Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD6583

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
AWB 07/451
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding. Materiële en immateriële schade. Redelijkheid en billijkheid. Artikel 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 07/451 BELEI

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 april 2007.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 28 juli 2006, waarbij zijn verzoek tot vergoeding van kosten en schade in verband met (bezwaar)procedures over de vaststelling van de huursubsidie over de periode 1 juli 1996-1 juli 1997, is afgewezen, ongegrond verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 11 maart 2008.

Eiser is aldaar in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.G. Eckhardt.

3. Beoordeling van het geschil

feiten en standpunten

Verweerder heeft bij beslissing van 19 april 2006 het bezwaar van eiser tegen de subsidievaststelling 1 juli 1996-1 juli 1997 gegrond verklaard. Verweerder heeft de beslissing op bezwaar van 18 mei 2004 ingetrokken, het bezwaar van 24 augustus 2000 gegrond verklaard en de huursubsidie herberekend. Voorts heeft verweerder bepaald dat het besluit van 15 mei 2000 komt te vervallen. Met betrekking tot het verzoek van eiser van 19 juni 2003 tot vergoeding van kosten en schade heeft verweerder verwezen naar een (nog te nemen) afzonderlijk besluit. Gezien een hangend beroep heeft verweerder het besluit van 19 april 2006 naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doorgestuurd.

Bij besluit van 28 juli 2006 heeft verweerder het verzoek van eiser om vergoeding van de kosten en schade afgewezen. Verweerder heeft overwogen dat het verzoek om vergoeding van de kosten in de bezwaarprocedure niet voldoet aan de op grond van de met ingang van 12 maart 2002 geldende Wet van 24 januari 2002, Stb. 55 (tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep). Het verzoek van eiser is ingediend op 19 juni 2003 en dat was pas nadat de beslissing op bezwaar van 27 maart 2002 was genomen. Over de kosten in de beroepsprocedures neemt de rechtbank Groningen een beslissing.

Met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding heeft verweerder overwogen dat er voldaan moet worden aan een aantal criteria: 1. de beslissing waaruit schade voortvloeit, moet onrechtmatig zijn, 2. het besluit moet dermate ernstige gebreken vertonen dat gesteld kan worden van verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft beslist, 3. er moet oorzakelijk verband zijn tussen de schade en het bestreden besluit en 4. de gedupeerde moet alles in het werk hebben gesteld om schade te voorkomen, danwel zoveel mogelijk te beperken. Er is geen schade uit de (gegronde) beslissing op bezwaar van 19 april 2006 voortgevloeid, waarbij het terugvorderingsbedrag ten gunste van eiser is verminderd. Voorts heeft verweerder overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor immateriële schadevergoeding, omdat eiser deze claim met geen enkele medische verklaring heeft ondersteund.

Eiser heeft in bezwaar gesteld dat medewerkers van het Ministerie hem telefonisch hebben toegezegd dat verweerder tot schadevergoeding zal overgaan. In de beslissing van 19 april 2006 zijn de bezwaren gegrond verklaard. Hieruit valt te concluderen dat kosten zijn gemaakt die hij anders niet had hoeven maken. De geclaimde materiele kosten zijn, gezien de puinhoop bij verweerder niet meer dat redelijk en billijk. Verweerder heeft hem met betrekking tot de immateriële kosten aangezet tot het indienen van een aanvraag tot schadevergoeding. Hij heeft de schade zoveel mogelijk beperkt. Met betrekking tot het causale verband tussen de kosten en de beslissing merkt hij op dat de medewerker van verweerder geen arts of psychiater is en hierover dus niet kan oordelen.

Verweerder heeft bij de bestreden beslissing het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft overwogen dat eiser niet is gehoord omdat hij heeft aangegeven geen prijs te stellen op een hoorzitting. Het verzoek om proceskosten in bezwaar voldoet niet aan artikel 7:15 Awb. Het primaire besluit is van na 12 maart 2002. Het verzoek is op 19 juni 2003 ingediend, pas nadat de beslissing op bezwaar van 27 maart 2002 al was genomen. Voorts acht verweerder de door eiser geclaimde materiele kosten ad € 5.200,00 buiten proportie. Uit de beslissing op bezwaar van 19 april 2006 vloeit geen schade voort, omdat eiser minder moet terugbetalen dan op 16 mei 2000 is beslist. Dit als gevolg van een berekeningsfout ten gunste van eiser. Eiser heeft niet kunnen aantonen dat er sprake is van immateriële schade als gevolg van klachten. Voorts zijn er geen telefoonnotities van gesprekken van medewerkers van het Ministerie met eiser in het dossier aangetroffen. Van toezeggingen is niet gebleken.

Eiser heeft in beroep zijn gronden in de bezwaarprocedure herhaald.

Ten aanzien van het geschil

De rechtbank stelt vast dat er tussen eiser en verweerder een geschil heeft bestaan over de vaststelling en terugvordering van de huursubsidie over het huursubsidiejaar 1996-1997.

Verweerder heeft op 6 januari 1997 een besluit over het huursubsidiejaar 1996-1997 genomen. Bij besluit van 16 mei 2000 heeft verweerder het huursubsidiebesluit over het subsidiejaar 1996-1997 gewijzigd en teveel betaalde huursubsidie teruggevorderd. Bij brief van 15 augustus 2000 heeft verweerder het besluit van 15 mei 2000 bekend gemaakt. Eiser heeft tegen dit besluit op 24 augustus 2000 gereageerd. Deze reactie is als een bezwaarschrift aangemerkt. Met betrekking tot de terugvordering heeft eiser op 11 mei 2001 een verzoek ingediend. Verweerder heeft het verzoek bij besluit van 29 januari 2002 afgewezen. Hiertegen heeft eiser op 30 januari 2002 bezwaar gemaakt. De besluiten van 15 augustus 2000 en 29 januari 2002 zijn gezamenlijk het onderwerp geworden van een bezwaarschriftenprocedure. Dit heeft geleid tot drie procedures bij de rechtbank waarbij de laatste uiteindelijk in hoger beroep is beslist door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank verwijst met betrekking tot de procedures bij de rechtbank kortheidshalve naar de uitspraken van 7 februari 2003 (AWB 02/341), 19 maart 2004 (AWB 03/618) en 19 juli 2005 (AWB 04/567), partijen bekend. Uiteindelijk is verweerder op 19 april 2006 uit eigen beweging teruggekomen op de beschikking op bezwaar die het onderwerp was van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Verweerder heeft namelijk geconstateerd dat er sprake was van een berekeningsfout en heeft daarom het terugvorderingsbedrag verlaagd. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de onrechtmatigheid van de besluiten van 15 augustus 2000 en 29 januari 2002 erkend.

Uit de correspondentie tussen eiser en verweerder valt op te maken dat eiser voor het eerst op 11 mei 2001 over een vergoeding van gemaakte kosten en incorrecte benadering heeft gesproken. Eiser heeft hier vervolgens op 19 juni 2003 weer over gesproken en heeft de kosten bij brief van 21 april 2006 nader gespecificeerd.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:15 Awb blijkt dat voor kosten van bezwaarprocedures tegen primaire besluiten van vóór 12 maart 2002 (datum inwerkingtreding leden 2-4) het oude recht van toepassing blijft. De rechtbank wijst op de Kamerstukken II 1999/2000, 27 024, nr. 5, p. 15-17 en nr. 6. De rechtbank stelt vast dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 15 mei 2000 en van 29 januari 2002 die dateren van vóór 12 maart 2002. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte overwogen dat artikel 7:15 Awb (onder meer) niet van toepassing is omdat eiser pas na de beslissing op bewaar van 27 maart 2002 om kosten in bezwaar heeft verzocht. De rechtbank wijst in dit verband op een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 december 2002, LJN AF3730. Verweerder heeft niet kenbaar onderzocht dat eiser op grond van het oude recht in aanmerking zou kunnen komen van de verzochte schadevergoeding. Hieruit volgt dat het bestreden besluit op grond van strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en met artikel 7:12, Awb niet in stand kan blijven.

Ter zitting is met partijen besproken dat de procedures met betrekking tot en in verband met de gewijzigde huursubsidiebeslissing van 16 mei 2000 door een aantal ongelukkige beslissingen van verweerder erg lang hebben geduurd. Eiser heeft op 24 augustus 2000 en op 30 januari 2002 bezwaarschriften ingediend en op 7 juni 2006 is een eind gekomen aan de rechtsstrijd met betrekking tot de gewijzigde huursubsidiebeslissing van 16 mei 2000. Voorts moet worden vastgesteld dat het thans bestreden besluit niet in stand kan blijven. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij genoegen neemt met een vorm van erkenning dat verweerder in de lengte van jaren fouten heeft gemaakt ook als dat zou leiden tot een schadevergoeding die substantieel lager is dan het door hem geclaimde bedrag. Ter zitting is gebleken dat de vertegenwoordiger van verweerder ook bereid is om definitief een einde te maken aan deze procedure door het betalen van een redelijke en billijke schadevergoeding.

Ten aanzien van de materiële kosten die eiser heeft moeten maken in de verschillende bezwaarprocedures, zoals hij die nader heeft gespecificeerd in zijn brief van 21 april 2006, oordeelt de rechtbank als volgt. Onder het recht, zoals dat gold vóór 12 maart 2002, en zoals dat is uitgelegd door de Afdeling bestuursrechtspraak in zijn uitspraak van 12 december 1996, komen de kosten die eiser heeft moeten maken in de bezwaarfase in beginsel voor rekening van eiser en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking. Naar het oordeel van de rechtbank is er van een dergelijk bijzonder geval sprake. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het gaat om een relatief eenvoudige beschikking in het kader van de huursubsidie. Ondanks het feit dat er drie keer over geprocedeerd is bij de rechtbank, heeft verweerder de bestreden besluiten kennelijk nooit grondig heroverwogen nu uiteindelijk pas na de laatste procedure spontaan door verweerder is ontdekt dat er een rekenfout is gemaakt.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de door eiser gespecificeerde kosten onredelijk hoog zijn en onvoldoende onderbouwd. Nu partijen de wens hebben uitgesproken om tot beëindiging van het geschil te komen zal de rechtbank de zaak niet aanhouden om meer duidelijkheid over deze kosten te krijgen maar zelf de kosten naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op € 250,00.

Ten aanzien van de door eiser gestelde immateriële schade, zoals gespecificeerd in zijn brief van 21 april 2006, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de procedure met betrekking tot de juiste vaststelling van het bedrag aan ten onrechte ontvangen huursubsidie dat eiser moet terugbetalen veel te lang heeft geduurd. De vraag of de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval (ABRvS 1 maart 2006). De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een eenvoudige zaak die door het optreden van verweerder onnodig lang heeft geduurd. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser als gevolg van de lange duur van de procedure daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondergaan en stelt de daaruit voortvloeiende immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid vast op € 750,00.

Gezien het vorenstaande en het belang van finale geschillenbeslechting overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit de gestelde materiële en immateriële schade had dienen te vergoeden tot een bedrag van € 1.000,00.

De rechtbank zal bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

In dat kader zal de rechtbank bepalen dat verweerder eiser dient te vergoeden een bedrag van € 1.000,00, zijnde de in redelijkheid en billijkheid vastgestelde schade van eiser in verband met lange duur van de procedures en de kosten in verband met de bezwaarprocedures.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffiegeld van € 39,00 door verweerder aan eiser wordt vergoed.

4. Beslissing

De rechtbank,

RECHT DOENDE,

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit van 18 april 2007;

-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-bepaalt dat verweerder aan eiser dient te vergoeden € 1000,00 voor de immateriële schade als gevolg van de lange duur van de procedure en de kosten van de bezwaarschriftenprocedure, te vergoeden door de Staat der Nederlanden;

-bepaalt dat de Staat der Nederlanden het betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,00 dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. R.L. Vucsán en in het openbaar door hem uitgesproken op 4 juni 2008 in tegenwoordigheid van mr. H.G. Wiemans als griffier.

de griffier de rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag