Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD7025

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
08-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
83086/FA RK 05-2149
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het bij de man verblijvende kind alsmede verzoek tot bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Essentie hantering bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 83086/FA RK 05-2149

beschikking d.d. 8 juli 2008

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [adres],

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

procureur mr. J. Bolt,

en

[de man]

wonende te [adres],

verweerder,

hierna te noemen de man,

procureur mr. T.H.G. Schuringa.

PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 23 mei 2006, 31 oktober 2006, 8 mei 2007, 17 juli 2007 en 8 januari 2008 beschikkingen gegeven.

De vrouw heeft op 19 februari 2008 een akte genomen, onder bijvoeging van producties.

Op 26 februari 2008 is aan de zijde van de man één getuige gehoord, van welk verhoor een proces-verbaal is opgemaakt.

De man heeft op 4 maart 2008 een akte genomen, onder bijvoeging van producties.

De vrouw heeft op 4 maart 2008 een akte genomen, waarin zij te kennen heeft gegeven dat zij geen gebruik wenst te maken van haar recht op contra-enquête.

De vrouw heeft op 18 maart 2008 een akte genomen, onder bijvoeging van producties.

De man heeft op 15 april 2008 een akte genomen, onder bijvoeging van producties.

De vrouw heeft op 20 mei 2008 een akte genomen, onder bijvoeging van producties.

De man heeft op 4 juni 2008 een akte genomen, onder bijvoeging van een productie.

Op 12 juni 2008 is ter griffie een brief van de procureur van de vrouw ontvangen.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank neemt over hetgeen is overwogen en beslist in voornoemde beschikkingen.

In laatstgenoemde beschikking is bepaald, dat de man ter zake de verrekening en de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden aan de vrouw een bedrag dient te betalen van

€ 79.500,--. Voorts is de man toegelaten te bewijzen dat de vrouw is gaan samenwonen in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De beslissing met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen is aangehouden. Partijen dienden de meest recente financiële gegevens in het geding te brengen.

Bij faxbrief d.d. 12 juni 2008 heeft de vrouw uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen het feit dat de man op 4 juni jl. nog een akte heeft ingediend, terwijl de zaak al was verwezen naar de rol van 17 juni 2008 voor beschikking.

De rechtbank overweegt ter zake het volgende.

Bij beschikking van 8 januari 2008 zijn partijen in de gelegenheid gesteld de meest recente financiële stukken in het geding te brengen. Beide partijen hebben aan voornoemd verzoek voldaan; de vrouw bij akte van 19 februari 2008 en de man bij akte van 4 maart 2008. Partijen hebben vervolgens bij akten op elkaars akten c.q. stukken gereageerd; de vrouw bij akte van 18 maart 2008, de man bij akte van 15 april 2008, de vrouw bij akte van 20 mei 2008 en de man bij akte van 4 juni 2008.

Nu partijen over en weer ieder twee keer op elkaars akten c.q. stukken hebben gereageerd, is de rechtbank van oordeel, dat de man terecht voornoemde akte heeft genomen.

Vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

Partijen zijn gehuwd op [datum] in de gemeente [***] op huwelijkse voorwaarden, onder andere inhoudende een Amsterdams verrekenbeding.

Zij hebben het gezag over het minderjarige kind:

* [naam minderjarige], geboren [in 1992] in de gemeente [***], erkend door de man.

Het minderjarige kind verblijft bij de man.

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 mei 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 26 juni 2006 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij beschikking van deze rechtbank van 31 oktober 2006 is tussen de vrouw en het minderjarige kind een omgangsregeling vastgesteld, in die zin, dat de vrouw gerechtigd is het minderjarige kind één weekend per drie weken van vrijdagmiddag 18.00 uur tot zondagmiddag 18.00 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties, bij zich te ontvangen.

Ten aanzien van de man

Het inkomen van de man bedraagt € 60.292,-- bruto per jaar. De inkomensafhankelijke bijdrage ZVW bedraagt € 1.991,-- per jaar.

Het eigen woningforfait bedraagt € 1.463,--.

De lasten van de man bedragen:

- € 575,22 aan hypotheekrente;

- € 193,-- aan premie zorgverzekering;

- € 13,-- aan premie begrafenisverzekering;

Ten aanzien van de vrouw

Het bruto inkomen van de vrouw bedraagt gemiddeld € 3.469,-- per maand. De inkomensafhankelijk bijdrage ZVW bedraagt € 1992,-- per jaar.

De lasten van de vrouw bedragen:

- € 450,-- aan huurlasten;

- € 91,-- aan premie zorgverzekering.

- € 42,-- aan kosten omgangsregeling;

De geschilpunten

De resterende geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de vraag of de vrouw al dan niet samenwoont;

- de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw;

- de berekening van de draagkracht van de man voor wat betreft de onderdelen:

* het inkomen voor wat betreft de huuropbrengsten van het studentenhuis en de inkomsten uit publicaties;

* de aflossingen op de hypotheek;

* de extra ziektekosten;

* de verwervingskosten;

* de aflossing schulden;

- het naar rato bijdragen in de kosten van het kind.

De vraag of de vrouw al dan niet samenwoont

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw samenwoont met een ander als ware zij gehuwd.

De vrouw heeft de stelling van de man uitdrukkelijk en gemotiveerd bestreden.

Bij beschikking van 8 januari 2008 heeft de rechtbank de man tot bewijslevering toegelaten.

De man heeft één getuige laten horen en een viertal schriftelijke verklaringen overgelegd.

De vrouw heeft geen gebruik gemaakt van haar recht tegenbewijs te leveren.

De rechtbank overweegt het volgende.

Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad is slechts sprake van een samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW ingeval sprake is van een duurzame affectieve relatie waarbij de partners samenwonen, een gemeenschappelijke huishouding voeren en elkaar wederzijds verzorgen door hetzij in feite elk bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging te voorzien.

Gelet op de onder ede afgelegde verklaring en de schriftelijke verklaringen is de rechtbank van oordeel, dat niet is komen vast te staan dat sprake is (geweest) van daadwerkelijk samenwonen, dat evenmin is komen vast te staan dat sprake is (geweest) van een gemeenschappelijke huishouding en dat ook niet is gebleken van een wederzijdse verzorging, financieel of anderszins.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de man niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs.

De rechtbank zal derhalve aan de stelling van de man dat hij niet onderhoudsplichtig is, aangezien zijn ex-echtgenote in de zin van artikel 1:160 BW samenleeft met een ander als waren zij gehuwd, nu deze niet is komen vast te staan, voorbij gaan.

De behoefte en de behoeftigheid van de vrouw

Tussen partijen is in geschil of de vrouw behoeftig is en zo ja, op welk bedrag de behoefte van de vrouw dient te worden gesteld en in hoeverre de vrouw in staat is door middel van eigen inkomsten in deze behoefte te voorzien.

Als uitgangpunt geldt dat de behoefte van de gewezen echtgenoot dient te worden gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past. Voor deze behoeftevaststelling is mede bepalend de duur van het huwelijk en de welstand die partijen ten tijde van het huwelijk hebben gekend.

Maatgevend voor de beoordeling van de welstand van partijen tijdens het huwelijk is het gezinsinkomen dat partijen tijdens de laatste jaren van het huwelijk ter beschikking stond.

Tussen partijen is niet in geschil, dat het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk

€ 5.000,-- per maand bedroeg.

De behoefte van de vrouw wordt op basis daarvan vastgesteld op 60% van € 4.225,-- (namelijk het netto besteedbaar gezinsinkomen per maand van € 5.000,-- minus de kosten van het kind, te weten € 775,-- per maand), derhalve afgerond € 2.535,-- netto per maand,

Het netto maandinkomen van de vrouw bedraagt € 2.040,-- per maand, zodat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man van € 495,-- netto per maand (€ 845,-- bruto per maand).

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud, indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

De werkelijke of fictieve (in redelijkheid te verwerven) eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen zijn of haar behoefte aan een bijdrage van de onderhoudsplichtige. Dit zal leiden tot nihilstelling of vermindering van de alimentatie op grond van de omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud voorziet of kan voorzien.

De man is van mening, dat nu de vrouw niet de dagelijkse zorg voor een gezin met kinderen heeft, zij meer zou kunnen werken.

De vrouw stelt, dat zij altijd in deeltijd heeft gewerkt en dat zij bovendien geen mogelijk-heden heeft om haar functie uit te breiden.

De vrouw is thans 49 jaar oud en werkt op dit moment 0,8 van de normbetrekking als docente. Vast staat dat de vrouw tijdens het huwelijk heeft gewerkt en dat het uit het huwelijk van partijen geboren kind hoofdverblijf bij de man heeft.

Nu onweersproken vast staat, dat de vrouw ten tijde van het huwelijk in deeltijd heeft gewerkt en de vrouw daarnaast voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op dit moment geen mogelijkheid heeft om haar functie uit te breiden, is de rechtbank van oordeel, dat de vrouw gelet op de welstand ten tijde van het huwelijk behoefte heeft aan een bijdrage van de man. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen, dat het een feit van algemene bekendheid is dat het uitbreiden van werkzame uren binnen dezelfde school moeilijk is. Van de vrouw mag echter wel worden verwacht dat als zich de gelegenheid voordoet zij deze aangrijpt om haar uren uit te breiden en binnen afzienbare tijd zodanige inkomsten genereert dat zij daarmee in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

De berekening van de draagkracht van de man

1. het inkomen voor wat de huuropbrengsten van het studentenhuis en de inkomsten uit publicaties

Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2008 is bepaald, dat de man ter zake de verrekening en de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden aan de vrouw een bedrag van

€ 79.500,-- dient te betalen. Nu de man tegen voornoemde beslissing hoger beroep heeft ingesteld, is de rechtbank van oordeel, dat de huuropbrengsten van het studentenhuis in de uiteindelijke verrekening en afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden dienen te worden betrokken. De rechtbank heeft hierbij tevens in aanmerking genomen, dat de woning wordt verkocht. Ter zake zal derhalve geen bedrag bij de berekening van de draagkracht van de man in aanmerking worden genomen.

Nu de door de vrouw gestelde inkomsten van de man ter zake publicaties te onbepaald zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding ter zake een bedrag bij de berekening van de draagkracht van de man in aanmerking te nemen.

2. de aflossingen op de hypotheek

De stelling van de man, dat het een aflossingsverplichting betreft en dat er geen sprake is van extra aflossingen, zal de rechtbank passeren, nu deze betalingen als vermogensvorming dienen te worden aangemerkt. De aflossingen worden daarom bij de berekening van de draagkracht van de man buiten beschouwing gelaten.

3. de extra ziektekosten

De rechtbank ziet geen aanleiding met mogelijke toekomstige medische kosten met betrekking tot de paradontale klachten van de man rekening te houden. Ook worden de kosten van de mondhygiëniste en de kosten van het medicijn Levitra niet in aanmerking genomen, nu de overgelegde nota's allen dateren van 2007 en de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat voornoemde kosten reeds ten tijde van het huwelijk en thans nog worden gemaakt. De overgelegde verklaring van de arts d.d. 27 mei 2008, waarin zij verklaart dat de man zich op 21 februari 2003 tot haar heeft gewend en hem een medicijn is voorgeschreven, acht de rechtbank onvoldoende.

De rechtbank ziet wel aanleiding de door de man betaalde premie zorgverzekering ten aanzien van de zoon van partijen in aanmerking te nemen, nu de man voldoende heeft aangetoond, dat hij de betreffende premie daadwerkelijk betaalt.

4. de verwervingskosten

Als uitgangspunt geldt dat reële, noodzakelijke kosten, gemaakt om het inkomen te verwerven bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen worden betrokken.

Nu bij de berekening van de draagkracht van de man geen inkomsten uit publicaties in aanmerking worden genomen, ziet de rechtbank ook geen aanleiding verwervingskosten in aanmerking te nemen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen, dat de man niet heeft aangetoond dat de wervingskosten daadwerkelijk worden gemaakt.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel, dat de contributie van de Koninklijke vereniging voor de Staathuishoudkunde dient te worden bestreden uit de alimentatievrije voet en het aan de man vrij ter beschikking staande deel van de draagkrachtruimte.

5. de aflossing schulden

Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de draagkracht van de man rekening dient te worden gehouden met de schuld van de man.

In beginsel zijn op de draagkracht van de onderhoudsplichtige al diens schulden van invloed. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden voor die draagkracht geen of minder gewicht toe te kennen, zoals wanneer deze onnodig zijn aangegaan of wanneer op deze schulden niet daadwerkelijk wordt afgelost.

Met de door de man opgevoerde schuld zal geen rekening worden gehouden nu dit geen huwelijkse schuld is, de noodzaak tot het aangaan van voormelde schuld niet is komen vast te staan en evenmin is aangetoond dat daadwerkelijk op deze schuld wordt afgelost.

Uitgaande van het bovenstaande komt de rechtbank tot de aan deze beschikking gehechte draagkrachtberekening, welke als hier ingelast moet worden beschouwd.

De rechtbank heeft het in dit geval redelijk geacht voor de berekening van zijn draagkracht de man als alleenstaande te beschouwen en niet als een alleenstaande ouder, nu, zoals hierna zal blijken, de vrouw meer dan de helft van de kosten van het bij de man verblijvende kind voor haar rekening dient te nemen.

Rekening houdend met hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel, dat de man in staat is een bijdrage van € 2.249,-- bruto per maand in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw te betalen.

Nu de door de vrouw bij akte d.d. 19 februari 2008 overgelegde berekening van haar draagkracht niet inhoudelijk door de man is betwist, zal ter zake de draagkracht van de vrouw van vorenbedoelde draagkrachtberekening worden uitgegaan.

Nu uit de jusvergelijking is af te leiden dat bij het toekennen van een door de man te betalen bijdrage van € 800,-- bruto per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, de vrouw financieel niet in een betere positie komt te verkeren dan de man, zal worden bepaald, dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw een bedrag van

€ 800,-- bruto per maand dient te betalen.

Het naar rato bijdragen in de kosten van het kind

Bij beschikking van deze rechtbank van 8 januari 2008 is de behoefte van het kind bepaald op € 775,-- per maand.

Thans zal worden beoordeeld met welk deel partijen, gelet op hun respectieve inkomsten en uitgaven in voormelde kosten kunnen bijdragen. Daartoe dient een draagkrachtberekening zowel aan de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw te worden gemaakt.

Hierbij zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening worden gehouden met de door hem te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 800,-- bruto per maand en bij de berekening van de draagkracht van de vrouw met de door haar te ontvangen bijdrage van € 800,-- bruto per maand.

De rechtbank zal de hoogte van de bijdrage vaststellen op grond van een draagkracht-vergelijking tussen partijen, opdat partijen naar rato van hun draagkracht bijdragen in de kosten van het kind.

De draagkrachtvergelijking

De behoefte van het kind bedraagt € 775,--.

De draagkracht van de verzorgende ouder/man bedraagt € 948-- en de draagkracht van de niet-verzorgende ouder/vrouw bedraagt € 1.044,--

De formule voor de berekening van ieders bijdrage luidt: totale behoefte : gehele draagkracht x ieders draagkracht. Toegepast in de onderhavige zaak betekent dit:

verzorgende ouder/man € 775,-- : € 1.992,-- x € 948,-- = € 369,--

niet-verzorgende ouder/vrouw € 775,-- : € 1.992,-- x € 1.044,-- = € 406,--

totaal € 775,--.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank beslissen, dat de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage van € 406,-- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen aan de man dient te betalen.

BESLISSING

bepaalt dat de man vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van € 800,-- bruto per maand dient te betalen;

bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige aan de man telkens bij vooruitbetaling, een bedrag van € 406,-- per maand dient te betalen, vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering, die de vrouw op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van deze minderjarige kan of zal worden verleend;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.A. Flinterman en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 8 juli 2008 in tegenwoordigheid van de griffier, E. Koops.

Coll.:

De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Dit beroep dient door partijen te worden ingesteld binnen drie maanden na de datum van de uitspraak. Deze datum staat in de beschikking vermeld.

Het beroep moet namens een partij worden ingesteld door een advocaat. Als u in aanmerking wilt komen voor door de overheid (gedeeltelijk) gefinancierde rechtsbijstand, dan kan uw advocaat daartoe namens u een verzoek indienen bij de Raad voor Rechtsbijstand. Uw advocaat kan u daaromtrent nader informeren.