeven naar aanleiding van een proces-verbaal waarin is uiteengezet dat de gebroeders [medeverdachten 1 en 2] naast anderen werden aangemerkt als verdachten. Er was sprake van een groep jeugdige personen rondom de gebroeders [medeverdachten 1 en 2], waaronder verdachte. Dat de telefoon[medeverdachten 1 en 2]s ten aanzien van de gebroeders [medeverdachten 1 en 2] zijn geëindigd betekent geenszins dat het onderzoek naar het onderliggende complex van strafbare feiten is afgelopen. Bovendien werd verdachte op dat moment al geobserveerd en als verdachte aangemerkt. Op 6 december 2007 heeft er voorts een bespreking plaatsgevonden onder supervisie van de officier van justitie waarin toestemming is gegeven verdachte buiten heterdaad aan te houden en hem daartoe stelselmatig te observeren.

De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 126g Wetboek van Strafvordering een bevel tot observatie kan worden gegeven in het belang van het onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de verdediging van een te beperkte uitleg van het begrip "onderzoek" uit. Het (opsporings)onderzoek omvat meer dan een onderzoek dat is gericht tegen een concrete verdachte. De rechtbank wijst in dit verband op de definitie van een opsporingsonderzoek in artikel 132a Wetboek van Strafvordering. Het gaat om een onderzoek in verband met strafbare feiten met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Die beslissingen kunnen meer verdachten betreffen.

Toen op 5 november 2007 het bedoelde bevel stelselmatige observatie van verdachte werd gegeven, was het, zeker gegeven de toenmalige gebeurtenissen en door zowat de gehele bevolking van 't Zandt e.o. als dreigend ervaren omstandigheden in het dorp `t Zandt, en bij de stand van het (zeer brede) strafrechtelijk onderzoek van dat moment, alleszins te rechtvaardigen dat dit bevel werd gegeven. Dit kon immers van belang zijn voor het onderzoek naar de toenmalige verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de mogelijke betrokkenheid van eventueel andere met hen in verband te brengen personen, waaronder verdachte. Dat verdachte omgang had (gehad) met de verdachten [medeverdachten 1 en 2] en andere personen die met hen in contact stonden blijkt voldoende uit ter zake afgelegde verklaringen van getuigen. Het bevel tot stelselmatige observatie is daarom dan ook niet onrechtmatig te noemen en evenmin in strijd te oordelen met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De stelling van de verdediging dat verdachte op grond van bedoeld bevel na 27 november 2007 of in elk geval op 18 december 2007 niet meer stelselmatig had mogen worden geobserveerd omdat het strafrechtelijk onderzoek in het kader waarvan dit bevel was afgegeven toen was geëindigd, vindt geen steun in de stukken.

Uit niets blijkt dat het onderzoek naar de verdachten [medeverdachten 1 en 2] en de mensen met wie zij regelmatig verkeerden, in november 2007 (feitelijk) zou zijn gestaakt. Uit het enkele feit dat met ingang van 27 november 2007 de telefoons van deze verdachten niet langer werden afgeluisterd kan dat niet worden afgeleid. Dat de officier van justitie in de loop van november en in december 2007 uitdrukkelijk de bedoeling had om in het kader van het breedschalige onderzoek de verdachte stelselmatig te doen observeren blijkt onder meer uit het verslag van een bespreking die tussen bij het onderzoek betrokkenen heeft plaatsgehad op 6 december 2007. De conclusie moet dan ook zijn dat het bevel van 5 november 2007 rechtmatig is gegeven en gehandhaafd. Voor uitsluiting van naar aanleiding van dit bevel verzameld bewijs is dan ook geen grond.

Onduidelijkheid aangaande de in beslag genomen broek

Namens verdachte is aangevoerd dat in het proces-verbaal van vergelijkend technisch onderzoek wordt gesproken over een blauwe broek waarin de onderzochte stukken blauw papier zijn aangetroffen en dat dat niet zijn broek kan zijn, omdat die zwart is. Ter terechtzitting is de onder verdachte in beslag genomen zwarte "Havep worker" broek aan verdachte getoond waarbij verdachte de broek als de zijne heeft herkend. De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan en op grond van de in de diverse processen-verbaal (in bijlage 31.10 en 35.1) gegeven omschrijvingen van de broek en de daarbij genoemde nummers sprake is geweest van een verschrijving door de technische recherche waardoor in plaats van over een zwarte broek gesproken is over een blauwe broek en waardoor in plaats van het nummer 5-A-5001 het nummer 5-A-5004 is vermeld.

De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de onderzochte stukken papier afkomstig zijn uit de broek van verdachte.

Betrouwbaarheid vergelijkend technisch onderzoek

De verdediging heeft aangevoerd dat niet is gebleken van specifieke deskundigheid van de betrokken verbalisanten waardoor de betrouwbaarheid van het onderzoek naar de stukken papier en daaruit getrokken conclusies niet kunnen worden vastgesteld.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek voldoende betrouwbaar is. Als bijlagen bij het proces-verbaal van vergelijkend technisch onderzoek zijn foto's gevoegd van het papier en het onderzoek dat daarmee is gedaan. De rechtbank constateert zelf dat op deze foto's duidelijk is te zien dat de scheurranden van de stukken papier als omschreven in het proces-verbaal vrijwel exact op elkaar passen. Voorts is het proces-verbaal waarin het onderzoek is verwoord helder en goed te volgen en in zoverre goed controleerbaar. De rechtbank heeft geen reden tot twijfel aan de deskundigheid van de betrokken onderzoekers, hun methode van onderzoek is duidelijk en goed controleerbaar en zij hebben de methode naar het oordeel van de rechtbank vakkundig toegepast. De rechtbank acht de resultaten van dat onderzoek dan ook bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank kan zich met de conclusies van het onderzoek verenigen en neemt deze over.

De rechtbank komt op grond van voormelde bewijsmiddelen, in samenhang beschouwd, en de naar aanleiding daarvan gemaakte overwegingen tot de conclusie dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.

Met betrekking tot feit 6 (poging tot brandstichting Hoofdstraat 85b te 't Zandt)

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- een proces-verbaal technische recherche d.d. 26 november 2007 (bijlage 18.9) in verband met de brand op 23 oktober 2007, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Het object, Hoofdstraat 85 te 't Zandt, betreft een vrijstaand, houten clubgebouw. Het kozijn van het meest rechts gelegen raam (buitengevel voorzijde) was gedeeltelijk afgebroken. Tengevolge van de verbreking was een ruimte tussen het kozijn en de ruit ontstaan, waardoor het mogelijk was om door middel van handreiking veranderingen aan te brengen in de oorspronkelijke situatie in het gebouw.

In de kantine direct achter het raam bevond zich een stapel van 3 tuinstoelen. Tussen het metalen frame en de kunststof rugleuning werd een kaars en een hoeveelheid tissues aangetroffen. De tissues bevonden zich direct tegen de kaars. Gelet op de verschijningsvorm van de conus van de kaars had deze slechts kort gebrand (< 10 mm). De onderzijde van de kaars was afgebroken, waardoor de lont van de kaars zichtbaar was. Deze had niet gebrand.

- een proces-verbaal afname DNA celmateriaal, d.d.19 december 2007 (bijl. 36.1), zakelijk weergegeven inhoudende dat van verdachte celmateriaal is afgenomen en dat dit wordt overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

- een NFI-rapport inzake vergelijkend DNA onderzoek, d.d. 7 februari 2008 (bijl. 18.13), zakelijk weergegeven als conclusie inhoudende:

De DNA kenmerken in het DNA profiel van [verdachte] matchen met de DNA kenmerken in de LCN DNA-profielen van bemonstering op het stuk lont.

In de DNA-kenmerken in de LCN DNA-profielen op het stuk lont zijn geen aanwijzingen zichtbaar op de aanwezigheid van DNA van meerdere personen. Onder de aanname dat de reproduceerbare DNA-kenmerken afkomstig zijn van één celdonor is een statistische berekening uitgevoerd voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden match met de DNA-kenmerken in het DNA-profiel van de verdachte [verdachte]. De berekende frequentie van de combinatie van de reproduceerbare DNA-kenmerken van het onderzochte stuk lont is ongeveer 1 op 39 miljoen. Ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen persoon deze combinatie van DNA-kenmerken heeft is ongeveer 1:39.000.000.

Overwegingen met betrekking tot het LCN DNA onderzoek

Namens verdachte is betoogd dat het met behulp van de zogenoemde Low Copy Number (LCN)-techniek verkregen DNA bewijs niet bruikbaar is. Daartoe is aangevoerd dat de resultaten van dergelijk onderzoek minder betrouwbaar zijn, dat het gebruik van LCN DNA-profielen in de rechtspraktijk zelden voorkomt en dat de bewijswaarde gering is vanwege de risico's van beïnvloeding van het materiaal. In dit verband heeft de verdediging op enkele publicaties gewezen en op het feit dat het gebruik van LCN DNA in Engeland sinds enige tijd niet meer is toegestaan.

Naar de mening van de officier van justitie is het LCN DNA-bewijsmateriaal wel bruikbaar. Hij heeft daartoe aangevoerd dat dergelijk bewijsmateriaal ook is gebruikt in een zaak uit 2003 die bij de rechtbank ook wel bekend staat als "de badkamermoord".

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak niet gebleken van redenen op grond waarvan het met behulp van de LCN techniek verkregen DNA-bewijsmateriaal zou moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De rechtbank wijst in het licht van de betrouwbaarheid van deze methode op zich, allereerst op de door de Minister van Justitie op 30 januari 2008 gegeven antwoorden op kamervragen over de LCN DNA-analyse (TK 2007-2008, nr. 1178). De minister merkt op dat de techniek, hoewel extreem gevoelig, wezenlijk niet anders is dan de standaard DNA-analyse, onder stringente condities wordt uitgevoerd en dat het NFI sinds 2002 is geaccrediteerd voor het uitvoeren van dergelijk onderzoek.

De rechtbank hecht verder waarde aan de wetenschappelijke publicatie van prof.dr. A.D. Kloosterman en drs. A.J. Meulenbroek, waar de verdediging zich op beroept (DNA-onderzoek van minimale biologische sporen; 'gevoelige problematiek', Expertise en Recht nr. 4 augustus 2008, blz. 108-120). Beide auteurs zijn vast gerechtelijk deskundige Biologische sporen en DNA-onderzoek bij het NFI. Naar het oordeel van de rechtbank valt uit bedoelde publicatie niet af te leiden dat met behulp van de LCN techniek verkregen resultaten niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De publicatie beschrijft de moeilijkheid van de techniek, de risico's die bij het vermeerderen van het materiaal bestaan en de complicaties die bestaan bij het analyseren en interpreteren van de met behulp van de techniek verkregen DNA-profielen. Er wordt niet gesteld dat dit onmogelijk is. Integendeel, het artikel beschrijft dat weliswaar een internationaal wetenschappelijk gedragen onderzoeksmodel nog ontbreekt, maar dat het NFI participeert in tot stand brengen van (internationale) richtlijnen. Vervolgens wordt letterlijk geschreven: "De gerechtelijke deskundigen van het NFI werken overeenkomstig een leidraad, zodat uiteindelijk met betrouwbare LCN DNA-profielen een objectief vergelijkend DNA-onderzoek kan worden uitgevoerd."

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat het NFI in de NFI-uitgave 'De essenties van forensisch DNA-onderzoek' een beschrijving geeft van de hantering van de LCN DNA-analyse die overeenkomt met de hiervoor genoemde wetenschappelijke publicatie.

Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat niet gebleken is dat de LCN methode geen betrouwbare en bruikbare methode is voor het verkrijgen en interpreteren van DNA-profielen, mits aan stringente voorwaarden wordt voldaan.

In de onderhavige zaak is blijkens het rapport van dr. A.B. Raggers-Schroeijers van 7 februari 2008 gebruik gemaakt van de in de hiervoor genoemde NFI-uitgave aangegeven methoden (met inachtneming van de daarbij in acht te nemen zorgvuldigheidseisen). Door de verdediging is niet aangevoerd en de rechtbank ziet ook overigens geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de bekwaamheid van de rapporteur om de gebruikte methode vakkundig toe te passen. De rechtbank acht de resultaten van de LCN DNA-analyses dan ook bruikbaar voor het bewijs.

De waardering van de bewijsmiddelen

De verdediging heeft gesteld dat de door het NFI berekende kans een uitermate grote is. De rechtbank kan dit niet volgen. Integendeel, zij acht een kans van 1 op 39.000.000 reeds op zichzelf beschouwd, maar ook in aanmerking genomen de geringe populatie in 't Zandt en wijde omtrek, een uitermate kleine kans. De rechtbank is dan ook van oordeel dat vast is komen te staan dat het DNA-profiel van verdachte is aangetroffen op de lont van de kaars.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het aannemelijk is dat dat profiel buiten toedoen van verdachte op die lont is gekomen, of op een zodanig tijdstip dat er geen relatie is met de poging tot brandstichting waarbij die kaars is aangetroffen.

Voor een bevestigend antwoord op deze vraag heeft de rechtbank in het dossier geen enkel aanknopingspunt gevonden. Daarbij hecht de rechtbank met name gewicht aan het gegeven dat enkel het profiel van verdachte op de lont van de kaars is aangetroffen.

Verder heeft ook verdachte zelf geen enkele verklaring gegeven of kunnen geven voor het aantreffen van zijn profiel. Hij kan niets melden over de vraag of hij op enig moment aan de lont van een kaars heeft gezeten en over de vraag of hij in de buurt is geweest van de plaats waar de desbetreffende kaars is aangetroffen.

De stelling van verdachte dat hij op het tijdstip van het aansteken van de desbetreffende kaars niet ter plaatse kan zijn geweest, passeert de rechtbank. Zelfs als wordt uitgegaan van verdachtes eigen stellingen, kan hij ter plaatse zijn geweest, omdat de brandende kaars om ongeveer 18.45 uur is ontdekt en verdachte zelf stelt om 18.11 uur nog op de fiets onderweg te zijn geweest (mogelijk) naar zijn kameraad [kameraad]. De technische recherche heeft gerelateerd dat de kaars nog maar kort brandde (<10 mm was opgebrand). Uitgaande van het door de verdediging genoemde verbranden van 2,25 cm per uur, zal de kaars ongeveer 25 minuten (en niet 10 zoals de verdediging heeft gesteld) hebben gebrand. Dat betekent dat de kaars mogelijk is aangestoken rond 18.20 uur. Gelet op verdachtes eigen stellingname kan hij dus heel goed in staat zijn geweest de kaars aan te steken.

De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat de mogelijkheid dat het aantreffen van het DNA-materiaal van verdachte op de lont van de kaars los moet worden gezien van de poging tot brandstichting niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het DNA-materiaal van verdachte door zijn toedoen in het kader van het plegen van uitvoeringshandelingen of de voorbeidingen daartoe bij de poging tot brandstichting met behulp van de kaars, op de lont van die kaars terecht is gekomen.

Namens verdachte is nog aangevoerd dat er geen sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen, omdat er alleen gevaar is geweest voor het clubgebouw zelf en de daarin aanwezige inboedel.

De rechtbank oordeelt anders. Niet alleen kan in zijn algemeenheid bij brandstichting in en aan onroerende zaken al snel van gemeen gevaar voor goederen worden gesproken (vgl. HR 12 mei 1992, NJ 1992, 659), in dit geval blijkt bovendien uit de bij het genoemde proces-verbaal van de technische recherche (bijlage 18.9) gevoegde foto's (m.n. foto 3) dat ook de rond het clubgebouw staande bomen en bossages gevaar liepen wanneer de brand zich volledig zou hebben ontwikkeld. Het verweer wordt daarom verworpen.

De rechtbank acht het feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 9 (brandstichting Oostersingel te 't Zandt)

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- een proces-verbaal van aangifte d.d. 28 november 2007 (bijlage 25.1), inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van [aangever]:

Ik was vandaag, 27 november 2007, thuis, samen met mijn vader en mijn zus. Het was ongeveer 18.00 uur. Ik keek tv. Om ongeveer 18.15 - 18.20 uur liep ik naar de keuken (tijdens het eerste reclameblok in een aflevering van The A-team). Ik keek door het keukenraam naar buiten en zag een oranje gloed in het schuurtje. Ik dacht direct aan brand. Ik riep: de schuur staat in brand. Ik pakte een emmer en zette die onder de kraan. Ik rende naar buiten en deed de deur van de schuur open met de sleutel aan mijn sleutelbos. Ik zag linksachter allemaal vlammen. Ik heb de emmer uit de gootsteen gepakt en heb geprobeerd de brand te blussen. Dat lukte niet. Ik vulde de emmer opnieuw. De tweede emmer heb ik via de brandgang tegen de achterkant van de schuur gegooid. Ik zag toen tegen de achterzijde van de schuur het raamkozijn met ruit op de grond staan. Hij moet het dus in zijn geheel uit de schuur hebben gehaald. Samen met mijn vader hebben we met 4 of 5 emmers de brand geblust.

- een proces-verbaal d.d. 9 januari 2008 (bijlage 25.2), inhoudende, zakelijk weergegeven als verklaring van [aangever]:

Ik kan niet bedenken hoe er een lege colafles bij ons in de schuur terecht kan komen.

- een proces-verbaal technische expertise brandonderzoeken d.d. 9 januari 2008 (bijlage 25.13), inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ter plaatse werd door verbalisant een onderzoek ingesteld.

In de vitrage voor de opening in de achterwand was een kunststof colafles gerold en op de vloer tussen fietsen lag een rode dop, kennelijk behorend bij de colafles. In de fles bevond zich een groenachtige vloeistof: hoge waarde VOC's (brandversnellende middelen). De rode dop is voor DNA onderzoek veiliggesteld (DZA022).

Achter het schuurtje stond links naast de opening in de wand een raam met daarin glas op de grond. Het raam bleek, bij onderzoek, met schroeven aan de achterwand van het schuurtje bevestigd te zijn geweest. Het hout van de wand was zodanig rot dat het raam gemakkelijk kon worden verwijderd.

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 februari 2008 (bijlage 31.10), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, dat in de kofferruimte van verdachtes auto in beslag genomen is onder nummer 5-A-5004 een zwarte jas en dat in de rechterzak van die jas werd aangetroffen een etiket met opschrift "Coca Cola".

- een NFI rapport d.d. 7 februari 2008 (vergelijkend DNA onderzoek) (bijlage 25.13)

Betreft onderzoek op een dop van een colafles. De zijkant van de dop is bemonsterd. Van het DNA in de bemonstering van de zijkant van de dop is een onvolledig DNA profiel verkregen van een man. Dit profiel is vergeleken met de DNA-profielen van de referentiemonsters wangslijmvlies van [verdachte].

Conclusie:

Het onvolledige DNA-profiel van het DNA matcht met het DNA profiel van [verdachte]. Het celmateriaal in het monster kan afkomstig zijn van [verdachte]. De berekende frequentie van het DNA-profiel van het celmateriaal in het monster is kleiner dan 1 op 1 miljard, ofwel: de kans dat een willekeurig gekozen man dit DNA profiel heeft is kleiner dan 1 op 1 miljard.

- een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 9 januari 2008 (bijlage 25.14) inhoudende zakelijk weergegeven:

De verbalisant verwijst naar de inbeslagneming van de flacon, genoemd in bijlage 25.13. Verder verwijst hij naar het etiket van een colafles dat is aangetroffen in de rechter jaszak van de in beslag genomen jas van verdachte (SVO 07-159454 31). Verbalisant relateert vervolgens dat de fles van transparant plastic was en dat het etiket vrijwel volledig ontbrak. Onder de schroefdopopening was een rode plastic ring om de hals aanwezig. Op de fles was een opdruk zichtbaar 29FEB08, met daaronder 295 D06 1550. Verbalisant constateert 2 grijzige verticale strepen met een lengte van 5 cm en een maximale breedte van ca 10,5 mm. Dit waren plakresten (plakstroken). Tussen de onderste en tweede cirkel van onderen was een klein, pijlvormig stukje materiaal zichtbaar, voorzien van de kleuren rood en wit. Dit kwam ogenschijnlijk overeen met het materiaal waaruit SVO 07-159454 31 was vervaardigd (etiket). De lengte van het pijlvormige stukje bedroeg 9,5 millimeter en de grootste breedte 2 mm.

SVO 07-159454 31 is hoofdzakelijk rood van kleur met de tekst coca cola.

Wij zagen dat aan de binnenzijde van dit etiket links van de twee elkaar overlappende delen 5 halve cirkels zichtbaar waren. Voorts dat tussen de onderste en tweede cirkel een pijlvormig stukje van het etiket ontbrak. De lengte hiervan bedroeg 9,5 mm en de grootste breedte 2 mm.

Bij vergelijking met de fles bleek dat het voorkomende stukje materiaal zonder afwijking gepast kon worden in het ontbrekende deel van het etiket. Ook de plaats en richting van de 5 zichtbare cirkels op de fles konden samengevoegd worden met de zichtbare cirkels op het etiket.

Bij volledige passing rond de fles bleek dat van het etiket een strook met een grootste breedte van ongeveer 4 cm ontbrak.

Conclusie:

- het stukje materiaal op de flacon en het etiket hebben voor het scheiden van het etiket van de fles één geheel gevormd;

- het etiket is daarom oorspronkelijk om de fles aangebracht geweest.

- een proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 februari 2008 (bijlage 25.12), inhoudende, zakelijk weergegeven:

Betreft het onderzoek aan de auto van verdachte door middel van een peilbaken.

Op 16 november 2007 werd een peilbaken geplaatst onder de auto van verdachte, blauwe Peugeot kenteken 86-FF-XP.

Naar aanleiding van de brand op 27 november 2007 (Oostersingel 31) werd het peilbaken uitgelezen. Hierbij bleek dat het peilbaken aangeeft dat het voertuig heeft stilgestaan op 27 november 2007 om 18.07.57 uur aan de Hink Oostingstraat. Deze straat bevindt zich op korte afstand van de Oostersingel.

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 17 november 2008, inhoudende, zakelijk weergegeven, dat hij in beginsel als enige gebruik maakt van zijn auto.

De waardering van de bewijsmiddelen

Namens verdachte is aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat hij het feit heeft gepleegd. De resultaten van de observatie door middel van het peilbaken zijn, zoals al ten aanzien van feit 1 betoogd, onbruikbaar voor het bewijs. Verder is naar de mening van verdachte onduidelijk wie de colafles en de dop ter plaatse hebben gebracht. Bovendien is volgens verdachte geen verband aangetoond tussen die fles en dop enerzijds en de brandstichting anderzijds.

De rechtbank kan verdachte hierin niet volgen. Met betrekking tot de bruikbaarheid van de resultaten van de inzet van het peilbaken verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierover bij feit 1 reeds heeft overwogen.

Met betrekking tot de colafles en de dop overweegt de rechtbank dat deze naar haar oordeel voldoende met verdachte in verband zijn te brengen via het DNA bewijs en via het vergelijkend onderzoek aangaande het etiket. De rechtbank heeft geen enkel aanknopingspunt gevonden voor de gedachte dat de fles en de dop door een ander dan verdachte ter plaatse zijn gebracht. In dit verband wordt gewezen op de aangehaalde verklaring van [aangever] en de resultaten van de observatie via het peilbaken. Nu uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte zeer kort voor het ontdekken van de brand in de directe nabijheid van de plaats van die brand was en op de plaats van het delict sporen zijn gevonden die rechtstreeks en zeer specifiek naar verdachte voeren, komt de rechtbank tot het oordeel dat het verdachte moet zijn geweest die de brand heeft gesticht.

Met betrekking tot de feiten 2, 3, 4, 5, 7 en 8

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte van het onder 7 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Ook voor de feiten 2, 3, 4, 5 en 8 is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. De ten aanzien van deze individuele feiten bijgebrachte bewijsmiddelen brengen de rechtbank niet verder dan dat er terecht verdenkingen zijn gerezen tegen verdachte, bij het ene feit meer dan bij het andere. Maar dat bewijs is voor die individuele feiten naar het oordeel van de rechtbank telkens ontoereikend om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Het opgevoerde schoensporenbewijs heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende overtuigende kracht, omdat het veelal niet gaat om herkenning van specifieke kenmerken. Voor zover er meer specifieke kenmerken zijn herkend is telkens onvoldoende duidelijk geworden dat er een verband zou bestaan tussen het mogelijk ter plaatse zijn geweest van verdachte en het plegen van het betreffende feit.

Ten aanzien van feit 5 merkt de rechtbank nog in het bijzonder op dat weliswaar een DNA spoor van verdachte is aangetroffen op een elektriciteitssnoer dat op de plaats van het delict lag, maar dat de rechtbank daaruit geen verstrekkende conclusies kan trekken. Het gaat om DNA bewijs dat is verkregen met de hiervoor al genoemde LCN techniek. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor met betrekking tot de LCN techniek heeft overwogen. Vanwege de risico's die bij het vermeerderen van het materiaal bestaan en de complicaties die bestaan bij het analyseren en interpreteren van verkregen onderzoeksresultaten dient grote zorgvuldigheid te worden betracht. In het onderhavige geval is niet alleen een DNA spoor van verdachte op het bedoelde snoer aangetroffen, maar ook het spoor van anderen. Daar komt nog bij dat verdachte heeft verklaard dat hij regelmatig in het betreffende pand is geweest. Dit is door een getuige bevestigd. De rechtbank kan onder deze omstandigheden niet uitsluiten dat het aantreffen van verdachtes DNA materiaal niet in verband staat met de onder 5 ten laste gelegde poging tot brandstichting.

De officier van justitie heeft in het kader van zijn bewijsconstructie er nog op gewezen dat bewijskracht moet worden toegekend aan het feit dat verdachte betrokken is bij branden waar voldoende bewijs voor aanwezig is en die vergelijkbare modus operandi hebben. Verder heeft de officier van justitie gewicht toegekend aan het feit dat verdachte er in de hierna te noemen dreigbrieven blijk van heeft gegeven te beschikken over daderwetenschap.

De rechtbank kan de officier van justitie hierin niet volgen.

Aangaande het schakelbewijs overweegt de rechtbank dat zij, daargelaten de bewijskracht van dergelijk bewijs, constateert dat van het totale aantal brandstichtingen en pogingen daartoe slechts negen aan verdachte zijn ten laste gelegd en dat van die negen voor slechts drie voldoende zelfstandig bewijs voorhanden is. Deze constatering alleen al brengt naar het oordeel van de rechtbank onvermijdelijk met zich dat van een schakel die wijst in de richting van verdachte geen sprake kan zijn.

De beweerde daderwetenschap in de dreigbrieven draagt naar het oordeel van de rechtbank niet bij aan het bewijs van een van de hier besproken feiten. Het is de vraag of het gaat om daderwetenschap zoals door de officier bedoeld, omdat verdachte in het bezit was van het dossier waarin zeer veel informatie over de feiten is opgenomen. Voor zover de officier heeft gedoeld op feiten die niet in het dossier zijn opgenomen, gaat de rechtbank hieraan voorbij, reeds omdat daardoor de juistheid van de stelling dat er sprake is van daderwetenschap voor de rechtbank oncontroleerbaar is.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de feiten 2, 3, 4, 5, 7 en 8.

Met betrekking tot parketnummer 18/670366-08

Standpunt van de officier van justitie

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gesteld dat de feiten 1 tot en met 9 bewezen kunnen worden verklaard, omdat hiervoor wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is aangevoerd dat feit 9 bewezen kan worden verklaard, maar dat van de feiten 1 tot en met 8 vrijspraak moet volgen, omdat voor die feiten onvoldoende bewijs voorhanden is. Het strafdossier levert weliswaar vermoedens van betrokkenheid van verdachte bij de feiten, maar van bewijs is geen sprake, zodat vrijspraak moet volgen.

Beoordeling

Met betrekking tot de feiten 1 tot en met 8 (de dreigbrieven)

De rechtbank heeft acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, daarbij verwijst de rechtbank telkens naar de doorgenummerde pagina's en bijlagen van het politiedossier met dossiernummer PL01KN/08-001340A:

- het relaas met betrekking tot de ontvangst van een brief op 25 maart 2008 door [bedreigde 1] (blz. 7) en de bedoelde brief (bijl. C);

- de aangifte van [bedreigde 2] d.d. 26 juni 2008 (blz. 20) en de door hem ontvangen brief (bijl. D);

- de aangifte van [bedreigde 3] d.d. 12 juni 2008 (blz. 29) en de door hem ontvangen brief (bijl. E);

- het relaas met betrekking tot de ontvangst van een brief door [bedreigde 1] d.d. 18 mei 2008 (blz. 76) en de bedoelde brief (bijl. F);

- de aangifte namens de [bedreigde 5] d.d. 2 juni 2008 (blz. 31) en de ontvangen brief (bijl. G);

- de aangifte namens de [bedreigde 6] d.d. 9 juni 2008 (blz. 33) en de ontvangen brief (bijl. H);

- de aangifte van [bedreigde 7] d.d. 26 juni 2008 (blz. 23) en de ontvangen brief (bijl. I);

- de aangifte van [bedreigde 9] d.d. 26 juni 2008 (blz. 26) en de ontvangen brief (bijl. J).

- een rapport d.d. 25 juli 2008 opgemaakt door drs. W.P.F. Fagel, als vast gerechtelijk deskundige verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), pag. 135 t/m 152 (met bijlagen) van dossier nummer 08-001340A van de Regiopolitie Groningen, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:

Van de Regiopolitie Groningen zijn ontvangen:

1. een envelop met brief en poeder, de envelop met opschrift "<Spoed> Politie Delfzijl" met daarin een beschreven stukje papier;

2. een envelop met brief en poeder, geadresseerd aan [bedreigde 2] met daarin een beschreven stukje papier;

3. een envelop met brief, geadresseerd aan [bedreigde 8] met daarin drie beschreven stukjes papier;

4. een envelop met brief en poeder, geadresseerd aan [bedreigde 3] met daarin een beschreven stukje papier;

5. een envelop met brief, geadresseerd aan de [bedreigde 6] met daarin een beschreven stukje papier;

6. een envelop met brief, geadresseerd aan [bedreigde 1] met daarin drie beschreven stukjes papier;

7. een envelop met brief, geadresseerd aan [bedreigde 9] met daarin een beschreven stukje papier;

8. een werkmap voor handschriftvergelijking. In deze map handgeschreven brieven en notities van verdachte [verdachte];

9. een werkmap voor handschriftvergelijking. In deze map handgeschreven brieven en notities van verdachte [verdachte];

10. een schrijfproef van verdachte [verdachte]. Kleurenkopieën van vijf vellen met een volgens opgave door verdachte geschreven dictee (speciaal voor deze zaak opgestelde tekst).

Conclusies:

De geconstateerde overeenkomsten in het handschrift bij onderlinge vergelijking van de enveloppen en brieven [1 t/m 7] leiden tot de conclusie dat de adresseringen en teksten op deze stukken waarschijnlijk door een en dezelfde persoon zijn geschreven.

- een NFI rapport d.d. 11 augustus 2008 (pag. 153), opgemaakt door dr. ir. C.E.H. Berger: onderzoek van meerdere dreigbrieven gericht aan meerdere personen en instanties inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bij de beantwoording van de vraag of alle enveloppen en alle brieven van dezelfde bron afkomstig zijn worden nu de volgende hypothesen geformuleerd: 1. de vergeleken enveloppen en brieven zijn afkomstig van dezelfde bron en 2, de vergeleken enveloppen en brieven zijn afkomstig van verschillende bronnen.

De resultaten van het vergelijkend onderzoek aan alle enveloppen en alle brieven zijn waarschijnlijker als alle enveloppen en brieven van dezelfde bron afkomstig zijn dan wanneer ze van verschillende bronnen komen.

- kennisgeving van inbeslagneming betreffende 8 enveloppen met inhoud door NFI aangeduid als FFA080, FFA082, FFA083, FFA649, FFA081, ADF442 en FFA084, respectievelijk geadresseerd aan:

[bedreigde 2], [bedreigde 3], [bedreigde 1]/[bedreigde 4], [bedreigde 5], [bedreigde 6], [bedreigde 8] en [bedreigde 9].

- een rapport van het NFI d.d. 23 juni 2008, opgemaakt door ing. M.J.W. Pouwels, vast gerechtelijk deskundige, betreffende onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van de ontvangst van een bedreigende brief in Groningen op 25 maart 2008.

Dit rapport houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Ontvangen van de regiopolitie Groningen:

1. een envelop gericht aan [bedreigde 1] (DZA026);

2. een envelop gericht aan [betrokkene] (DZA027);

3. een envelop gericht aan [bedreigde 1] (DZA028).

De rugzijde van de postzegel op envelop DZA026 is bemonsterd voor DNA-onderzoek. Op de envelop DZA027 is geen postzegel aanwezig. De rugzijde van de postzegel op envelop DZA028 is bemonsterd voor DNA-onderzoek. De enveloppen en postzegels (o.a. [DZA028]#2) zijn veiliggesteld voor DNA-onderzoek.

Resultaat: van het celmateriaal op (de kleefzijde van) de postzegel [DZA028]#2 is een DNA-mengprofiel verkregen dat is vergeleken met het eerder verkregen DNA-profiel van verdachte J. [verdachte].

Van het overige sporenmateriaal zijn geen DNA-profielen verkregen.

Conclusie:

Van het celmateriaal op (de kleefzijde van) de postzegel [DZA028]#2 is een DNA-mengprofiel verkregen waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van ten minste twee personen. Het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] [RHK574] matcht met dit DNA-mengprofiel. Dit betekent dat een deel van het celmateriaal op de kleefzijde van deze postzegel afkomstig kan zijn van de verdachte J. [verdachte] en vermengd is met celmateriaal van ten minste één onbekende persoon.

- een rapport NFI d.d. 28 augustus 2008 (pag. 206), opgemaakt door dr. A.B. Raggers-Schroeijers: onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van zes schriftelijke bedreigingen, zakelijk weergegeven:

Ontvangen van de regiopolitie Groningen: (o.a.)

FFA080#2: zelfklevende postzegel van envelop FFA080

FFA082#2: zelfklevende postzegel van envelop FFA082

FFA649#2: zelfklevende postzegel van envelop FFA649

FFA081#2: zelfklevende postzegel van envelop FFA081

ADF442#2: zelfklevende postzegel van envelop ADF442.

Conclusie (pag. 6):

Sporenmateriaal kan afkomstig zijn van berekende frequentie DNA-

profiel

FFA080#2 [verdachte] < 1 op 1 miljard

FFA082#2 [verdachte] < 1 op 1 miljard

FFA649#2 [verdachte] circa 1 op 1800 duizend

FFA081#2 [verdachte] < 1 op 1 miljard

ADF442#2 [verdachte] < 1 op 1 miljard

Toelichting:

1. In het DNA profiel in deze sporenmaterialen is een beperkt aantal additionele, zwak aanwezige DNA-kenmerken zichtbaar die kunnen duiden op de aanwezigheid van een relatief zeer geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon. Deze kenmerken kunnen ook achtergrondsignaal betreffen (inherent aan de gebruikte DNA-techniek). Deze kenmerken zijn te gering in aantal en intensiteit om te betrekken bij een vergelijkend DNA onderzoek.

2. Van het celmateriaal in het sporenmateriaal [FFA649]#2is een onvolledig DNA-profiel verkregen.

Met betrekking tot de standpunten van de officier van justitie en de verdediging aangaande het bewijs overweegt de rechtbank naar aanleiding van bovenstaande bewijsmiddelen als volgt.

Gelet op de resultaten van het documentenonderzoek, het schriftvergelijkende onderzoek en het aangetroffen sporenmateriaal staat voor de rechtbank vast dat alle brieven in de onderhavige zaak afkomstig zijn van één en dezelfde persoon.

De brief bedoeld in feit 1 is kennelijk bij de [bedreigde 1] te Groningen bezorgd, te weten [bedreigde 1]. Deze brief bevatte naast een briefje met als inhoud "Laat johny b. vrij. Laatste keer. Maak nu bekend binnen 24 uur" - welke tekst de rechtbank op zich niet als bedreigend kwalificeert - een hoeveelheid poeder. Hetzelfde geldt voor de brieven onder 2, 3 en 5. De overige brieven bevatten naast de (be)dreigende teksten geen poeder. De rechtbank is van oordeel dat bij al deze brieven in de context van (het onderzoek naar) de brandstichtingen in 't Zandt en omstreken sprake is van bedreiging, nu de aanwezigheid van poeder in een brief de redelijke vrees kan meebrengen dat een en ander schadelijk is voor de gezondheid van de ontvanger. Daar komt bij dat [bedreigde 1] een dergelijke dreigbrief op televisie heeft getoond en de associatie hiermee, gelet op de aanwezige onrust, derhalve gerechtvaardigd was. Uit het feit dat alle geadresseerden de envelop met inhoud bij de politie hebben gebracht, kan worden afgeleid dat de ontvangst van de brieven redelijke vrees bij de ontvangers ervan hebben teweeggebracht.

De brieven betreffende de feiten 2, 3, 4, 5, 6 en 7 bevatten alle een dreigende tekst, waarvan in de meeste gevallen ook aangifte is gedaan. De brief van feit 8 bevat een schetsmatige tekening, die door de geadresseerde, [bedreigde 9], werd herkend in die zin dat hij daarop de plaats van zijn paardenschuur vond aangegeven met een kruisje. Verder zijn op die tekening alle tot dan toe in 't Zandt aangestoken branden aangegeven, waardoor bij de geadresseerde de vrees kon worden opgewekt dat ook zijn paardenschuur in brand zou worden gestoken.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in alle acht gevallen gesproken kan worden van bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen bestaat, dan wel van bedreiging met brandstichting. Gezien in het licht waarin een en ander zich heeft afgespeeld, het strafrechtelijk onderzoek naar de brandstichtingen en de daarvoor aangehouden verdachte acht de rechtbank bewezen dat er sprake is van bedreiging onder zodanige omstandigheden dat bij de slachtoffers de redelijke vrees kon ontstaan dat de algemene veiligheid van personen en goederen in het geding was of dat brand zou worden gesticht in met name in de in die brieven genoemde panden.

De volgende vraag die beantwoording behoeft is of de brieven van verdachte afkomstig zijn.

Uit de technische en forensische onderzoeken en rapporages leidt de rechtbank af

- dat op zeven van de acht enveloppen DNA materiaal is gevonden dat afkomstig kan zijn van verdachte, waarbij ten aanzien van vijf (feiten 2, 3, 6, 7 en 8) de kans dat de donor van de biologische sporen een ander is dan verdachte kleiner wordt geacht dan 1 op 1 miljard,

- dat de inhoud van de acht brieven wat betreft het onderwerp in hoge mate vergelijkbaar is, en

- dat de gebruikte enveloppen soortgelijk zijn aan die welke in het Huis van Bewaring worden gebruikt.

De rechtbank concludeert daarom dat alle acht brieven afkomstig zijn van dezelfde bron, te weten verdachte.

Verdachte heeft met betrekking tot het naar buiten brengen van brieven verklaard dat dit niet ongemerkt mogelijk is omdat alle (gewone) correspondentie via controle door het Huis van Bewaring (HvB) naar buiten gaat. Dat verdachte feitelijk in de onmogelijkheid zou verkeren een brief anders dan via de geëigende weg uit het HvB te sturen acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Immers, uit het proces-verbaal komt naar voren (pag. 94, 98, 100, 104) dat er mogelijkheden bestaan om post uit het HvB te smokkelen via bijvoorbeeld ontslaggangers.

Voorts heeft verdachte gesteld dat mogelijk een ander de brieven heeft verstuurd en DNA van verdachte op de enveloppen heeft aangebracht en dat er mogelijk sprake is van een complot. Verdachte heeft hierbij geen feiten of omstandigheden aangedragen die deze complottheorie kunnen ondersteunen en ook overigens is die mogelijkheid niet aannemelijk geworden.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Weliswaar dragen niet alle brieven DNA-sporen van verdachte, maar omdat wel alle brieven uit dezelfde bron afkomstig zijn acht de rechtbank de feiten 1 tot en met 8 wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot feit 9 (het vuurwerk)

De rechtbank acht dit feit bewezen, gelet op het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft bekend en gelet op het politiedossier met nummer 08-002350 en de daarbij gevoegde bijlagen.

De rechtbank tekent daarbij aan dat zij niet bewezen acht dat verdachte 2 Chinese rollen aanwezig heeft gehad die niet voldeden aan de daaraan gestelde eisen nu uit het dossier niet is gebleken dat door de politie onderzoek is gedaan naar de samenstelling van deze twee rollen, maar slechts is geconstateerd dat de Chinese rollen naar uiterlijke waarneming niet voldoen aan de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 en vervolgens wordt verwezen naar de NFI-verklaring. Deze verklaring houdt in dat dit type Chinese rollen is onderzocht en dat daaruit is gebleken dat de in die verklaring genoemde typen niet voldoen aan de daaraan gestelde eisen.

De rechtbank heeft in het dossier geen stukken aangetroffen waaruit kan blijken dat de in beslag genomen Chinese rollen zijn onderzocht en dat die gelijk zijn aan in die verklaring genoemde typen.

Voor het overige vuurwerk (vlinderbommen, signaalraketten en nitraatbommen) geldt eveneens dat niet blijkt van onderzoek naar de samenstelling van dit in beslag genomen vuurwerk. De rechtbank zal daarom slechts bewezen verklaren dat het vuurwerk niet is voorzien van een gebruiksaanwijzing als bedoeld in artikel 2.1.3 eerste lid onder e van het Vuurwerkbesluit 2004. Dit laatste is door de relaterende opsporingsambtenaar zelf waargenomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 18/630420-07 onder 1, 6 en 9 en onder parketnummer 18/670366-08 onder 1 tot en met 9 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Parketnummer 18/630420-07:

1.

hij op 18 december 2007 te Zeerijp, in de gemeente Loppersum, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een schuur, behorende bij perceel Kinkhornsterweg 3, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, met dat opzet op de zolder in die schuur een kaars heeft aangestoken en om die kaars papier met een brandversnellend middel heeft aangebracht en in de nabijheid van die brandende kaars brandversnellende middelen heeft aangebracht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij op 23 oktober 2007 te 't Zandt, in de gemeente Loppersum, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in een clubgebouw/kantine, behorende bij perceel Hoofdstraat 85b (clubgebouw/kantine tennisvereniging), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, met dat opzet in dat/die clubgebouw/kantine tussen de metalen frames van stoelen en het kunststof van rugleuningen van stoelen een kaars heeft geplaatst en om die kaars papier heeft aangebracht en vervolgens die kaars heeft aangestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

9.

hij op 27 november 2007 te 't Zandt, in de gemeente Loppersum, opzettelijk brand heeft gesticht in een schuur welke zich bevond achter de woning gelegen aan de Oostersingel 31, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk motorbenzine in die schuur gegooid en vervolgens opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een partytent en/of motorbenzine, ten gevolge waarvan die schuur gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

Parketnummer 18/670366-08:

1.

hij omstreeks 25 maart 2008, te Ter Apel en in de gemeente Groningen,

medewerkers van [bedreigde 1] schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen ontstaat, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend toen en aldaar een poederbrief verstuurd of doen versturen aan die medewerkers van [bedreigde 1], met de tekst: "Laat johny b. vrij. Laatste keer. Maak nu bekend binnen 24 uur";

2.

hij omstreeks 16 mei 2008, te Ter Apel en te 't Zandt,

[bedreigde 2] schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen ontstaat, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend toen en aldaar een poederbrief verstuurd of doen versturen aan die [bedreigde 2] met de tekst: "Alles gaat in brand in t Zandt laat hem vrij Boem Tiktaktiktak Brandweerkazerne";

3.

hij omstreeks 16 mei 2008, te Ter Apel en te 't Zandt,

[bedreigde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend toen en aldaar een poederbrief verstuurd of doen versturen aan die [bedreigde 3] met de tekst: "Je club VV gaat branden Zandster ramp";

4.

hij omstreeks 18 mei 2008, te Ter Apel en in de gemeente Groningen,

medewerkers van [bedreigde 1] schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend toen en aldaar een brief verstuurd of doen versturen aan [bedreigde 1] en [bedreigde 4] met de tekst: "Laat Johny vrij Johny niks gedaan" en "Als Johny niet vrij komt er een brand die stad en ommeland niet vergeten Hoeft niet in 't Zandt te zijn maak bekent" en "brand in formalig cafe 't Zandt 6 juni 300 dagen branden 'tZandt";

5.

hij omstreeks 19 mei 2008, te Ter Apel en in de gemeente Groningen,

medewerkers van de [bedreigde 5] schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft bedreigd met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen ontstaat immers heeft verdachte opzettelijk dreigend toen en aldaar een poederbrief verstuurd of doen versturen aan de [bedreigde 5] met de tekst: "Snuif eens Boem Tiktaktiktak Laat Johny vrij De tijd gaat komen";

6.

hij omstreeks 19 mei 2008, te Ter Apel en in de gemeente Loppersum,

medewerkers van de [bedreigde 6] schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend toen en aldaar een brief verstuurd of doen versturen aan de [bedreigde 6] met de tekst: "Laat Johny vrij of groote brand in t Zandt kies maar gewonden niet uitgesloten meerdere mensen heben brieven geen aktie dan komt reactie";

7.

hij omstreeks 20 mei 2008, te Ter Apel en te 't Zandt,

[bedreigde 7] en [bedreigde 8], schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde, heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend toen en aldaar een brief verstuurd of doen versturen aan die [bedreigde 7] en/of [bedreigde 8] met (onder meer) de tekst: "Ook jullie schuur gaat branden hou je mond he" en "Binnenkort brand in formalig cafe tZandt gaat in brand de tijd tikt door Laat Johny vrij Tiktaktiktak 6 juni 300 dagen brandend tZandt", en daarbij een plattegrond gevoegd met daarop aangekruist locaties;

8.

hij omstreeks 24 mei 2008, te Ter Apel en te 't Zandt,

[bedreigde 9] heeft bedreigd met brandstichting, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend toen en aldaar een brief verstuurd of doen versturen aan die [bedreigde 9] met onder meer een plattegrond met daarop aangekruist locaties waar branden zijn gesticht en waarop ook de paardenschuur van die [bedreigde 9] was getekend, welke niet in brand was gestoken;

9.

(parketnummer 670208-08)

hij

in de gemeente Loppersum, op 18 december 2007,

opzettelijk

18 kilogram, consumentenvuurwerk, in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid en/of artikel 1.1.2, eerste lid van het Vuurwerkbesluit, namelijk

- bestemd voor particulier gebruik en

- aangetroffen bij een particulier,

bestaande uit:

vlinderbommen en signaalraketten en nitraatbommen,

ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels,

buiten een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1.4, 2.2.1, 2.2.2 of 3.2.1 van het Vuurwerkbesluit, namelijk in de woning Molenweg 41 te 't Zandt, voorhanden heeft gehad, namelijk:

58 vlinderbommen

- welke niet waren voorzien van een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kon ontstaan, gesteld in de Nederlandse taal, begrijpelijk en duidelijk leesbaar

en

10 signaalraketten (lawinepijlen),

- welke niet waren voorzien van een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kon ontstaan, gesteld in de Nederlandse taal, begrijpelijk en duidelijk leesbaar

en

178 nitraatbommen,

- welke niet waren voorzien van een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kon ontstaan, gesteld in de Nederlandse taal, begrijpelijk en duidelijk leesbaar;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder parketnummer 18/630420-07 onder 1, 6 en 9 en onder parketnummer 18/670366-08 onder 1 tot en met 9 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

Parketnummer 18/630420-07:

1. Poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

6. Poging tot opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

9. Opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Parketnummer 18/670366-08:

1, 2, 3 en 5 telkens: Bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen ontstaat, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt.

4, 6, 7 en 8 telkens: Bedreiging met brandstichting, terwijl deze bedreiging schriftelijk en onder een bepaalde voorwaarde geschiedt.

9: Opzettelijk handelen in strijd met een krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportages d.d. 24 december 2007, opgemaakt door T.W.D.P. van Os, psychiater, d.d. 14 februari 2008, 1 september 2008 en 1 oktober 2008, opgemaakt door B.T. Takkenkamp, psychiater en de psychologische onderzoeksrapportages d.d. 29 februari 2008 en 11 oktober 2008, opgemaakt door J. Buschman, gz-psycholoog.

In de rapportage van psychiater Takkenkamp d.d. 14 februari 2008 is, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, met betrekking tot het onderzoek van verdachte en de daarop gebaseerde conclusies het volgende vermeld.

Bij verdachte zijn geen psychiatrische stoornissen te zien, behalve symptomen van PDD-NOS, een aan autisme verwante stoornis. Vroeger lijkt verdachte dat sterker te hebben gehad dan nu, maar er zijn nog wel wat verschijnselen van waarneembaar.

Er zijn geen aanwijzingen voor wanen of andere psychotische fenomenen.

Op dit moment zijn er bij verdachte onvoldoende aanwijzingen om te spreken van een ziekelijke stoornis der geestvermogens bijvoorbeeld in de vorm van pyromanie.

Er zijn nu en ten tijde van de aan verdachte ten laste gelegde delicten - indien bewezen - elementen van een gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens in de vorm van PDD-NOS. Op grond van de ter beschikking staande gegevens (van dit moment) zijn er geen harde argumenten op grond waarvan verdachte verminderd toerekeningsvatbaar zou zijn. Verdachte moet derhalve op dit moment volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

In zijn aanvullende rapportage d.d. 1 september 2008 merkt Takkenkamp op, voor zover hier van belang, dat verdachte sinds het vorige onderzoek achterdochtiger en paranoïder lijkt, doch dat dit niet zodanig is dat er gesproken kan worden van waanachtige ideeën of een randpsychotisch toestandsbeeld. PDD-NOS trekken zijn nog steeds waarneembaar. Voor het overige handhaaft Takkenkamp het gestelde in zijn rapport van 14 februari 2008, onder toevoeging dat de geconstateerde toegenomen achterdocht vooral na het plegen van de delicten ( lees - kort gezegd: de (pogingen tot) brandstichtingen; opmerking van de rechtbank) is ontstaan.

In de rapportage van psycholoog Buschman d.d. 29 februari 2008 is, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, met betrekking tot het onderzoek van verdachte en de daarop gebaseerde conclusies het volgende vermeld.

Uit het gedane onderzoek komt naar voren dat er redenen zijn om aan te nemen dat er sprake is van een pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD-NOS) die zich op een aantal gebieden manifesteert. Deze stoornis kan worden beschouwd als een gebrekkige ontwikkeling maar van een persoonlijkheidsstoornis kan niet worden gesproken. Van deze problematiek was ook sprake ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde (opmerking rechtbank: lees telkens - kort gezegd -: de (pogingen tot) brandstichtingen). Er is geen aanleiding om anders te denken dan dat het ten laste gelegde (indien bewezen) verdachte volledig moet worden toegerekend.

In zijn aanvullende rapportage van 11 oktober 2008 vermeldt de psycholoog (voor zover hier van belang) dat er - zoals eerder was geconstateerd - sprake is van PDD-NOS en dat op grond van nader onderzoek thans moet worden geconcludeerd dat deze stoornis gepaard gaat met forse dyssociale, narcistische en paranoïde trekken in de persoonlijkheid. Inmiddels is veel duidelijker geworden dat een narcistisch motief een emotionele reden vormt voor verdachte om de feiten te plegen. Van een expliciet waanachtige problematiek is, gelijk de psychiater meent, geen sprake is. Wel dient momenteel (ten tijde van het aanvullend onderzoek: toevoeging van de rechtbank) te worden uitgegaan van een toestand van magisch-denken in de vorm van paranoïde betrekkingsideeën. Een dergelijke toestand van magisch denken ontstaat wanneer de realiteit zo bedreigend is geworden dat hij op geen andere manier met de psyche geïntegreerd kan worden gehouden, dan door de realiteit wat los te laten. Een dergelijk situatie vergroot de kans op de ontwikkeling van betrekkingswanen.

Onduidelijk is of ook al ten tijde van het plegen van de delicten sprake was van paranoïde betrekkingideeën.

Geconcludeerd moet worden dat verdachte het plegen van de feiten ((pogingen tot) brandstichting) verminderd toegerekend kan worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op de inhoud van vermelde rapportages gaat de rechtbank ervan uit, dat ten aanzien van verdachte op het moment van het plegen van de bewezen verklaarde brandstichting en de twee pogingen daartoe sprake was van - samengevat - een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een pervasieve ontwikkelingsstoornis met dyssociale en paranoïde trekken. Nu de psycholoog niet ondubbelzinnig kan aangeven of het door hem (in het aanvullende onderzoek) genoemde narcistische motief van verdachte en diens toestand van magisch-denken in de vorm van paranoïde betrekkingsideeën, ook reeds bestonden ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde brandstichting en de twee pogingen daartoe, acht de rechtbank overeenkomstig de conclusie van de psychiater verdachte ten aanzien van deze feiten volledig toerekeningsvatbaar. Dit laatste geldt eveneens voor het bewezen verklaarde aangaande het voorhanden hebben van vuurwerk.

Ten aanzien van de bewezen verklaarde bedreigingen merkt de rechtbank op dat deze feiten weliswaar zijn gepleegd in de periode waarop het nadere onderzoek van de psycholoog en de psychiater naar de geestesgesteldheid van verdachte (mede) betrekking hadden, maar deze feiten vormden op zichzelf geen voorwerp van hun onderzoek. Een en ander staat er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg, gelet op de aard en inhoud van die rapportages en de periode waarop deze betrekking hebben, dat op de materiële inhoud ervan acht kan worden geslagen bij de beoordeling van de vraag in hoeverre het plegen van de bedreigingen de verdachte kan worden toegerekend. Aldus redenerend komt de rechtbank tot de conclusie dat voor de bewezen verklaarde bedreigingen moet worden aangenomen dat bij verdachte ten tijde van het plegen van die feiten (ook) bovengenoemde pervasieve ontwikkelingsstoornis bestond, en dat daarnaast sprake was van een magisch-denken in de vorm van paranoïde betrekkingsideeën als door de psycholoog omschreven en in zijn rapportage uitvoerig onderbouwd. Ten aanzien van de bedreigingen is de rechtbank van oordeel dat deze de verdachte in verminderde mate toegerekend kunnen worden.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzittingen en aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, waaronder ook het rapport van Reclassering Nederland, op 27 maart 2008 opgemaakt door M.A. Hekkens, forensisch milieurapporteur i.o., alsmede de vordering van de officier van justitie.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten (630420-07: feiten 1 t/m 6, 8 en 9 en 670366-08: feiten 1 t/m 9) wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar.

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte heeft de verdediging betoogd dat vrijspraak moet volgen voor alle feiten onder parketnummer 630420-07 en voor de feiten 1 tot en met 8 onder parketnummer 670366-08.

Ten aanzien van het bezit van vuurwerk heeft de verdediging aangegeven dat verdachte hiervoor zijn straf - vrijheidsbeneming in de vorm van voorarrest - reeds ruimschoots heeft gehad.

Oordeel van de rechtbank

In een periode van ongeveer drie maanden heeft verdachte eenmaal een brand gesticht (feit 9) en twee pogingen tot brandstichting gepleegd (feiten 1 en 6). Brandstichting is bij uitstek een zeer gevaarzettend en voor de omgeving bedreigend delict, waarvoor in beginsel een vrijheidsstraf van lange duur op zijn plaats is. In het bijzonder ten aanzien van de onder 1 bewezen verklaarde poging tot brandstichting (Kinkhornsterweg 3 te Zeerijp) bestond dreigend gevaar voor personen nu de schuur waarin de poging tot brandstichting plaatsvond omringd was door bomen en zich op slechts 7.50 meter afstand bevond van een woning waarin zich op het moment van ontdekking personen bevonden.

In het dorp `t Zandt, maar ook in dorpen in de omgeving daarvan, is onder de aldaar levende gemeenschappen enorme onrust en een groot gevoel van onveiligheid ontstaan door de talloze (pogingen tot) brandstichtingen die daar in de maanden augustus tot en met december 2007 hebben plaatsgevonden. Een en ander werd nog versterkt doordat bij veel mensen in de loop der tijd het - op zichzelf begrijpelijke - vermoeden postvatte dat "de dader" iemand uit de eigen gemeenschap zou moeten zijn met alle gevolgen voor de onderlinge contacten van dien (mensen vertrouwden elkaar niet meer en er werden buurtwachten gevormd).

Omdat ten aanzien van de verdachte als gezegd drie feiten bewezen zijn verklaard kan verdachte niet volledig verantwoordelijk worden gehouden voor de hiervoor geschetste situatie in `t Zandt en omgeving. Maar wel kan worden gesteld dat hij daaraan ten minste heeft bijgedragen door het plegen van die drie feiten, terwijl hij blijkens de door hem afgelegde verklaringen, als lid van de kleine gemeenschap van `t Zandt als geen ander wist hoezeer de brandstichtingen en pogingen daartoe het dagelijks leven van de mensen in dat dorp en daarbuiten ontwrichtte.

Dit laatste klemt temeer, en de rechtbank rekent hem dit zwaar aan, nu verdachte de gevoelens van angst en onveiligheid bij deze mensen nog verder heeft aangewakkerd en in stand heeft gehouden door in de periode van maart 2008 tot en met mei 2008 een negental dreig-/poederbrieven te versturen waarin direct of indirect telkens aan de (pogingen tot) brandstichtingen werd gerefereerd. Daarbij moet worden bedacht dat deze brieven niet slechts waren gericht aan de Mediacentrale of het Dagblad van het Noorden, maar ook aan inwoners van 't Zandt die zelf direct of indirect waren getroffen door (pogingen tot) brandstichtingen dan wel op enigerlei wijze bij het onderzoek naar de (pogingen) tot brandstichting betrokken waren geweest.

Op grond van de persoon van verdachte zoals daarvan blijkt uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting, zijn pertinent ontkennende stellingname ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten, zijn weigering ook maar enige verantwoordelijkheid voor zijn daden te nemen en daarvoor enigerlei verontschuldiging aan te bieden, en gezien het feit dat verdachte nadat hij op verdenking van de (pogingen tot) brandstichtingen was aangehouden niet heeft geschroomd de genoemde dreig-/poederbrieven te versturen, is de rechtbank er bepaald niet gerust op dat verdachte zonder meer bereid is in de toekomst af te zien van het wederom plegen van feiten als waarvoor hij thans wordt veroordeeld. Dit klemt temeer nu uit het Uittreksel Justitiële Documentatie met betrekking tot verdachte d.d. 15 september 2008 blijkt, dat verdachte eerder, in 2004, is veroordeeld voor opzettelijke brandstichting. Om die reden zal de rechtbank naast een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf een aanzienlijke voorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank verder rekening gehouden met hetgeen hiervoor omtrent de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte is overwogen, de relatief jeugdige leeftijd van verdachte en het gegeven dat verdachte welhaast zeker geïsoleerd zal komen te staan in zijn oorspronkelijk woon- en werkomgeving als gevolg van het leed dat hij daarbinnen heeft veroorzaakt.

Verdachte heeft nog aangevoerd dat hij nadeel heeft ondervonden van de negatieve en stigmatiserende berichtgeving in de media ten aanzien van zijn persoon. De rechtbank constateert met de verdediging dat er veel over de betreffende zaak in de media is bericht. Gelet op de impact van de situatie van dat moment acht de rechtbank dit niet verwonderlijk. Dat verdachte daarbij reeds is bestempeld als "de Pyromaan van 't Zandt" zonder dat hij dienovereenkomstig was veroordeeld, kan -wat daar verder ook van zij- niet in het voordeel van verdachte werken nu hij zelf ook welbewust de publiciteit heeft gezocht, blijkens de onder 1 en 4 (670366-08) bewezen verklaarde feiten.

Vordering tot gevangenneming

De rechtbank acht geen termen aanwezig op dit moment de gevangenneming van verdachte te bevelen en zal de daartoe strekkende vordering van de officier van justitie dan ook afwijzen.

Beslag

De officier van justitie heeft gevorderd de verbeurdverklaring van de enveloppen (met inhoud) betreffende de dreigbrieven en onttrekking aan het verkeer van de onder verdachte in beslag genomen computer waarop (kinder)porno is aangetroffen.

Tenslotte heeft de officier van justitie geconcludeerd tot teruggave aan verdachte van de onder hem in beslag genomen, telefoon, schoenen, kaarsen, flessen, handschoenen, monsters en papier.

De officier van justitie heeft deze vorderingen niet nader toegelicht. De rechtbank constateert dat een aanzienlijk deel van de voorwerpen waarop deze vorderingen betrekking hebben, hetzij als processtuk aan het dossier zijn toegevoegd, dan wel als stuk van overtuiging voor het strafrechtelijk onderzoek anderszins van belang zijn (geweest).

Onder die omstandigheden moeten de vorderingen van de officier van justitie met betrekking tot de in beslag genomen en niet teruggeven voorwerpen op dit moment worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 1.2.2, 1.2.4 en 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit, artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder parketnummer 18/630420-07 onder 2, 3, 4, 5, 7 en 8 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het onder parketnummer 18/630420-07 onder 1, 6 en 9 en het onder parketnummer 18/670366-08 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het onder parketnummer 18/630420-07 onder 1, 6 en 9 en het onder parketnummer 18/670366-08 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van VIERENTWINTIG MAANDEN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot negen maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst de vordering van de officier van justitie tot gevangenneming van de veroordeelde af.

Wijst de vorderingen van de officier van justitie met betrekking tot de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen af.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, L.H.A.M. Voncken en P.H.M. Tapper-Wessels, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 december 2008.