Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD3887

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
03-04-2008
Datum publicatie
13-06-2008
Zaaknummer
304531 CV EXPL 06-10053
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huurrecht, ontbinding van de huurovereenkomst; ernstige overlast door 17 katten in portiekwoning

De woning betreft een betrekkelijk klein appartement met twee etages (woongedeelte en slaapkamers). Huurder woont daar al jaren met rond de 20 katten (thans nog 17) van oud tot jong. De katten mogen niet naar buiten. In de woning zijn – verdeeld over de etages – tien kattenbakken aanwezig. De ramen zijn gesloten. De conclusie van de kantonrechter is dat de katten voor ernstige overlast hebben gezorgd en nog steeds zorgen aan in ieder geval het woongenot van twee buren. Zij worden in hun woningen, in de portiek en buiten veelvuldig geconfronteerd met een penetrante en hinderlijke katten- en kattenurinelucht. Deze overlast beperkt hen ook in het gebruik van hun woning nu zij deze soms ‘ontvluchten’ om even van de kattenlucht af te zijn; vrienden of kennissen komen liever niet op bezoek en één van de buren heeft één kamer zelfs niet in gebruik. Deze overlast levert wanprestatie voor het verleden op die niet meer ongedaan kan worden gemaakt (vgl. HR 11 januari 2002, NJ 2003, nr. 255). Waar huurder vasthoudt aan een afsterfbeleid en niet bereid is gebleken op korte termijn het aantal katten terug te brengen naar – bijvoorbeeld – drie, moet ervan worden uitgegaan dat de overlast nog jaren zal voortduren. De omwonenden hoeven dit naar het oordeel van kantonrechter niet te accepteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 304531 \ CV EXPL 06-10053

Vonnis d.d. 3 april 2008

inzake

de stichting Stichting NIJESTEE,

gevestigd te Groningen,

eiseres, hierna Nijestee te noemen,

gemachtigde mr. H.J.M. Janssen, advocaat te Groningen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde, hierna [gedaagde] te noemen,

gemachtigde Mr. S. de Vaal, advocaat te Groningen,

PROCESGANG

In deze zaak is een tussenvonnis gewezen dat op 21 maart 2007 in het openbaar is uitgesproken. Ter uitvoering van dit tussenvonnis zijn op 20 juni 2007 en op 19 september 2007 getuigen gehoord. Vervolgens hebben partijen nog conclusies na descente en na enquête en contra-enquête genomen. Tenslotte is vonnis bepaald waarvan de datum nader is gesteld op vandaag.

OVERWEGINGEN

1. De kantonrechter handhaaft hetgeen hij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 21 maart 2007.

2. In dit vonnis is Nijestee in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de katten van [gedaagde] ernstige overlast bezorgen aan omwonenden.

Nijestee heeft in haar conclusie na descente en enquête en contra-enquête de grondslag van haar eis aangevuld in de zin dat naast de door [gedaagde] veroorzaakte overlast [gedaagde] in strijd met artikel 7:213 BW het gehuurde schade toebrengt doordat de geur van kattenurine doordringt in de wanden. Dit betekent, aldus Nijestee, dat hoge kosten moeten worden gemaakt om het gehuurde te zijner tijd in de oorspronkelijke staat te herstellen. [gedaagde] heeft een en ander weersproken.

3. De getuigenverklaringen

in de enquête

Getuige [W.], huurster, heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard.

"Ik woon sinds februari 2004 in mijn huidige woning. Mevrouw [gedaagde] woont schuin boven mij. (...) Er hangt altijd een lucht van kattenurine in de portiek, het is wel eens wat minder maar nooit helemaal weg. Op warmere dagen, vooral in de zomer natuurlijk, als de ramen en deuren open gaan, verspreidt de lucht zich ook in de tuin. Ook mevrouw [gedaagde] doet zo nu en dan de ramen open. De lucht is zo indringend dat ik dan maar binnen blijf. Ik vind het lastig aan te duiden hoe vaak dat gebeurt; het gebeurt geregeld. De lucht is eigenlijk alleen in de portiek en de tuin maar op erge dagen dringt deze ook mijn wc, hal en woonhuis binnen. Naar aanleiding van uw vraag merk ik op dat het de laatste weken wel beter gaat dan een jaar geleden. Ook de warme periode in mei jl. is redelijk verlopen. Toch merk ik op dat als de situatie niet verbetert ik wil verhuizen. Ik wil niet voortdurend in de lucht van kattenurine binnenkomen. In de woning is de lucht van kattenurine niet aanwezig. (...) Ik haal mijn was gelijk binnen wanneer ik merk dat de geur van kattenurine zich in mijn tuin verspreidt. (...) Het is zeker voorgekomen dat ik vanwege de kattengeur weg ben gegaan thuis. Omdat ik het onaangenaam vond. (...) Op een andere vraag van mr. Janssen antwoord ik dat het op warme zomerdagen voorkomt dat ik mijn ramen en deuren moet sluiten vanwege de kattengeur."

Getuige [P.], moeder van getuige [W.], heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard.

"Ik schat dat ik gemiddeld zo'n een keer per drie weken bij mijn dochter langskom. Het valt mij op dat er altijd een indringende kattenpieslucht hangt. Dat is al vanaf het begin dat mijn dochter daar woont, dus ruim drie jaar nu. De ernst wisselt wel, maar de lucht is nooit helemaal weg. (...) In de woning van mijn dochter ruik ik de kattenurine af en toe in de woonkamer wanneer ik daar op de bank zit. Vaker ruik ik de geur in de wc en het halletje. Ook in de tuin heeft mijn dochter last van de kattengeur. Als mevrouw [gedaagde] het raam opendoet moeten we naar binnen gaan. De geur is dermate onaangenaam en indringend, gewoon kattenstank, dat je buiten geen kopje koffie of glaasje wijn wil drinken. Bij het mooie weer in de maand mei jl. heb ik trouwens met mijn dochter buiten een kopje koffie gedronken. Dat ging wel goed. Als ik zelf een opmerking mag maken dan wil ik zeggen dat ik het jammer vind dat het al zo lang speelt. Mijn dochter heeft het geregeld over verhuizen maar eigenlijk vindt ze het te gek voor woorden dat zij zou moeten weggaan vanwege de overlast die mevrouw [gedaagde] veroorzaakt. Het zit haar hoog en het vergalt haar woonplezier."

Getuige [S.], huurder, heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard.

"(...) Een van de kamers van [gedaagde] zit recht boven mijn slaapkamer voor de kinderen. In het plafond daarvan zitten kringen van de kattenzeik. Ik heb dat [gedaagde] ook laten zien. Ik heb deze slaapkamer dan ook niet meer in gebruik. (...) Ik heb nog steeds veel last van de lucht wanneer ik bijvoorbeeld de tuin in ga of mijn keukendeur open zet. Als [gedaagde] een raam of deur open heeft dan komt de lucht je tegemoet en dan ga je maar weer naar binnen. Het is een onaangename lucht. Dit gebeurt geregeld, bijvoorbeeld gisteren nog. Ik heb toen gezien dat mevrouw [gedaagde] het raam open had en dan kan ik mijn tuin niet in.(...) De slaapkamer boven kan ik niet meer gebruiken. De geur zit in de wanden en het plafond. (..) De portiek valt de laatste tijd mee. Er wordt twee keer per week schoongemaakt en er wordt bleekmiddel of iets dergelijks bij gebruikt; het slaat op je keel. (...) Ik voel er niets voor om te verhuizen voor de overlast van een ander. (...) Op een vraag van mr. Janssen antwoord ik dat ik de geur ook wel in de woonkamer ruik, ook als ik de keukendeur dicht heb. (...) Mijn woongenot is aanmerkelijk minder geworden door de overlast. Bezoek wil ook niet komen, zoals een kameraad van me uit Vinkhuizen die tegen me zegt dat ik maar bij hem moet langskomen vanwege de kattengeur. Ook mijn dochter wil niet blijven logeren vanwege de lucht."

Getuige [T.], dienstverband bij Nijestee, heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard.

"(...) Ik was toen nog wijkbeheerder. Ik ga dan ook bij de mensen thuis langs en ik ben meerdere keren bij mevrouw [gedaagde] langs geweest vanwege de kattenlucht. Het was meestal een goed gesprek met mevrouw [gedaagde] en de intentie was ook wel aanwezig om wat aan de kattenlucht te doen. Maar na een poosje vervaagt zo'n afspraak weer en komt de overlast terug. (...) Als bouwkundige kan ik bovendien opmerken dat als er heel lang veel katten in een woning zijn de geur in alles door dringt en er bij het einde van de huur veel vervangen moet worden.. Dat zorgt voor hoge kosten.(...) Ik ben een maand of drie geleden nog bij de benedenbuurman van mevrouw [gedaagde] geweest, de heer [S.], vanwege een technische storing in de woning. Het viel mij onmiddellijk op dat het in de woning naar kattenurine rook. Ik ben door de voordeur en de hal, woonkamer, keuken via de achterdeur eruit gegaan en ik kon het ruiken. Of dat in de portiek ook zo was weet ik niet zeker. In de woning viel het mij op. Op uw vraag hoe het in de zomer is kan ik zeggen dat je dan eigenlijk niet goed buiten kan zijn daar. Als wijkbeheerder inspecteer ik geregeld het binnenterrein. (...) Ik zou er zelf niet naast willen wonen, ook al weet ik heel goed dat het in zo'n buurt geven en nemen is."

Getuige [Z.], werkzaam bij Nijestee, heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard.

"(...) Ik ben in maart 2006 onaangekondigd op bezoek geweest. (...) De woning zag er vies uit met veel kattenbakken en er heerste een enorme stank. De adem werd je benomen. Als je bij de voordeur staat in de portiek en de deur wordt opengedaan dan stroomt de kattenlucht in de portiek. (...) De portiek ruikt niet fris. Je ruikt de kattenlucht er doorheen. Als je binnenkomt weet je het meteen. Ik ben die keer ook achter de woning buiten geweest maar daar heb ik toen niks geroken. (...) Op een vraag van mr. Janssen antwoord ik dat ik ook bij meneer [S.] binnen ben geweest vanwege de klachten. Ik kon in de hal bij hem duidelijk een kattengeur ruiken. Op een andere vraag antwoord ik dat ik deze woning niet geschikt vind voor zoveel katten, het is geen pension of dierenasiel en het brengt schade toe. Ik heb al vaker meegemaakt dat wanden vervangen moesten worden vanwege kattenurine."

Getuige [K.], werkzaam bij Nijestee, heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard.

"Ik ben via mijn collega [Z.] bij deze zaak betrokken geraakt. Zij kwam er niet meer uit en een procedure stond op stapel. Ik ben toen samen met [Z.] op huisbezoek geweest bij de benedenbuurv[W.]. Het stonk enorm in de woning en de portiek en in de tuin. Het was tijdens een van de hittegolven in 2006. Ik kan beamen de klachten die in ieder geval door mev[W.] zijn geuit en kan me er alles bij voorstellen. Je kon ook niet zitten buiten vanwege de kattenlucht en je kon ook geen ramen open doen. (...)Ik heb vervolgens contact gezocht met mevrouw [gedaagde] en ben daar binnen geweest. Er heerste een enorme stank. Er waren afspraken over zeil, en het aantal kattenbakken, maar dat is in deze situatie niet toereikend. (...) Ik heb toen gezegd dat de katten weg moesten op drie na of dat het een rechtzaak werd. Ik merk op dat kattenurine overal intrekt en grote schade toebrengt aan het huis. Mevrouw [gedaagde] wilde de katten niet weg doen en stelde een afsterfbeleid voor. Maar daarmee kon ik niet tevreden zijn. We hebben ook nog gesproken over een tweede kans beleid. (...) Toevallig ben ik in verband met dit getuigenverhoor begin mei nog ik de portiek geweest Ook toen moest ik vast stellen dat het enorm stonk naar kattenpis."

in de contra-enquête

Getuige [gedaagde], partijgetuige, heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard.

"Ik ben jaren geleden in deze woning komen wonen. Ik had toen 27 katten en de woning-bouwvereniging wist daarvan, ook al wordt dat nu ontkend. De meeste katten zijn nu 12 jaar of ouder. Ik heb er nu nog 17. De katten zijn zeer belangrijk voor mij, maar ik zal nooit meer zoveel katten houden. Het is ook veel werk. Ik veroorzaak geen overlast voor de omwonenden. Ik verschoon elke 4e dag de kattenbakken en dweil iedere dag de portiek en gebruik daarbij eucalyptus. Ventileren doe ik als het regent of 's nachts om overlast te voorkomen. (...) Ik kan mij voorstellen dat er overlast is geweest toen de vuilcontainers nog niet geactiveerd waren. Daarvoor gebruikte ik vuilniszakken en als de vuilniswagen al was geweest dan moest ik die zakken op het balkon zetten. (...) Mevrouw [V.] heeft foto's van de portiek en de omgeving. Daarop valt te zien dat Nijestee de buurt niet goed onderhield en dat er veel katten in de buurt zijn, zowel sterfkatten als katten van de buren. De kattengeur kan dus heel goed van andere katten dan die van mij komen. (...) Over de verklaring van de heer [T.], waarin hij verklaart over hinderlijke geuren, kan ik opmerken dat dat in de periode was dat ik nog vuilniszakken op mijn balkon had staan. (...) Over de verklaring van de heer [S.] wil ik opmerken dat hij wat tegen mij heeft, ook al ontkent hij telkens.(...) Ik probeer werkelijk alles te doen om overlast te voorkomen. Op een enkeling na zijn de katten gecastreerd of gesteriliseerd en ik hanteer een afsterfbeleid. Ik voel me gediscrimineerd, ook door Nijestee. (...) Nu u mij de verklaring voorleest wil ik daar nog aan toevoegen dat toen mevrouw [Z.] op bezoek kwam er nog vloerbedekking lag van 10 jaar oud. Die is nu vervangen door zeil en laminaat. En toen [K.] op bezoek kwam,was ik juist bezig de kattenbakken te verschonen en stonden er 10 vuilniszakken in mijn woning. Het zal toen zeker sterk geroken hebben."

Getuige [C.], voormalig huurder, heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard.

"Ik heb ruim een jaar, van juli 2006 tot augustus 2007, op het [adres] gewoond. Dat betreft dezelfde portiek als waar mevrouw [gedaagde] woont. Mijn woning was daartegenover. (...) Ik woonde er zeven dagen per week; ik studeerde toen in Groningen. Ik weet dat mevrouw [gedaagde] veel katten heeft. Daar hebben wij het over gehad. Kattenbakken leveren nu eenmaal veel afval op en moeten worden verschoond. Als dat gebeurt, dan ruik je dat goed want dan zijn er veel vuilniszakken en die moeten naar de container worden gebracht. Vervolgens maakt mevrouw [gedaagde] het wel altijd snel schoon en is de geur weg. Als gezegd heb ik ruim een jaar gewoond en geen overlast ondervonden. (...) In de woning heb ik nooit kattengeur geroken. In de portiek wel als de kattenbakken werden verschoond. (...) Natuurlijk komt het voor dat de deur van mevrouw [gedaagde] open en dicht gaat en dat er dan kattengeur de portiek in komt. Maar ik kan niet zeggen dat er dan een walm de portiek in stroomt. Er is een klein balkonnetje aan de achterkant van de woning en ik heb daar in de zomer vaak gezeten. Na 12.00 uur kwam daar de zon en zat ik lekker een krantje te lezen. Ik heb aan de achterkant nooit iets gemerkt van kattenlucht."

Getuige [D.], thuisblijfmoeder, heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard.

"Ik woon sinds 5 jaar op het adres [adres]. Het betreft een bovenwoning. Tussen mijn woning en de woning van mevrouw [gedaagde] zit één woning. (...) Omdat ik geluidsoverlast ondervond ben ik daar wel eens gaan praten en ook toen heb ik niets gemerkt van kattenlucht in de woning. (...) Ik werk niet en ben dus veel thuis en maak bijna elke dag gebruik van de portiek en wel op verschillende tijden. Ik merk niets van kattengeur; het ruikt meestal naar schoonmaakmiddel. Het is nooit anders geweest bij mijn weten. (...) Mijn woning heeft een balkon en daar zit ik geregeld om een sigaretje te roken. Ik heb de deur naar het balkon en mijn ramen aan de achterkant bijna altijd open. Ik merk niets van kattengeur. U vertelt mij dat mevrouw [gedaagde] geregeld haar woning lucht 's avonds en als het regent. Ook daarvan heb ik nooit iets gemerkt en ik merk op dat ik aan de achterkant slaap."

Getuige [B.], huurder, heeft - voor zover hier van belang - het volgende verklaard.

"Ik woon sinds juli 2006 op het adres [adres]. Dat betreft dezelfde portiek als waar mevrouw [gedaagde] woont. De voordeuren grenzen aan elkaar. Er hangt in de portiek wel een kattengeur, maar die ervaar ik niet als storend. In mijn woning ruik ik het niet. Ik zit bij mooi weer vaak op het balkon aan de achterzijde van de woning, bijvoorbeeld om te lezen. Ik merk daar niet van kattenlucht. Misschien, bij een windvlaag, ruik je wel eens wat, maar dat valt allemaal wel mee. De geur in de portiek is er niet continue. Als de kattenbakken worden verschoond dan ruik je het. De dag erna hangt er nog wel een lichte geur, maar die vind ik niet penetrant of storend. (...) Ik ervaar geen last van kattengeur in de woning. U vertelt mij dat mevrouw [gedaagde] heeft verklaard dat zij 's avonds en als het regent de ramen open zet om te luchten. Ik kan daarover opmerken dat ik daar geen last van heb. (...) Ik ben, denk ik, een keer of drie in de woning van mevrouw [gedaagde] geweest. De eerste keren was de kattenlucht inderdaad sterk aanwezig. Gisteravond ben ik voor de woning geweest, de deur stond open, en naar mijn indruk was de geur minder sterk aanwezig dan de vorige keren. Op een vraag van mevrouw [gedaagde] antwoord ik dat ik ook in mijn slaapkamer, die vermoedelijk grenst aan de babykamer van nr. [nr.], geen last heb van de kattenlucht."

4. De plaatsbezichtiging

Op 29 januari 2007 heeft een plaatsbezichtiging in het gehuurde plaatsgevonden. De kantonrechter merkt daarover het volgende op.

In de gemeenschappelijk opgang naar de woning, de portiek, die kennelijk recent was gereinigd (er lagen nog plassen water), was wel iets maar niet veel van de kattenlucht te merken. In de woning van [gedaagde] was dit geheel anders. De woning van [gedaagde] betreft een betrekkelijk klein appartement met twee etages (woongedeelte en slaapkamers). [gedaagde] woont daar al jaren met rond de 20 katten (thans nog 17) van oud tot jong. De katten mogen niet naar buiten. In de woning zijn - verdeeld over de etages - tien kattenbakken aanwezig. De ramen waren gesloten. Bij het binnengaan van de woning kwam de kantonrechter een dermate sterke en penetrante katten- en kattenurinegeur tegemoet, dat hem in eerste instantie de adem werd ontnomen. Vervolgens heeft de kantonrechter nauwelijks nog adem durven halen. De kantonrechter heeft de hele woning bezichtigd. De onderhoudssituatie in de woning was dusdanig vies dat de kantonrechter, behalve dat hij nauwelijks adem kreeg, ook niets durfde aan te raken. Na de bezichtiging, die ongeveer een half uur geduurd heeft, was de kleding van de kantonrechter doordrongen van katten- en kattenurinegeur.

De beoordeling

5. De kantonrechter hecht grotere betekenis aan de verklaringen van de getuigen [W.] en [S.] dan aan de getuigenverklaringen van de zijde van [gedaagde] en [C.] en [B.]. [C.] en [B.] hebben in juli 2006 hun huurwoning betrokken en de dagvaarding in deze zaak dateert van september 2006. Aan te nemen valt dat [gedaagde] er sindsdien alles aan heeft gedaan de overlast te beperken zodat [C.] en [B.] daar niet veel over zullen kunnen verklar[W.] en [S.] zijn huurders die blijkens hun verklaringen al vele jaren rechtstreeks en bij voortduring in hun woongenot worden getroffen. De moeder[W.] verklaart in gelijke zin. Gelet op de eigen waarnemingen van de kantonrechter tijdens de plaatsbezichtiging kan hij zich daar alles bij voorstellen. De verklaringen[W.] en [S.] worden ondersteund door de vele producties, overgelegd bij de akte van

27 september 2006, en door de verklaringen van de getuigen [T.], [Z.] en [K.]. Weliswaar zijn laatstgenoemden bij Nijestee werkzaam, maar dat doet, mede gelet op de producties van Nijestee en de eigen waarnemingen van de kantonrechter, aan hun verklaringen niet af. De kattengeur in de woning van [gedaagde] is dermate sterk dat de kantonrechter de verklaringen, dat de geur van tijd tot tijd in de woningen van [W.] en [S.], maar ook in de portiek en buiten achter, doordringt, geloofwaardig acht. Daarbij hebben deze getuigen verklaard dat zij nog steeds last hebben van een kattengeur die hun woningen binnen dringt.

[C.] en [B.] hebben verklaard geen overlast te ondervinden, maar, als gezegd, gaat de kantonrechter ervan uit [gedaagde] sinds in ieder geval september 2006 er alles aan heeft gedaan de overlast te beperken. Dat kan evenwel aan de voordien veroorzaakte overlast niet afdoen. Bovendien grenst hun woning, anders dan bijvoorbeeld de woning van [S.], niet rechtstreeks aan de woning van [gedaagde]. De getuige [D.] woont niet in dezelfde portiek als [gedaagde] en zal om die reden reeds minder last hebben van de kattengeur. De verklaring van [gedaagde] als partijgetuige tot slot dient met enige voorzichtigheid te worden bekeken. Er zijn bovendien de nodige verklaringen die zijn verklaring tegenspreken. Voorts erkent [gedaagde] wel dat hij in het verleden overlast heeft veroorzaakt. Wel wil de kantonrechter aannemen dat [gedaagde] er tegenwoordig alles aan doet om de overlast te beperken.

6. De conclusie van de kantonrechter is dat de katten van [gedaagde] voor ernstige overlast hebben gezorgd en nog steeds zorgen - de inspanningen van [gedaagde] ten spijt - aan in ieder geval het woongenot van [W.] en [S.]. Zij worden in hun woningen, in de portiek en buiten veelvuldig geconfronteerd met een penetrante en hinderlijke katten- en kattenurinelucht. Deze overlast beperkt hen ook in het gebruik van hun woning nu zij deze soms 'ontvluchten' om even van de kattenlucht af te zijn; vrienden of kennissen komen liever niet op bezoek en [S.] heeft één kamer zelfs niet in gebruik. Deze overlast levert wanprestatie voor het verleden op die niet meer ongedaan kan worden gemaakt (vgl. HR 11 januari 2002, NJ 2003, nr. 255). Waar [gedaagde] vasthoudt aan een afsterfbeleid en niet bereid is gebleken op korte termijn het aantal katten terug te brengen naar - bijvoorbeeld - drie, moet ervan worden uitgegaan dat de overlast nog jaren zal voortduren. De omwonenden hoeven dit naar het oordeel van kantonrechter niet te accepteren.

7 Aan al het voorgaande doet niet af, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, dat Nijestee bij aanvang van de huur wist dat [gedaagde] zoveel katten had. Ook al zou Nijestee dit hebben geweten, dan staat het [gedaagde] nog niet vrij overlast te veroorzaken. Ook het feit dat er veel katten in de buurt zijn, kan aan het voorgaande niet af doen. Het is naar het oordeel van de kantonrechter geenszins aannemelijk dat die katten een dergelijke sterke en penetrante geur in de woningen van [W.] en [S.] veroorzaken. Tot slot is niet gebleken dat de omwonenden of Nijestee een hetze voeren tegen [gedaagde]; de overlast is reëel gebleken.

8. De slotsom is dat de kantonrechter de huurovereenkomst zal ontbinden. De kantonrechter zal daarbij aan [gedaagde] een termijn van vier weken toestaan om de woning te ontruimen nu het voor haar niet eenvoudig zal zijn met 17 katten op korte termijn andere passende woonruimte te vinden. De kantonrechter acht het billijk dat [gedaagde] enige tijd krijgt naar een oplossing te zoeken.

9. Nijestee heeft in haar conclusie na descente en enquête en contra-enquête de grondslag van haar eis aangevuld in de zin dat naast de door [gedaagde] veroorzaakte overlast [gedaagde] in strijd met artikel 7:213 BW het gehuurde schade toebrengt doordat de geur van kattenurine doordringt in de wanden. [gedaagde] heeft dit weersproken.

De kantonrechter merkt op dat gelet op hetgeen is overwogen in punt 8 deze grondslag geen verdere bespreking meer behoeft.

10. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen. Deze wijze van ontruimen berust niet op de wet. Artikel 556 lid 1 Rv schrijft voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Deze heeft geen rechterlijke machtiging nodig om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent hij reeds aan artikel 557 jo. 444 Rv.

11. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gesteld partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure zoals hierna in de beslissing zal zijn vermeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning [adres];

veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres] met alle daarin aanwezige personen en zaken (waaronder ook begrepen dieren), voor zover deze laatste geen eigendom zijn van Nijestee, binnen vier weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking aan Nijestee te stellen;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op heden gemaakt door Nijestee, welke kosten worden vastgesteld op € 84,87 voor de dagvaarding, € 281,00 voor het vastrecht en € 600,00 voor het salaris van de gemachtigde van Nijestee;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst - voor zover nodig - het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.J. Smits, kantonrechter, en op 3 april 2008 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: G.J.J.

Zaak\rolnummer: 304531 \ CV EXPL 06-10053 blad 7

vonnis