Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD6356

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-07-2008
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
102693/HA RK 08-248
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking omdat rechter stukken ter zitting nadere stukken van de wederpartij toelaat. Wrakingsverzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BESLISSING

RECHTBANK GRONINGEN

MEERVOUDIGE KAMER

Registratienummer: 102693 HA RK 08-248

Datum beslissing: 4 juli 2008

Beslissing op het verzoek van [verzoeker] (hierna: verzoeker), wonende te [woonplaats], aan de [adres], tot wraking ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het procesverloop

Op de terechtzitting van 12 juni 2008, welke zag op de behandeling van de procedure tussen verzoeker en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV), procedure 02 reg.nr. 07 / 1202 WAO BRU, heeft verzoeker mr. T.F. Bruinenberg, rechter in de sector Bestuursrecht van deze rechtbank, gewraakt, waarna de rechter het onderzoek ter terechtzitting heeft geschorst.

Bij brief ( met bijlage) van 12 juni 2008, op dezelfde datum ingekomen ter griffie van de rechtbank, heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek schriftelijk toegelicht.

Mr. Bruinenberg heeft bij brief van 17 juni 2008 verklaard niet te berusten in het wrakingsverzoek. Mr. Bruinenberg heeft tevens verklaard dat hij niet wenst te worden gehoord door de wrakingskamer.

Bij brief van 20 juni 2008 heeft de heer P. Hofman van het UWV te kennen gegeven niet aanwezig te zullen zijn bij de zitting van de wrakingskamer.

Op 27 juni 2008 is het verzoek ter zitting behandeld door de wrakingskamer.

Mr. Bruinenberg en het UWV zijn niet verschenen. Verzoeker heeft zijn standpunt mondeling nader toegelicht.

Rechtsoverwegingen

1. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker voert -kort samengevat- het volgende aan:

Het is bij verzoeker pas sinds 30 juli 2007 bekend dat er een op hem betrekking hebbende verklaring bestaat, gedateerd 8 oktober 2001 en afkomstig van een arbo-arts. Verzoeker is van mening dat deze verklaring door het UWV indertijd is achtergehouden voor hem (en voor de rechtbank) en bewust en ten onrechte niet in aanmerking is genomen toen deze instantie op 16 oktober 2002 een besluit nam m.b.t. de arbeids(on)geschiktheid van verzoeker. Het UWV heeft daarmee gehandeld in strijd met de artikelen 227a en 227b van het Wetboek van Strafrecht en dient volgens verzoeker de beslissing van 16 oktober 2002 daarom nu te herzien.

Tijdens de zitting van 12 juni 2008 heeft het UWV zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de arbo-arts van 8 oktober 2001 niet bij de besluitvorming in 2002 behoefde te worden betrokken (toevoeging van de rechtbank: omdat volgens het UWV de bewuste verklaring betrekking had op de ziektewetperiode van verzoeker, waar het besluit van 16 oktober 2002 zag op de WAO, waarvoor een ander criterium geldt).

Mr.Bruinenberg heeft tijdens de zitting niet ingegrepen toen het UWV dit standpunt innam, keurt dus goed dat bewijsstukken worden achtergehouden of verduisterd, en heeft daardoor de schijn van partijdigheid gewekt.

2. Het standpunt van mr. T.F. Bruinenberg

Mr. Bruinenberg heeft geen inhoudelijke reactie gegeven op het wrakingsverzoek.

3. Beoordeling

Ingevolge artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden geconcludeerd tot vooringenomenheid aan de zijde van de gewraakte rechter. Dat

mr. Bruinenberg zich tijdens de zitting van 12 juni 2008 niet afkeurend heeft uitgelaten over een in de hoofdzaak ingenomen -zoals hierboven kort verwoord- inhoudelijk juridisch standpunt van het UWV, acht de rechtbank onvoldoende om te concluderen tot diens vooringenomenheid, of de schijn daarvan, als door verzoeker gesteld. Het verzoek tot wraking wordt daarom afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak (met zaaknummer 07/1202 WAO BRU) wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de wederpartij (UWV) en mr. T.F. Bruinenberg.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.J.J. Smits, voorzitter, L.H.A.M. Voncken en

D.M. Schuiling, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2008 in tegenwoordigheid van mr. D.W.J. Vinkes als griffier.