Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BG5579

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-11-2008
Datum publicatie
28-11-2008
Zaaknummer
104908 / JE RK 08-875
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2009:BK1589, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vader doet verzoek om ondertoezichtstelling vanwege niet nakomen omgangsregeling door moeder.

Hoewel in het algemeen een ondertoezichtstelling niet is bedoeld om de totstandbrenging van een omgangsregeling af te dwingen, is niet uitgesloten dat het opleggen ervan gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of de problemen bij de totstandkoming daarvan zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 104908 / JE RK 08-875

beschikking kinderrechter d.d. 4 november 2008

inzake

* [minderjarige 1], geboren in de gemeente [***]

[in 1996],

* [minderjarige 2], geboren in de gemeente [***] op [in 1998],

* [minderjarige 3], geboren in de gemeente [***] op [in 1998],

kinderen van:

[de vader],

wonende te [adres],

en

[de moeder],

wonende te [adres].

De ouders zijn belast met het gezag over voornoemde minderjarigen.

PROCESGANG

Op 30 september 2008 heeft mr. C. Heijs namens vader een verzoekschrift met bijlagen ingediend, gedateerd 29 september 2008, daartoe strekkende dat de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen wordt uitgesproken, voor de duur van 1 jaar.

Op 21 oktober 2008 is ter griffie een faxbericht met bijlage van mr. J.M. van Duursen, namens moeder, ontvangen.

Op 22 oktober 2008 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn daarbij: vader, bijgestaan door mr. C. Heijs, moeder, bijgestaan door

mr. J.M. van Duursen, de heer R.C.M. Wouters namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) en mevrouw B.S. Mulder, namens het bureau jeugdzorg (bjz).

[minderjarige 1] is apart door de kinderrechter gehoord.

STANDPUNT PARTIJEN

Vader

Vader stelt dat, nu moeder in weerwil van verschillende rechterlijke uitspraken niet bereid is mee te werken aan een omgangsregeling, de kinderen zodanig in hun ontwikkeling worden bedreigd dat aan de gronden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Ter toelichting heeft vader in zijn verzoekschrift een beeld geschetst van de achtergrond en de problemen van de kinderen, die samengevat en in samenhang met de overgelegde producties op het volgende neerkomen:

"De kinderen wordt stelselmatig en inmiddels langdurig het contact met vader onthouden. Als er omgang was dan vond deze plaats in aanwezigheid van moeder. Dit brengt met zich mee dat de kinderen niet zelfstandig een beeld van vader kunnen vormen en een band met hem kunnen opbouwen. Dit klemt te meer nu de informatievoorziening van moeder over vader naar de kinderen toe negatief is en niet op waarheid berust. Hierdoor ontwikkelen de kinderen een verkeerd beeld van vader. Het wantrouwen van moeder ten opzichte van vader en haar afkeer jegens hem, ontneemt de kinderen de ruimte en de vrijheid om positief over vader te kunnen denken. Tevens worden zij met niet leeftijdsgerelateerde informatie belast en wordt de keuze om wel of geen omgang met vader te hebben bij hen gelegd.

Door de omgangsperikelen worden de kinderen psychisch ernstig beschadigd en bestaat er het reële risico op scheefgroei in hun identiteitsontwikkeling. Zo vertonen zij onder meer concentratieproblemen op school, zijn zij angstig en hebben zij problemen met slapen.

Daarnaast heeft vader aangegeven, dat er geen contra-indicaties voor omgang zijn. Vader beroept zich hierbij op het rapport van de Raad d.d. 2 november 2007 waarin dit is geconstateerd en is aangegeven, dat de kinderen recht hebben op omgang met vader, zonder dat moeder hierbij aanwezig is. De door moeder aangegeven redenen om enkel in haar huis en in haar aanwezigheid omgang plaats te laten vinden worden door de Raad en ook nadien in de beschikking van de rechtbank niet gegrond bevonden.

Er is reeds geprobeerd het een en ander in het vrijwillige kader te organiseren; zo zijn er voorstellen gedaan om door middel van mediation aan de problemen te werken en om een begeleide omgangsregeling te starten in een omgangshuis van Humanitas. Echter, hulpverlening binnen het vrijwillig kader komt niet van de grond, omdat moeder alle medewerking weigert."

Moeder

Moeder betwist de stellingen van vader en is van mening dat er niet wordt voldaan aan de gronden voor een ondertoezichtstelling, zodat het verzoek van vader dient te worden afgewezen. Ter toelichting zijn pleitnotities overgelegd die -kort en zakelijk weergegeven- op het volgende neerkomen:

"De kinderen worden niet bedreigd in hun ontwikkeling; het gaat juist goed met hen. Zij hebben geen spanningen meer, hun schoolprestaties zijn beter en zij plassen niet meer in bed. Ter onderbouwing hiervan heeft moeder een verklaring van het hoofd van de school overgelegd, waaruit blijkt dat er geen enkele zorg is ten aanzien van de ontwikkeling van de kinderen.

Moeder heeft voorts betwist, dat zij geen uitvoering geeft aan de bij rechterlijke uitspraak vastgestelde omgangsregeling. Haar is na verschillende pogingen gebleken dat de kinderen niet naar vader willen, waardoor er sprake is van onmacht bij, dan wel een onmogelijkheid voor moeder om uitvoering te geven aan de omgangsregeling. Moeder heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 19 februari 2008 waarin de omgangsregeling is vastgesteld. De mondelinge behandeling is bepaald op 4 december 2008.

Daarnaast heeft zij betwist, dat zij zich negatief uitlaat over vader. Het is juist vader die zich hier schuldig aan maakt.

Het door vader aangehaalde rapport van de Raad d.d. 2 november 2007 berust volgens moeder niet op gedegen onderzoek, omdat er slechts één gesprek met moeder, vader en de kinderen, afzonderlijk van elkaar, heeft plaatsgevonden.

De kinderen willen thans niet naar vader, vanwege gebeurtenissen, waaronder mishandeling van moeder door vader, in het verleden waarvan de kinderen gedeeltelijk op de hoogte en getuige zijn geweest. Hierdoor is het vertrouwen bij zowel moeder als de kinderen beschadigd. Vader dient het vertrouwen terug te winnen, maar moet zich realiseren dat dit tijd kost en dat het vertrouwen niet kan worden hersteld door het opleggen van dwangmiddelen.

Moeder is bereid aan een omgangsregeling mee te werken bij haar thuis, waarbij zij zich steeds meer terug zal trekken, zoals zij reeds deed toen vader de kinderen nog wel bij haar thuis bezocht."

[minderjarige 1]

[minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij wil dat haar vader bij haar moeder thuis komt om haar en haar zusjes te ontmoeten. Ze wil niet naar het huis van vader omdat daar iets is gebeurd wat niet leuk is, de scheiding van haar ouders. De scheiding van haar ouders was een verrassing voor haar. De scheiding vindt zij moeilijk; zij moet ergens anders wonen en ziet haar ouders niet meer samen. Thuis voelt het veiliger. Ze voelt zich eigenlijk niet veilig. Thuis is haar moeder erbij. Moeder wil wel dat zij zelf kiezen, maar ze wil haar en haar zusjes beschermen omdat ze niet wil dat hen iets overkomt. Vader heeft moeder geknepen.

[minderjarige 1] heeft voorts aangegeven, dat zij weer een fijn contact met vader zou willen hebben. Het was gezellig als hij er was.

Tenslotte geeft ze aan dat vader wel weet dat zij niet naar hem willen en hij nu moeder beschuldigt van dingen die zij niet heeft gedaan.

De Raad

De Raad heeft ter zitting aangegeven het verzoek van vader te steunen. Ter toelichting heeft de Raad -kort en zakelijk weergegeven- het volgende naar voren gebracht:

"In het algemeen kan gesteld worden, dat kinderen last ondervinden van een echtscheiding als ouders voortdurend met elkaar in conflict zijn. Uit onderzoek is gebleken, dat kinderen die geconfronteerd zijn met problematiek als de onderhavige hier op latere leeftijd nog onder kunnen lijden.

In casu zijn de kinderen zeer loyaal naar moeder toe. Zij zijn bang en overstuur op het moment dat zij naar vader moeten. Er bestaat een ongewone grote disloyaliteit naar vader toe. Gerechtelijke procedures hebben thans nog geen oplossing gebracht. Er is evenmin een beroep gedaan op de vrijwillige hulpverlening. De Raad acht het niet waarschijnlijk dat dit nog zal gebeuren, nu moeder zich afwijzend heeft opgesteld ten opzichte van mediation en een begeleide omgangsregeling in een omgangshuis van Humanitas. De Raad is van mening dat de kinderen in hun ontwikkeling worden bedreigd. De Raad ziet binnen het kader van een ondertoezichtstelling de volgende doelen waaraan gewerkt zou moeten worden:

- ouders helpen leren de echtscheiding te accepteren;

- ouders helpen leren elkaar als ouders aan te spreken en niet als ex-partners;

- gespecialiseerde hulpverlening organiseren, opdat de kinderen vader als vader leren accepteren;

- zorgen voor een onbelast contact tussen kinderen en vader door gefaseerd de contacten op te bouwen;

- zorgen dat de kinderen niet met de persoonlijke problematiek van ouders worden belast;

- zorgen dat de kinderen, emotioneel gezien, toestemming hebben om contact met vader te onderhouden.

Bureau jeugdzorg

Bjz sluit zich aan bij het standpunt en het advies van de Raad. De kinderen moeten vertrouwen hebben in beide ouders en moeten met een gevoel van veiligheid met beide ouders onbelast contact kunnen hebben. Bjz heeft de indruk dat de problemen met name veroorzaakt worden door bij moeder nog aanwezige onverwerkte echtscheidingsproblematiek.

BEOORDELING

Hoewel in het algemeen een ondertoezichtstelling niet is bedoeld om de totstandbrenging van een omgangsregeling af te dwingen, is niet uitgesloten dat het opleggen ervan gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of de problemen bij de totstandkoming daarvan zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen (zie ook de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 9 november 2004 en de uitspraak van de Hoge Raad van 13 april 2001, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder respectievelijk de nummers LJN: AR8756 en LJN: AB1009).

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is naar het oordeel van de kinderrechter gebleken, dat hiervan sprake is, zodat een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd wordt geacht.

De rechtbank heeft in zijn beschikking van 19 februari 2008, in lijn met het rapport van de Raad van 2 november 2007, vastgesteld dat er geen bezwaren bestaan tegen een omgangsregeling tussen vader en de kinderen. De door moeder aangegeven redenen om enkel in haar huis en in haar aanwezigheid omgang plaats te laten vinden worden door de rechtbank, eveneens in lijn met de Raad, niet gegrond bevonden. Ter zitting heeft de Raad herhaald dat er geen contra-indicaties bestaan voor omgang tussen vader en de kinderen.

Ondanks verschillende rechterlijke uitspraken waarin een omgangsregeling tussen vader en de kinderen is vastgesteld, weigert moeder bij herhaling mee te werken aan de totstandkoming daarvan. Zij heeft te kennen gegeven slechts onder haar condities, inhoudende dat vader de kinderen bij haar thuis en in haar bijzijn bezoekt, omgang tussen vader en de kinderen toe te staan.

De Raad en bjz hebben ter zitting aangegeven, dat niet te verwachten valt dat moeder, gelet op haar afwerende en afwijzende houding ten opzichte van hulpverlening in het verleden, in de toekomst bereid zal zijn om door middel van bijvoorbeeld mediation mee te werken aan het tot stand brengen van een omgangsregeling tussen vader en de kinderen.

De Raad en bjz vermoeden dat de omgangsproblematiek voornamelijk wordt veroorzaakt door onverwerkte echtscheidingsproblematiek bij moeder die zich thans, hetgeen tevens ter zitting is gebleken, nog zichtbaar uit in een diep gekwetst zijn. De gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan ten tijde van het uiteengaan van partijen, waaronder een door moeder gestelde, maar door vader betwiste mishandeling van haar door vader, lijken een diepe impact op moeder gehad te hebben en lijken thans nog van grote invloed te zijn op het onderlinge contact dat partijen, als ouders, ten aanzien van de kinderen moeten onderhouden.

Moeder lijkt de kinderen niet de ruimte te geven om hen onbezwaard en met haar volledige instemming naar vader te laten gaan. Het is gebleken, dat de kinderen inmiddels maandenlang niet bij vader zijn geweest. Voorts is gebleken, dat moeder ook de omgang onder begeleiding van Humanitas van de hand heeft gewezen. Dit is opmerkelijk, omdat het daarbij gaat om een 'veilige' omgang. Door deze houding van moeder wordt de kinderen vader onthouden en wordt vader door moeder als een bedreiging voor hen geschetst.

Los van de vraag of de beschuldiging van moeder en de informatie die zij de kinderen over vader verstrekt op waarheid berusten, kan vastgesteld worden dat door deze informatie met de kinderen te delen, de kinderen met zaken worden belast waarmee zij niet belast zouden moeten worden. Voor de kinderrechter was tijdens het verhoor van [minderjarige 1] pijnlijk voelbaar dat zij hierdoor in de machtstrijd van ouders worden getrokken met als gevolg dat zij knel (dreigen te) zitten en/of verloren raken tussen ouders. Het is evident dat zij onder deze omstandigheden niet stressvrij, onbelast en onbezorgd omgang met beide ouders kunnen hebben. Dit maakt dat de kinderen ernstig in hun sociaal-emotionele ontwikkeling worden bedreigd.

Indien de beschuldiging en de informatie die moeder de kinderen over vader verstrekt niet op waarheid berusten, heeft dat tot gevolg dat moeder de kinderen een onjuist beeld van vader schetst, hetgeen evenzeer een ernstige bedreiging oplevert voor de zedelijke of geestelijke belangen van de kinderen die ten koste gaat van de ontwikkeling van de kinderen.

De door moeder overgelegde verklaring van het hoofd van de school waarin staat dat er geen enkele zorg is ten aanzien van de ontwikkeling van de kinderen leidt niet tot een ander oordeel.

Het is de kinderrechter gebleken, dat maatregelen om een omgangsregeling tot stand te brengen vooralsnog hebben gefaald. Het is, gelet op hetgeen de Raad hierover naar voren heeft gebracht, niet realistisch te verwachten dat de vrijwillige hulpverlening erin slaagt om hierin verandering te brengen.

Het advies van de Raad, bjz maar met name ook het verhoor van [minderjarige 1] in aanmerking nemend, in samenhang met de overgelegde bescheiden en de verklaringen van de overig gehoorde personen ter zitting, is de kinderrechter van oordeel dat de voorwaarde,

in artikel 254, lid 1, Boek 1, Burgerlijk Wetboek, voor ondertoezichtstelling gesteld, is vervuld. Vast is komen te staan dat andere middelen in vrijwillig kader hebben gefaald om te voorkomen dat de minderjarigen ernstig in hun geestelijke belangen worden bedreigd.

De kinderrechter neemt het advies van de Raad over en acht het van belang, dat binnen het kader van de ondertoezichtstelling aandacht wordt besteed aan de hierboven door de Raad geformuleerde doelen, opdat tussen vader en de kinderen in de toekomst een vrij en onbelast contact kan ontstaan en de kinderen niet langer met de persoonlijke problematiek van de ouders worden belast.

BESLISSING

stelt de minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en

[minderjarige 3] met ingang van heden onder toezicht en draagt de ondertoezichtstelling op aan het bureau jeugdzorg Groningen (bjz) te Groningen,

p/a Postbus 1203 voor een termijn van 1 jaar;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. M.P. den Hollander, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van

4 november 2008.

WJD

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Leeuwarden.