Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD6819

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/904
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking gedoogbesluit, waarbij het bedrijfsmatig verschaffen van nachtverblijf in caravans achter het bedrijfsgebouw van eiser werd toegestaan. Nu door verweerder niet is getoetst of er in het geval van eiser sprake is van een toelaatbare situatie overeenkomstig het vorige bestemmingsplan en eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voor de inwerkingtreding van het thans geldende bestemmingsplan sprake was van stalling van de caravans en het verschaffen van nachtverblijf aan personen, is de rechtbank van oordeel dat het thans bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet op zorgvuldige wijze is voorbereid en berust het in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 Awb niet op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, meervoudige kamer

Zaaknummer: AWB 07/904 BESLU

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidhorn, verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 juli 2007. In dit besluit is het (gedoog)besluit van 15 november 2006, waarbij het bedrijfsmatig verschaffen van nachtverblijf in caravans achter het bedrijfsgebouw van eiser aan de [naam straat] te [woonplaats] tot 1 augustus 2007 wordt toegestaan, ingetrokken en het bezwaar van eiser conform het advies van de commissie behandeling bezwaarschriften gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 2 juni 2008. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. D. Pool. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, P.W. de Boer en L.C. Dijkstra.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Procesverloop en feiten

Verweerder heeft op 4 augustus 2006 geconstateerd dat er op het bedrijventerrein van eiser aan de [naam straat] [nummer] te [woonplaats] caravans staan gestald. Vanwege deze door verweerder met het bestemmingsplan geconstateerde strijdige activiteit is eiser op 4 september 2006 uitgenodigd op het gemeentehuis te Zuidhorn voor een gesprek.

Bij (gedoog)besluit van 15 november 2006 heeft verweerder besloten om - zonder vrijstelling van het bestemmingsplan - de stalling en bewoning van caravans op eisers bedrijventerrein tijdelijk toe te staan. Daarbij heeft verweerder overwogen dat het bestemmingsplan geen mogelijkheid biedt om van dit gebruik vrijstelling te verlenen, het vrijstellingenbeleid evenmin mogelijkheid biedt om dit gebruik toe te staan en voor het overige dit gebruik onwenselijk wordt geacht op het bedrijventerrein. Indien eiser het strijdige gebruik met het bestemmingsplan niet heeft opgeheven voor 1 augustus 2007 zal handhavend worden opgetreden.

Eiser heeft bij brief van 20 december 2007 bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit.

Eiser is op 17 april 2007 in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren toe te lichten op een hoorzitting van de commissie behandeling bezwaarschriften (hierna: de commissie).

Naar aanleiding van deze hoorzitting is eiser in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren voor zijn stelling dat het gebruik van het perceel aan de [naam straat] te [woonplaats] onder het overgangsrecht valt. Op 25 april 2007 en 14 mei 2007 heeft eiser daartoe diverse stukken overgelegd.

De commissie heeft op 29 juni 2007 advies uitgebracht. De commissie is van mening dat in het bestreden besluit het volgende onderscheid moet worden gemaakt: de weigering om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, het toestaan van bewoning van caravans achter het bedrijfsgebouw (gedoogbesluit) en het toestaan van bewoning van caravans achter het bedrijfsgebouw tot 1 augustus 2007. Het toestaan van bewoning van caravans tot 1 augustus 2007 kan volgens de commissie niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, waardoor het bezwaar gericht tegen de reikwijdte van het gedoogbesluit niet-ontvankelijk moet worden geacht. De commissie kan verweerder volgen in het besluit geen vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan en heeft geadviseerd het bezwaar voor zover gericht tegen de weigering om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen ongegrond te verklaren. Het is de commissie daarbij niet gebleken dat het gebruik onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan kan worden gebracht. De commissie heeft geadviseerd het bezwaar, voor zover het bezwaar is gericht tegen het gedoogbesluit, gegrond te verklaren. Het is de commissie gebleken dat verweerder tot het gedoogbesluit is gekomen op basis van instemming van bezwaarde met een gedoogsituatie tot 1 augustus 2007. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat bezwaarde in de veronderstelling was dat er na 1 augustus 2007 gelegaliseerd zou worden. Nu instemming met het besluit om te gedogen ontbreekt, en in het kader van de bezwaarprocedure een ex nunc heroverweging plaatsvindt, is de commissie van mening dat een gedoogbesluit niet op zijn plaats is.

Bij besluit van 18 juli 2007 heeft verweerder conform het advies van de commissie het (gedoog)besluit ingetrokken en het bezwaarschrift van eiser gedeeltelijk niet-ontvankelijk, gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 18 juli 2007 tevens een vooraankondiging gedaan ten aanzien van het voornemen om eiser een last onder dwangsom op te leggen.

Eiser kan zich niet verenigen met het besluit van 18 juli 2007 en heeft daartegen bij brief van 28 augustus 2007 beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 november 2007 heeft verweerder eiser een last onder dwangsom opgelegd. De begunstigingstermijn (20 mei 2008) is door verweerder verlengd tot twee weken na dagtekening van de uitspraak in deze zaak.

Eiser heeft bij brief van 29 november 2007 de gronden van het beroep ingediend en aangegeven dat het beroep tevens is gericht tegen het besluit tot oplegging van een dwangsom. Eiser stelt dat hij vanaf begin 1990 - en derhalve nog vóór de inwerkingtreding van het huidige bestemmingsplan - ruimte ter beschikking heeft gesteld voor de plaatsing van caravans, die aldaar gedurende enkele maanden per jaar worden geplaatst om als tijdelijke huisvesting te dienen voor personeel van onderaannemers, werkzaam op de NAM-locatie te [woonplaats]. Eiser heeft geen schriftelijke vergunning, maar stelt meerdere malen met ambtenaren van de gemeente te hebben gesproken, waarbij is aangegeven dat "alle vergunningen in orde zijn".

Eiser heeft verder gesteld dat het sinds lange tijd bij zowel het personeel als het bestuur van de gemeente bekend is dat de caravans op deze wijze worden gebruikt op het bedrijven-terrein. Volgens eiser is sprake van een nauw aan de NAM gerelateerde bestemming, zodat van strijdigheid met de bestemming "bedrijfsdoeleinden" zoals geformuleerd in het vigerende bestemmingsplan geen sprake is. Eiser wijst er op dat het gebruik is geschied in (goed) overleg en medeweten van zowel bestuurders alsook ambtenaren van de gemeente. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft eiser een verklaring van oud-wethouder [naam] bijgevoegd, waarin - kort weergegeven - is verklaard dat reeds sprake was van de aanwezig-heid van de caravans sinds het aantreden van de heer [naam] in 1994 en hij kort na zijn aantreden - weliswaar om een andere reden - ter plaatse de situatie in ogenschouw heeft genomen. Voorts heeft eiser een aantal verklaringen overgelegd van oud-werknemers van

de onderaannemers, alsmede een verklaring van het bedrijf KCA Deutag en de NAM, waaruit, in onderlinge samenhang gelezen, volgt dat reeds voor 13 november 1990 caravans op zijn terrein gestald waren. Eiser is van mening dat hij door verjaring het recht heeft verkregen de caravans te mogen plaatsen, waardoor verweerder hiertegen niet handhavend kan optreden.

Verweerder stelt zich, onder verwijzing naar artikel 4 van het vigerende bestemmingsplan, op het standpunt dat de in het aanvullende beroepschrift veronderstelde relatie van het gebruik van het perceel met de NAM niet maakt dat er sprake is van een activiteit die past binnen de bestemming "bedrijfsdoeleinden". Daarnaast stelt verweerder dat door de verklaring van oud-wethouder [naam] geen bewijs wordt geleverd voor de stelling dat het gebruik onder het overgangsrecht valt, aangezien de peildatum hiervoor op 13 november 1990 is gelegen. Onder verwijzing naar bestendige jurisprudentie wijst verweerder er op dat niet snel sprake is van rechtsverwerking voor een bestuursorgaan om na een periode van stilzitten alsnog handhavend op te treden. Verweerder is van mening dat in het onderhavige geval, waarin het planologisch onaanvaardbaar wordt geacht dat groepen mensen verblijven op een bedrijventerrein waarop bedrijven uit de zwaarste milieuklasse mogen worden gevestigd, geen sprake is van verwerking van het recht om handhavend op te treden.

3.2. Beoordeling van het geschil

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het plaatsen van caravans en verschaffen van nachtverblijf aan personen niet onder de bestemming "bedrijfsdoeleinden" van het thans vigerende bestemmingsplan valt.

De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het thans bestreden besluit en overweegt daartoe het volgende.

Uit de gedingstukken blijkt dat de gemeenteraad op 20 augustus 1990 het bestemmingsplan "Grijpskerk bedrijventerrein 2" heeft vastgesteld. Dit bestemmingsplan is op 13 november 1990 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. Noch in de gedingstukken noch ter zitting is het regime van het daarvoor geldende bestemmingsplan kenbaar gemaakt.

De gemachtigden van verweerder hebben ter zitting niet kunnen aantonen of bij het nemen van het thans bestreden besluit is beoordeeld of het plaatsen van de caravans op basis van het eerdere bestemmingplan al dan niet was toegestaan.

Eiser heeft aangevoerd dat de caravans zijn geplaatst voordat het bestemmingsplan "Grijpskerk bedrijventerrein 2" in werking is getreden. Eiser stelt dat verweerder van deze situatie op de hoogte was en de aanwezigheid van de caravans heeft gedoogd. Eiser doet derhalve een beroep op het overgangsrecht.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er in geslaagd aan te tonen dat er voor de inwerkingtreding van het vigerende bestemmingsplan sprake was van stalling van de caravans. De door eiser overgelegde verklaringen leveren naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs om aan te nemen dat vóór juli 1990, het moment dat de eerste boring van de NAM op de locatie [woonplaats] plaatsvond, werkzaamheden hebben plaatsgevonden aan de installaties ten behoeve van deze boringen, waardoor de rechtbank op basis van de overgelegde verklaringen het aannemelijk acht dat destijds al van caravans op het terrein van eiser gebruik werd gemaakt. De door verweerder overgelegde luchtfoto's doen aan dit oordeel niet af. De rechtbank overweegt daartoe dat de door verweerder overgelegde luchtfoto's 's winters gemaakte momentopnames zijn - de bomen zijn kaal - en eiser in dit licht heeft verklaard dat de caravans niet het gehele jaar op zijn terrein staan gestald omdat er in de wintermaanden geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de door hem geboden faciliteiten.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat er geen luchtfoto's voorhanden zijn uit de jaren 1985 en 1986, terwijl uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat medewerkers van het bedrijf KCA Deutag hebben verklaard vanaf 1985 gebruik hebben gemaakt van de faciliteiten van eiser in verband met werkzaamheden in [woonplaats] en omgeving. Ook aan het door verweerder verrichtte archiefonderzoek geeft de rechtbank geen doorslaggevende betekenis.

Nu door verweerder niet is getoetst of er in het geval van eiser sprake is van een toelaatbare situatie overeenkomstig het vorige bestemmingsplan en eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voor de inwerkingtreding van het thans geldende bestemmingsplan sprake was van stalling van de caravans en het verschaffen van nachtverblijf aan personen, is de rechtbank van oordeel dat het thans bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet op zorgvuldige wijze is voorbereid en berust het in strijd met het bepaalde in artikel 3:46 Awb niet op een deugdelijke motivering.

Het beroep moet derhalve gegrond worden verklaard. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw moeten beslissen op het bezwaar van eiser.

Met het oog op die nadere besluitvorming overweegt de rechtbank nog het volgende.

In artikel 4 van de bij het vigerende bestemmingsplan "Grijpskerk bedrijventerrein 2" behorende planvoorschriften is bepaald dat op het onderhavige perceel de bestemming "bedrijfsdoeleinden" rust. De als zodanig op de plankaart aangegeven gronden zijn bestemd voor industrie, groothandel, ambachtelijk-, nijverheids-, reparatie-, verhuur- en overige dienstverlenende bedrijven; handel in auto's, boten, caravans en landbouwwerktuigen; meubelhandel, uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met "meubelhandel"; verkeers- en verblijfsdoeleinden; groenvoorzieningen; nutsvoorzieningen.

Het zesde lid bepaalt dat de in het eerste lid bedoelde gronden en gebouwen slechts mogen worden gebruikt overeenkomstig de bestemming.

In artikel 10 zijn de overgangsbepalingen neergelegd.

Overigens overweegt de rechtbank reeds nu dat het plaatsen van caravans en het verschaffen van nachtverblijf aan personen niet valt te begrijpen onder de huidige bestemming "bedrijfsdoeleinden".

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffierecht ad € 143,00 door verweerder aan eiser wordt vergoed.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De gemeente Zuidhorn wordt aangewezen als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze kosten vast op € 648,50, bestaande uit € 644,00 voor kosten van rechtsbijstand en € 4,50 aan reiskosten.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 18 juli 2007;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 648,50 en bepaalt dat de gemeente Zuidhorn deze kosten aan eiser dient te betalen;

- bepaalt dat de gemeente Zuidhorn het betaalde griffierecht € 143,00 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge voorzitter, mr. D.M. Schuiling en mr. E. Gottschal rechters en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2008 in tegenwoordigheid van M. Lammerts-Rannenburg als griffier.

De griffier, De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.