Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD6330

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-07-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
366407 / 08-297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 7:685 BW. Ontbinding arbeidsovereenkomst tussen school en een rector van een locatie van de school.

Naar aanleiding van geruchten over een vermeende relatie tussen de rector van een locatie van de school en diens secretaresse laat het College van Bestuur een extern bureau een onderzoek doen naar de herkomst van de geruchten en het gevaar voor imagoschade voor zowel de school als de rector. Dit onderzoek en de rol van het College van Bestuur leidt tot het opzeggen van het vertrouwen door de rector aan het College van Bestuur. Hoewel de vermeende relatie niet komt vast te staan, oordeelt de kantonrechter dat de rector wel aanleiding heeft gegeven tot het instellen van het onderzoek. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder toekenning van een billijke vergoeding, mede omdat de rector aanspraak kan maken op een ruime wachtgeldregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0432
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 366407/08-297

Beschikking d.d. 4 juli 2008

inzake

de Stichting RSG De Borgen,

gevestigd te Groningen ,

verzoekster in conventie, verweerster in reconventie, hierna De Borgen te noemen,

mr. J.C. Zevenberg, advocaat te Rijswijk (Postbus 1213, 2280 CE),

tegen

[verweerder],

wonende te [postcode] Beetsterzwaag aan de [adres],

verweerder in conventie, verzoeker in reconventie, hierna [verweerder] te noemen,

gemachtigde mr. V.S.M. Sturkenboom, advocaat te Groningen (Guyotplein 5/1, 9712 NX).

PROCESGANG

Bij verzoekschrift van De Borgen, binnengekomen op 11 juni 2008, is verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden in verband met een verandering van de omstandigheden, zulks zonder toekenning van een billijke vergoeding.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend. [verweerder] heeft bij zelfstandig tegenverzoek eveneens verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden onder toekenning van een ontbindingsvergoeding van (volgens de pleitnotitie) € 357.677,10 met als correctiefactor 9, met veroordeling van De Borgen in de kosten van deze procedure.

De mondelinge behandeling gehouden op 25 juni 2008 gelijktijdig met de zaak tussen De Borgen en [A.] (rolnummer 367575/08-302). Partijen (De Borgen deugdelijk vertegenwoordigd) en hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet, mede aan de hand van pleitaantekeningen. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1 Als gesteld en niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist kan van het volgende worden uitgegaan.

1.2 [verweerder], geboren op 11 juli 1959, is sedert 1 augustus 2003 bij (de rechtsvoorganger van) De Borgen in dienst, in de functie van rector van de vestiging De Lindenborg, laatstelijk tegen een salaris van € 5.298,92 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO VO, de collectieve arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs van toepassing.

1.3 In december 2005 bereikten het College van Bestuur (hierna: CvB) van De Borgen signalen dat [verweerder], rector van de Lindenborg, en diens secretaresse, [A.], regelmatig gezamenlijk buiten werktijd worden gesignaleerd en mogelijk een affectieve relatie hebben. [verweerder] is hierover door Engbers, lid van het CvB aangesproken. [verweerder] heeft toen te kennen gegeven dat van een relatie met [A.] geen sprake was en dat Engbers op de hoogte zou worden gesteld als dit in de toekomst anders zou worden.

1.4 Eind november 2007 is er opnieuw sprake van enkele geruchten over een veronderstelde relatie tussen [verweerder] en [A.]. Op 9 november 2007 is hierover een gesprek tussen Engbers, Schilt (voorzitter van het CvB) en [verweerder]. [verweerder] ontkent hierbij dat sprake is van een relatie tussen hem en [A.]. Omdat de posities van De Borgen en [verweerder] in het geding kunnen zijn, geeft De Borgen te kennen te willen onderzoeken hoe dit onderwerp moet worden aangepakt. In een vervolggesprek op 26 november 2007 worden de oplossingsmogelijkheden besproken. Een voorstel van [verweerder] om de mensen om wie het gaat persoonlijk te benaderen wordt door De Borgen van de hand gewezen. De Borgen besluit dat er een onderzoek zal worden ingesteld door een extern bureau.

1.5 Medio december 2007 heeft De Borgen opdracht gegeven aan Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffmann) om een onderzoek te doen naar de geruchten en de signalen dat [verweerder] een relatie zou hebben met zijn secretaresse, [A.].

Het doel van het onderzoek was vast te stellen of de afgegeven signalen afkomstig zijn van één bron of van meerdere bronnen en te bekijken of het bestaan van de signalen over de vermeende relatie mogelijk schade toe zou brengen aan het imago van de Lindenborg en aan de positie van [verweerder] als rector van de Lindenborg. Op 8 januari 2008 heeft hierover een eerste gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en Engbers.

1.6 Op 15 februari 2008 is voor [verweerder] en [A.] het gesprek met het onderzoeksbureau gepland. Toen Hoffmann niet bereid bleek hen de mogelijkheid te bieden het verslag van het gesprek in te zien, hebben [A.] en [verweerder] voorgesteld elkaars gesprek vast te leggen, dan wel dit te laten doen door de vertrouwenspersoon van De Borgen. Hoffmann heeft hierover met Engbers overleg gehad. Het gesprek is vervolgens niet doorgegaan.

1.7 Op 18 februari 2008 vindt opnieuw een gesprek plaats tussen [A.], [verweerder], Engbers en Schilt. Afgesproken wordt dat een nieuwe afspraak met Hoffmann zal worden gemaakt.

1.8 Op 7 maart 2008 heeft [verweerder] inzage in zijn personeelsdossier en treft daar een email aan van de raadsman van De Borgen d.d. 7 november 2007 met daarin diens weergave van enige jurisprudentie over relaties op het werk en ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

1.9 Bij email van 7 maart 2008 deelt [verweerder] mee dat hij niet bereid is een gesprek met Hoffmann aan te gaan. Hij verzoekt om een bespreking waarbij tevens zijn raadsman aanwezig zal zijn.

1.10 Op 25 maart 2008 vindt een gesprek plaats tussen [verweerder], zijn raadsman, Engbers, Schilt en Drewes (bestuursadviseur P&O) omtrent de voorzetting dan wel afronding van het onderzoek van Hoffmann en het horen van [verweerder]. Ook komt de email in het personeelsdossier van [verweerder] ter sprake.

1.11 Bij brief van 8 april 2008 schrijft De Borgen aan [verweerder] dat van diens kant gesproken is van een onherstelbare vertrouwensbreuk en dat betreurd wordt dat de advocaat van [verweerder] aanstuurt op ontbinding van de arbeidsovereenkomst (onder bepaalde voorwaarden). Aan [verweerder] wordt gevraagd zijn werk loyaal te blijven uitvoeren.

1.12 Op 14 april 2008 heeft wederom een bespreking met dezelfde personen plaatsgevonden. De insteek van [verweerder] daarbij is om een onderlinge regeling te treffen over beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Partijen zijn het daarover niet eens geworden. Dit wordt vastgelegd in een brief van De Borgen aan [verweerder] van 25 april 2008.

1.13 Het onderzoek van Hoffmann heeft geresulteerd in een rapport d.d. 18 april 2008. Er zijn met vijf personen – buiten Engbers - gesprekken gevoerd. Het rapport bevat een inleiding, een samenvatting, een overzicht van de gevoerde gesprekken en de gespreksverslagen. Het rapport bevat geen conclusie. Bij email van 21 mei 2008 vraagt de advocaat van [verweerder] aan De Borgen om het rapport.

1.14 Bij email van 30 mei 2008 van de advocaat van De Borgen aan de advocaat van [verweerder] wordt meegedeeld dat, aangezien door [verweerder] het vertrouwen in De Borgen is opgezegd, het CvB zich beraadt op te nemen maatregelen.

1.15 Met ingang van 2 juni 2008 is [verweerder] geschorst. Diezelfde dag is een persbericht aangaande de schorsing van [verweerder] uitgegaan en op 3 juni 2008 verschijnt een artikel op de voorpagina van het Dagblad van het Noorden.

1.16 Bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft [verweerder] naast zijn WW-uitkering tevens aanspraak op een BWOO-uitkering tot 1 september 2016 van bijna

€ 300.000,00 (afgerond).

2. Het standpunt van De Borgen, kort samengevat

Als gevolg van de houding van [verweerder] is tussen partijen een onwerkbare situatie ontstaan die samenwerking in de toekomst onmogelijk maakt. [verweerder] heeft bij herhaling het vertrouwen in het CvB van De Borgen opgezegd. De Borgen blijft niets anders over dan ontbinding te verzoeken. De arbeidsovereenkomst tussen partijen moet daarom zo spoedig mogelijk worden beëindigd, zonder toekenning van een vergoeding.

3. Het standpunt van [verweerder], kort samengevat

[verweerder] beroept zich op de vaststaande feiten en stelt zich op het standpunt dat het vertrouwen in De Borgen als werkgever door toedoen van De Borgen dermate is geschaad dat van [verweerder] niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te continueren. Omdat de ontstane situatie aan De Borgen te wijten is, is een vergoeding op zijn plaats, waarbij moet worden uitgegaan van de correctiefactor C=9.

De beoordeling

4. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod.

5. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit de processtukken en het verhandelde ter zitting voldoende komen vast te staan dat een vruchtbare samenwerking tussen [verweerder] en De Borgen niet meer tot de mogelijkheden behoort. Beide vragen ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst dan ook wegens gewijzigde omstandigheden ontbinden.

6. Ten aanzien van de vraag of en zo ja, met welke vergoeding de ontbinding gepaard dient te gaan, overweegt de kantonrechter als volgt.

7. Voor de beoordeling van deze zaak speelt voor de kantonrechter een belangrijke rol dat [verweerder] in december van 2005 door Engbers is aangesproken op een vermeende affectieve relatie met zijn secretaresse. Behalve dat [verweerder] uit hoofde van zijn functie al bedacht moet zijn op de gevolgen van dergelijke geruchten, geldt dit eens temeer wanneer hij daarvoor is gewaarschuwd.

8. De beslissing van het CvB van De Borgen om een extern bureau een onderzoek uit te laten voeren naar de geruchten rond de vermeende relatie tussen [verweerder] en [A.] past naar het oordeel van de kantonrechter binnen de beslissingsbevoegdheid die het CvB heeft. De geldende medezeggenschapsregeling staat hieraan niet in de weg. Hoewel valt in te zien dat De Borgen de voorkeur had voor een onderzoek door een extern bureau, kan de vraag worden gesteld of het laten uitvoeren van het bewuste onderzoek bij de op dat moment geldende omstandigheden een proportioneel middel was. Gelet op de status van de geruchten - er waren slechts twee signalen die weinig concreets bevatten over een vermeende affectieve relatie, hooguit suggesties - was het onderzoek door een extern recherchebureau naar het oordeel van de kantonrechter een zwaar middel. Daaraan doet niet af dat [verweerder] al eerder door Engbers was aangesproken in verband met geruchten. [verweerder] had het bestaan van een relatie bovendien uitdrukkelijk betwist. Daarnaast is op vragen van [verweerder] en [A.] om concrete voorbeelden te noemen waaruit de vermeende relatie zou moeten blijken nimmer een antwoord gekomen. Voorstelbaar was dat een lichtere vorm van onderzoek door een (interne) vertrouwenspersoon ook de gewenste informatie had kunnen leveren. Deze gang van zaken heeft het vertrouwen tussen [verweerder] en De Borgen kunnen schaden.

9. Bij de opzet van het onderzoek mogen ook de nodige vraagtekens worden gesteld. Anders dan De Borgen stelt, zijn [verweerder] en [A.] niet echt betrokken bij de opzet van het onderzoek. Bij brief van 2 februari 2008 is om die reden nadere informatie gevraagd door [verweerder] en [A.] aan De Borgen. Voor wat betreft de opzet is onweersproken door [verweerder] aangevoerd dat er bij De Borgen zo’n 70 docenten werkzaam zijn. Voor het onderzoek zijn – buiten Engbers – slechts vijf personen gehoord, waarvan twee docenten. Dat [verweerder] en [A.], die immers het ‘onderwerp’ van onderzoek vormden, een conceptverslag van het met hen gehouden gesprek wensten in te zien, lijkt de kantonrechter terecht. Dat zij (mede) om die reden (aanvankelijk) hun medewerking aan het onderzoek hebben onthouden is, in tegenstelling tot hetgeen De Borgen aanvoert, niet aan te merken als het traineren van het onderzoek. De kantonrechter acht het terecht dat [A.] en [verweerder] kritiek hadden op het onderzoek. Een en ander ligt naar het oordeel van de kantonrechter in de risicosfeer van De Borgen als werkgever en als opdrachtgever tot het onderzoek.

10. Als [verweerder] vervolgens in zijn personeelsdossier een email aantreft van de advocaat van De Borgen aangaande jurisprudentie rond relaties op de werkvloer en ontbinding van de arbeidovereenkomst, acht de kantonrechter het gevoel van [verweerder] dat er misschien meer aan de hand is, in het licht van alle omstandigheden, niet onbegrijpelijk. Hoewel De Borgen in het daarop volgende gesprek nadrukkelijk, ook tegenover [verweerder] en [A.], heeft gezegd dat het om een algemene notitie ging en heeft betwist dat zij de vooropgezette bedoeling had de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te beëindigen, overweegt de kantonrechter dat gelet op de situatie dit gegeven het vertrouwen van [verweerder] in De Borgen als werkgever verder onder druk heeft gezet. De Borgen heeft vervolgens bij [verweerder] benadrukt te willen werken aan herstel van de breuk in het vertrouwen. Echter, op geen enkele wijze heeft de Borgen aangegeven met welke maatregelen zij dit vertrouwen dacht te herstellen.

11. Een nader gesprek op 14 april 2008 biedt geen oplossing. Uit het gespreksverslag blijkt dat [verweerder] geen vertrouwen meer heeft in De Borgen, hij mist het vertrouwen van de zijde van De Borgen en hij geeft te kennen weg te willen. Hij wil in dat verband praten over een regeling. Hij geeft te kennen dat hij niet meer gehoord wil worden door Hoffmann. Het onderzoek kan worden afgerond.

12. Op dat moment, 14 april 2008, was het rapport van Hoffmann, dat gedateerd is op 18 april 2008, voor [verweerder] nog niet beschikbaar. Het rapport is in deze procedure ingebracht en [verweerder] heeft de inhoud ervan en die van de gespreksverslagen niet tegengesproken.

Wat men ook van de geruchten vindt, zoals deze in het rapport tot uitdrukking komen, duidelijk is wel dat er veel geroddeld wordt op de Lindenborg in het algemeen en ook over [verweerder] en [A.] en dat er - los van de vermeende affectieve relatie - interne kritiek is op hun functioneren. In de gesprekverslagen zijn vele concrete gedragingen genoemd van [verweerder] en [A.] samen die de schijn van een affectieve relatie tussen beiden kunnen meebrengen. In die zin zijn de signalen die De Borgen, in de persoon van Engbers, ontving, niet te negeren. Van De Borgen kan niet worden verlangd daar niets mee te doen en van [verweerder] en [A.], en dan vooral van [verweerder] mag, gelet op hun positie binnen de organisatie, worden verwacht dat zij de roddels niet bagatelliseren of deze laten voor wat het is.

13.Gelet op de omstandigheden van dit geval, is er voor beide standpunten het nodige te zeggen. Als gezegd speelt voor de kantonrechter een belangrijke rol dat [verweerder] een ‘gewaarschuwd man’ was. De diverse concrete gedragingen, zoals die in de gespreksverslagen over [verweerder] en [A.] zijn opgenomen, zijn door [verweerder] niet betwist en de kantonrechter neemt deze dus als vaststaand aan. Hoewel deze gedragingen niet vanzelf wijzen op een affectieve relatie tussen [verweerder] en [A.], en [verweerder] recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, moet de constatering zijn dat [verweerder] na de waarschuwing van december 2005 in zijn omgang met [A.] weinig of niets heeft gedaan om zijn gedrag aan te passen om verdere geruchten te voorkomen. Gelet op zijn positie als rector van de Lindenborg mocht dat wel van [verweerder] worden verlangd. Hoewel er bij het onderzoek door Hoffman en de hele gang van zaken dus de nodige kanttekeningen kunnen worden gemaakt, ligt de oorsprong van deze kwestie naar het oordeel van de kantonrechter hoofdzakelijk bij [verweerder].

14. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verweerder] tegen deze achtergrond te snel het vertrouwen in De Borgen opgezegd en aangestuurd op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een financiële vergoeding. Het onderzoeksrapport was er op dat moment nog niet, [verweerder] heeft zijn aanvankelijke medewerking gestaakt, hij heeft de resultaten van het onderzoek niet afgewacht en op geen enkele wijze heeft [verweerder] laten blijken ook maar enigszins open te staan voor de positie van het CvB die met signalen wordt geconfronteerd. Aan [verweerder] kan worden toegegeven dat de CvB tot dan toe de signalen weinig concreet heeft gemaakt zodat het moeilijk is zich daartegen te verweren, maar daarvan moet worden gezegd dat het onderzoek nog liep op het moment dat [verweerder] zijn vertrouwen heeft opgezegd. De kantonrechter legt dat in zijn risicosfeer. De email van de advocaat van De Borgen in het personeelsdossier van [verweerder] heeft begrijpelijk bij [verweerder] de gedachte kunnen opwerpen dat er meer zat achter het onderzoek, maar dat het CvB het vooropgezette plan had om afscheid van [verweerder] te nemen is daarmee nog niet aannemelijk geworden.

15. Bij de beoordeling of er in dit geval een vergoeding dient te worden toegekend dienen alle bovengemelde omstandigheden van het geval te worden meegewogen. Ook de leeftijd van [verweerder], de lengte van het dienstverband, zijn functioneren en de kans op het vinden van een nieuwe werkkring spelen daarbij een rol. Uit de stukken blijkt dat op het functioneren van [verweerder] niets aan te merken is geweest. [verweerder] heeft de concrete mogelijkheid gehad voor een andere functie. Dat zijn marktpositie slecht is, is niet gebleken. Dat [verweerder] een affectieve relatie heeft met [A.], is niet komen vast te staan. De kantonrechter is van oordeel dat de vertrouwensbreuk mede aan het handelen van De Borgen is te wijten maar dat [verweerder] te lichtvaardig zijn vertrouwen heeft opgezegd en de oorzaak is geweest achter het ingestelde onderzoek. De gevraagde vergoeding met een factor C=9 is voor de kantonrechter niet serieus te nemen. Daarbij speelt een rol dat [verweerder] na het einde van het dienstverband aanspraak kan maken op een wachtgeldregeling van afgerond bijna € 300.000,00. De kosten van deze regeling komen ten laste van De Borgen.

Alles afwegende acht de kantonrechter een billijke vergoeding naast de wachtgeldregeling niet op haar plaats. Dat deel van het verzoek van [verweerder] zal de kantonrechter afwijzen.

Waar het verzoek van De Borgen in ieder geval wordt toegewezen, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor een termijn op de voet van artikel 7:685 BW om het verzoek in te trekken.

16. De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie en in reconventie:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van heden, 4 juli 2008;

- compenseert de kosten van deze procedure in de zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.J.J. Smits, kantonrechter, en op 4 juli 2008 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.