Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD5479

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
26-06-2008
Datum publicatie
26-06-2008
Zaaknummer
18/994824-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 4 Destructiewet door ruggenmerg van schapenkarkassen te onttrekken aan verwerking; uitleg van de term 'zo spoedig mogelijk' in Verordening (EG) 1774/2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 18/994824-07 (Promis)

Datum uitspraak: 26 juni 2008

Op tegenspraak

VONNIS

van de economische politierechter in de rechtbank te Groningen, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 10 januari 2008 en 12 juni 2008.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

zij

in de gemeente Stadskanaal,

op of omstreeks 18 april 2007, althans in april 2007,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

destructiemateriaal, namelijk het ruggemerg van 12, althans een aantal,

schapen(karkassen), ouder dan 12 maanden,

zijnde categorie 1-materiaal, hebben/heeft onttrokken aan verwerking,

immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededader(s) dat ruggemerg van die

schapen(karkassen) niet onschadelijk gemaakt door het overeenkomstig

verordening 1774/2002 te verwerken en/of te verwijderen.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het niet tijdig verwijderen van het ruggenmerg van de schapenkarkassen, conform het bepaalde in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1774/2002.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het ruggenmerg beter verwijderd kan worden wanneer een karkas koud is. Dan is, zo stelt verdachte, de kans op het achterblijven van stukken ruggenmerg veel kleiner dan bij het tijdens het slachten - en dus warm - verwijderen van het ruggenmerg. Bovendien zijn de karkassen voorzien van een merk van de Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS). Dit is gebeurd door een dierenarts van de KDS, die aanwezig was tijdens het slachten. Hieruit valt af te leiden dat ook de KDS van oordeel is dat de gevolgde handelwijze geoorloofd is.

Beoordeling

De economische politierechter heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een dossier met nr. [nummer] d.d. 11 juli 2007 waarvan deel uitmaakt een proces-verbaal d.d. 28 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door [controleur], senior controleur bij de Voedsel- en Waren Autoriteit. Dit proces-verbaal houdt onder meer in als relaas van verbalisant:

Op woensdag 18 april 2007 om 10.00 uur heb ik een inspectie uitgevoerd bij [naam slachterij] te Stadskanaal in samenwerking met mijn collega [controleur 2]. Ik bevond mij daar voor een inspectie en ik controleerde of de bepalingen bij of krachtens de Destructiewet en de hygiënevoorschriften uit de Verordeningen (EG) nrs. 853/2004 en 854/2004 werden nageleefd. Met name het verwijderen van het ruggenmerg bij schapen- en geitenkarkassen van schapen en geiten ouder dan twaalf maanden had hierbij mijn aandacht. In de koelcel van het bedrijf zag ik twaalf schapenkarkassen. Ik zag dat het ruggenmerg van/bij deze twaalf schapenkarkassen niet was verwijderd. Op basis van de uiterlijke kenmerken van de karkassen, onze ervaring en onze deskundigheid bepaalden wij de leeftijd van de betreffende schapen. Wij concludeerden dat het hier ging om dieren ouder dan één jaar.

De verklaring door verdachte op de terechtzitting afgelegd

Van de twaalf schapen die op 17 april 2007 geslacht waren, moest één wachten op de uitslag van de TSE-keuring. Daarom hingen de karkassen bij elkaar in de koelcel. De volgende dag zouden we het ruggenmerg verwijderen. Het ruggenmerg moet altijd verwijderd worden bij schapen die ouder zijn dan achttien maanden. Deze schapen waren ouder dan achttien maanden.

De verklaring door getuige-deskundige [naam], dierenarts en senior systeem auditor bij de Voedsel- en Warenautoriteit, op de terechtzitting afgelegd

Het verwijderen van ruggenmerg geschiedt altijd direct tijdens of vlak na de keuring, voordat de karkassen de koelcel in gaan. Dit gebeurt zo, omdat het ruggenmerg dan onder toezicht, tijdens het slachten, verwijderd wordt. In Verordening (EG) 854/2004 wordt de taak van de dierenarts rond de keuring omschreven. Een onderdeel daarvan is dat hij toeziet op het verwijderen van het ruggenmerg. In deze zaak is dit niet gebeurd. Ik vind dat er sprake is van een ernstige tekortkoming van de KDS. Als het ruggenmerg wordt verwijderd wanneer een karkas koud is (en er geen controle is van de dierenarts) is er een risico dat er restmateriaal wordt vergeten en dit materiaal vervolgens in vlees terechtkomt dat ter consumptie wordt aangeboden. Het restmateriaal zou ook in het milieu kunnen terechtkomen, waardoor er een kans bestaat op besmetting met TSE (een variant op BSE).

Met betrekking tot het hiervoor weergegeven standpunt van de officier van justitie en dat van verdachte overweegt de economische politierechter het volgende.

Niet in geschil is dat de in de tenlastelegging genoemde twaalf schapen ouder waren dan twaalf maanden en dat het ruggenmerg van deze schapen verwijderd moest worden, nu er sprake was van categorie 1-materiaal, te weten gespecificeerd risicomateriaal als bedoeld in bijlage XI onder A.1.a.i van Verordening (EG) nr. 999/2001.

Waar het om gaat is op welk moment het ruggenmerg diende te worden verwijderd.

Blijkens artikel 4 lid 2 van Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (hierna: de Verordening) dient dit zo spoedig mogelijk te geschieden. Gelet op het doel van de Verordening - het voorkomen van de aanwezigheid van ziekteverwekkers in diervoeders - en de risico's die er blijkens de ter terechtzitting gehoorde getuige-deskundige zijn wanneer het ruggenmerg "koud" wordt verwijderd, kan niet gezegd worden dat nog sprake is van zo spoedig mogelijk wanneer het ruggenmerg een dag na het slachten van de schapen wordt verwijderd. Om het risico op verspreiding van ziekteverwekkers zo klein mogelijk te houden en derhalve te voldoen aan de doelstelling van de Verordening dient de verwijdering naar het oordeel van de economische politierechter in beginsel gedurende het slachtproces plaats te vinden. De handelwijze van verdachte is dan ook in strijd met de Verordening.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat

zij in de gemeente Stadskanaal, omstreeks 18 april 2007 destructiemateriaal, namelijk het ruggenmerg van 12 schapenkarkassen, ouder dan 12 maanden, zijnde categorie 1-materiaal, heeft onttrokken aan verwerking, immers heeft verdachte dat ruggenmerg van die schapenkarkassen niet onschadelijk gemaakt door het overeenkomstig Verordening 1774/2002 te verwijderen.

De economische politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders ten laste is gelegd en spreekt verdachte hiervan vrij.

De economische politierechter heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de economische politierechter bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

Overtreding van een voorschrift krachtens artikel 4, eerste lid (oud) van de Destructiewet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De economische politierechter acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit wordt veroordeeld tot een geldboete van € 8000,- subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis waarvan € 4000,- subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De hoogte van de geldboete hangt samen met het aantal dieren waarop het feit betrekking heeft, te weten twaalf stuks. De officier van justitie heeft in zijn strafeis rekening gehouden met de omstandigheid dat door de KDS onvoldoende controle is uitgeoefend op het tijdig verwijderen van het ruggenmerg.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft aangevoerd dat zij een boete niet terecht vindt; zij heeft gedurende lange periode het ruggenmerg "koud" verwijderd en hier is nooit een probleem van gemaakt. Er is nooit met verdachte overlegd over de beste handelwijze, maar zij is gelijk gedagvaard.

Beoordeling

Bij de bepaling van de straf heeft de economische politierechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft verzuimd zo spoedig mogelijk het ruggenmerg te verwijderen uit twaalf schapenkarkassen. Het doel van de overtreden norm is te voorkomen dat er ziekteverwekkers terechtkomen in diervoeders. Hoewel de betreffende karkassen op 17 april 2007 voorzien werden van een merk door een controleur van de KDS, waardoor het voor verdachte wellicht niet duidelijk was dat haar handelwijze niet conform de regelgeving was, geldt dat verdachte als ondernemer een eigen verantwoordelijkheid heeft om te voldoen aan de regelgeving en de gezondheidsrisico's zoveel mogelijk te beperken.

De economische politierechter houdt in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat zij een blanco strafblad heeft en dat zij inmiddels is overgegaan op het "warm" verwijderen van het ruggenmerg.

Op grond van al het bovenstaande is de economische politierechter van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende bestraffing is. Met het voorwaardelijk opleggen van de geldboete wordt voorts beoogd verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te begaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De economische politierechter heeft gelet op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht;

- 4 van de Verordening (EG) 1774/2002;

- 4 (oud) van de Destructiewet;

- 20 (oud) van het Destructiebesluit;

- 1a (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

De economische politierechter:

- verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een geldboete van € 8000,- (zegge: achtduizend euro) met bevel dat voor geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 70 dagen zal worden toegepast.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. A.F. Gerding, economische politierechter, in tegenwoordigheid van M. Smit-Colnot, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juni 2008.