Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD3691

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
102563/KG ZA 08-187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Werkgevers in het openbaar vervoer en de bonden onderhandelen over een nieuwe CAO voor het openbaar vervoer, maar komen daar niet uit. Werknemers leggen met ingang van 1 juni 2008 het werk volledig neer. De drie noordelijke provincies en Rover starten een kort geding tegen de bonden en menen dat het grondrecht van werknemers op staking dient te worden afgewogen tegen de belangen van derden, in dit geval met name de belangen van reizigers; voortzetting van de staking zou grote schade toebrengen.

De voorzieningenrechter gebiedt de bonden hun leden te berichten dat in de periode 12 juni 2008 tot en met 12 augustus 2008 de stakingen in het openbaar vervoer onrechtmatig zijn voor zover deze stakingen ritten in de spits betreffen en dat het niet is toegestaan om gedurende die ritten de werkzaamheden te staken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 334
RAR 2008, 117
JAR 2008/178
AR-Updates.nl 2008-0366
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 102563 / KG ZA 08-187

Vonnis in kort geding van 10 juni 2008

in de zaak van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE GRONINGEN,

zetelende te Groningen,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE DRENTHE,

zetelende te Assen,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE FRYSLÂN,

zetelende te leeuwarden,

4. de vereniging

VERENIGING REIZIGERS OPENBAAR VERVOER,

gevestigd te Amersfoort,

eiseressen,

procureur mr. P. Koerts,

tegen

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING FNV BONDGENOTEN,

gevestigd en kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagde,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING CNV BEDRIJVENBOND,

gevestigd te Houten en kantoorhoudende te Utrecht,

gedaagde,

3. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

DE UNIE, VAKBOND VOOR INDUSTRIE EN DIENSTVERLENING,

gevestigd en kantoorhoudende te Culemborg,

gedaagde,

advocaten mr. L.C.J. Sprengers en mr. A. Schellart te Utrecht.

Partijen zullen hierna "de provincies en Rover" en "de bonden" genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met produkties;

- de fax van 10 juni 2008 met produkties afkomstig van mrs. Sprengers en Schellart;

- de fax van 10 juni 2008 van mr. Koerts betreffende de voeging van de provincie Fryslân aan de zijde van eisers in de onderhavige procedure;

- de fax van 10 juni 2008 van mr. Koerts betreffende de intrekking van de vorderingen ten aanzien van de bij dagvaarding van 10 juni 2008 tevens gedagvaarde vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Vereniging Werkgevers Openbaar Vervoer te Utrecht, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Arriva Personen Vervoer Nederland B.V. te Heerenveen en de naamloze vennootschap Connexxion Openbaar Vervoer N.V. te Haarlem, alsmede het faxbericht van mr. S.F. Sagel namens deze partijen dat zij met de intrekking instemmen;

- de mondelinge behandeling ter zitting van dinsdag 10 juni 2008, alwaar

mrs. Koerts, Leerink en Elgersma namens de provincies en Rover het woord hebben gevoerd, en mrs. Sprengers en Schellart namens de bonden het woord hebben gevoerd, waarbij mr. Sprengers zich heeft bediend van een pleitnota.

1.2. Een uur na sluiting van de behandeling ter zitting is mondeling uitspraak gedaan.

2. De feiten

2.1. De Vereniging Werkgevers Openbaar Vervoer enerzijds en FNV Bondgenoten, CNV Bedrijvenbond en De Unie anderzijds hebben een CAO openbaar vervoer gesloten, die gold van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007. Vanaf januari 2008 zijn er onderhandelingen geweest om te komen tot een nieuwe CAO openbaar vervoer.

De onderhandelingen over de nieuwe CAO zijn in april 2008 vastgelopen.

De werkgevers hebben het eindbod van de bonden afgewezen en de bonden hebben daarom een ultimatum uitgebracht waarin collectieve acties werden aangezegd tegen 27 april 2008 om 24.00 uur.

De bonden hebben 'publieksvriendelijke' acties georganiseerd om hun verlangens in de onderhandelingen kracht bij te zetten, maar die acties hebben niet geleid tot een oplossing.

Op 14 en 15 mei 2008 is een georganiseerde werkonderbreking gevolgd en op 20, 21, en 22 mei 2008 alsmede op 27, 28 en 29 mei 2008 is met het oog op examens in het voortgezet onderwijs alleen buiten de spits het werk neergelegd. Op zondag 1 juni 2008 is een algehele staking begonnen. Sindsdien rijdt er geen streekbus meer in de provincies Groningen, Drenthe en Fryslân.

2.2. De overheden in Groningen en Drenthe zijn, anders dan de meeste andere provincies, opbrengstverantwoordelijk. De financieringsstructuur van het openbaar vervoer is in deze provincies zodanig dat zij het risico dragen van minder, te weinig of zelfs geen reizigers. Als decentrale overheden hebben de provincies een maatschappelijke taak bij het opkomen voor de belangen van de burgers van de provincies.

2.3. De Vereniging Reizigers Openbaar Vervoer (Rover) stelt zich het volgende ten doel:

a. het behartigen van de belangen van de reizigers die gebruik maken van het openbaar vervoer en collectief vraagafhankelijk vervoer;

b. het bevorderen van de kwaliteit van het openbaar vervoer;

c. het bevorderen van de groei van het aandeel van het openbaar vervoer in het totaal van de verplaatsingen.

Rover wordt sinds de staking overspoeld met klachten van gedupeerde reizigers.

3. Het geschil

De provincies en Rover vorderen bij dagvaarding:

Primair:

1.

gedaagden te gebieden onverwijld, doch uiterlijk binnen 24 uur na betekening van het vonnis al hun leden te berichten dat de stakingen in het openbaar vervoer, dat wordt uitgevoerd ingevolgde de concessies als bedoeld in het lichaam van de dagvaarding sub 1.5, en overigens in de provincies Groningen en Drenthe, alsmede in de provincie Fryslân en/of openbaar vervoer in gevolgde door de provincie Fryslân verleende concessies, met ingang van 12 juni 2008 voor een maand zal worden opgeschort teneinde een afkoelingsperiode te creëren die nader overleg tussen werkgevers en werknemers mogelijk maakt, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 100.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat (één der) gedaagden met het voldoen aan dit gebod in gebreke (blijft) blijven;

2.

gedaagden te gebieden onverwijld, doch uiterlijk binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, tijdens de afkoelingsperiode als bedoeld in het primair sub 1 gevorderde, met de werkgevers in het streekvervoer in onderhandeling te treden teneinde het tussen hen bestaande geschil te beslechten, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 10.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat (één der) gedaagden met dit gebod in gebreke (blijft) blijven;

3.

gedaagden te gebieden na ommekomst van de maand als bedoeld in het primair sub 1 gevorderde als hun leden te berichten dat met ingang van 12 juli 2008 de stakingen in het openbaar vervoer, dat wordt uitgevoerd ingevolgde de concessies als bedoeld in het lichaam van de dagvaarding sub 1.5, en overigens in de provincies Groningen en Drenthe, alsmede in de provincie Fryslân en/of openbaar vervoer in gevolge de door de provincie Fryslân verleende concessies onrechtmatig zijn voorzover deze ritten betreffen die aanvangen dagelijks voor 10.00 uur des morgens c.q. eindigen na 15.00 uur des namiddags en dat het hun leden derhalve niet is toegestaan gedurende deze tijdsperioden op enigerlei wijze hun werkzaamheden te staken, zulks op straffe van een dwangsom van

EUR 100.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat (één der) gedaagden met het voldoen aan dit gebod in gebreke (blijft) blijven;

Subsidiair:

gedaagden te gebieden binnen 24 uur na betekening van dit vonnis al hun leden te berichten dat met ingang van 12 juni 2008 de stakingen in het openbaar vervoer, dat wordt uitgevoerd ingevolge de concessies als bedoeld in het lichaam van de dagvaarding sub 1.5, en overigens in de provincies Groningen en Drenthe, alsmede in de provincie Fryslân en/of openbaar vervoer in gevolge de door de provincie Fryslân verleende concessie onrechtmatig zijn voorzover deze ritten betreffen die aanvangen dagelijks voor 10.00 uur des morgens c.q. eindigen na 15.00 uur des namiddag en dat het hun leden derhalve niet is toegestaan gedurende deze tijdsperioden op enigerlei wijze hun werkzaamheden te staken, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 100.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat (één der) gedaagden met het voldoen aan dit gebod in gebreke (blijft) blijven.

Tevens vorderen de Provincies en Rover in alle gevallen gedaagden, hoofdelijk, des dat één betalende, de anderen zullen zijn gekweten, te veroordelen in de kosten van dit geding.

4. Het standpunt van eisers

De drie provincies en Rover stellen voorop dat het recht om te staken een grondrecht is, maar dat het als alle rechten niet absoluut is; beperkingen zijn (onder meer) toegelaten als dat noodzakelijk is voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen. De onderhavige staking maakt, aldus de eisende partijen, zodanig ernstig inbreuk op de rechten van derden en algemene belangen, dat een beperking dringend noodzakelijk is.

De algehele staking in het streekvervoer is inmiddels tien dagen gaande. Door tallozen die het openbaar vervoer gebruiken om naar school of werk te gaan of een medische voorziening te bezoeken, wordt schade geleden, waarbij in het bijzonder ook kan worden gedacht aan MBO-leerlingen die afrondende toetsen niet kunnen maken. Ook is er economische schade in het Noorden en wordt blijvende schade toegebracht aan het openbaar vervoer doordat mensen zich daarvan afwenden. Voorts lijden ook de provincies Groningen en Drenthe zelf schade doordat zij inkomsten uit het openbaar vervoer mislopen.

De patstelling in het arbeidsconflict moet worden doorbroken doordat gedurende een afkoelingsperiode van een maand de staking wordt opgeschort en de bonden verplicht worden met de werkgevers in het streekvervoer opnieuw te gaan onderhandelen. De werkgevers hebben kenbaar gemaakt een gebod van de rechter om door te onderhandelen vrijwillig na te zullen leven, hetgeen reden is geweest om de vordering in kort geding jegens die werkgevers in te trekken. Indien na deze maand nog geen oplossing is bereikt, mag de staking worden hervat, zij het slechts buiten de spitsuren in verband met de schade die een algehele staking oplevert.

5. Het verweer

De bonden weerspreken dat er grond is om het gevorderde toe te wijzen. De onderhavige staking is gevolgd op een periode waarin tevergeefs is getracht door middel van minder vergaande acties de werkgevers tot grotere toegeeflijkheid te brengen. Indien de rechter de zorgvuldige aanpak van de bonden zou afstraffen door een verbod van de staking louter vanwege de duur, wordt het de bonden onmogelijk gemaakt om via een geleidelijke opvoering van de druk op werkgevers en overheden hun eisen kracht bij te zetten. Materieel gezien zijn de provincies partij in het conflict en gelijk te stellen aan een werkgever; zij bepalen mede de uitkomst van het arbeidsconflict, zodat zij geen derde in de zin van artikel G van het ESH zijn. De bonden erkennen dat de stakingen overlast bezorgen, maar er is geen bewijs van aanmerkelijke schade die ingrijpen kan rechtvaardigen; van de in dezen in de jurisprudentie geëiste maatschappelijke ontwrichting is in het geheel geen sprake.

De eis om de bonden de verplichting op te leggen om in onderhandeling te treden met de werkgevers, ontbeert iedere juridische grondslag; deze eis is in strijd met het recht om vakbondsrechten onbelemmerd uit te oefenen. Om te onderhandelen is het niet noodzakelijk dat de acties worden opgeschort.

Tot slot is, voor zover zou worden geoordeeld dat tijdens de spitsuren niet mag worden gestaakt, de spits te ruim gedefinieerd; gebruikelijk is om deze te lokaliseren van zeven tot negen uur 's morgens en van vier tot zeven uur aan het eind van de dag.

6. Beoordeling

6.1. Uitgangspunt is dat de staking valt onder art. 6 aanhef, en onder 4, ESH (het recht op staking in gevallen van belangengeschillen). Dit uitgangspunt brengt mee dat deze staking, ondanks de (beoogde en/of op de koop toe genomen) schadelijke gevolgen in beginsel moet worden geduld als een rechtmatige uitoefening van het in deze verdragsbepaling erkende grondrecht.

6.2. Voor het oordeel dat een staking niettemin onrechtmatig moet worden genoemd, is alleen dan plaats indien zwaarwegende procedureregels ('spelregels') zijn veronachtzaamd dan wel - met inachtneming van de door art. G (voorheen art. 31) ESH gestelde beperkingen - op grond van afweging van alle omstandigheden van het gegeven geval dient te worden geoordeeld dat de bonden in redelijkheid niet tot deze actie hadden kunnen komen.

Dit laatste is slechts aan de orde als de staking, gelet op de zorgvuldigheid die krachtens art. 6:162 BW in het maatschappelijk verkeer in acht moet worden genomen ten aanzien van de persoon en de goederen van anderen, in zodanige mate inbreuk maakt op de in het eerste lid van art. G (voorheen art. 31) ESH aangewezen rechten van derden of algemene belangen dat beperkingen, maatschappelijk gezien, dringend noodzakelijk zijn. Of dit het geval is, is een vraag van proportionaliteit die slechts kan worden beslist door de bij de uitoefening van het grondrecht betrokken belangen af te wegen tegen die waarop inbreuk wordt gemaakt.

6.3. Bij zijn hiervoor bedoelde afweging moet de rechter in beginsel ervan uitgaan dat de voor de betrokken vakbond en haar leden bij de uitoefening van dat grondrecht betrokken belangen zwaarwegend zijn. De rechter behoort (in beginsel) niet te treden in de merites van de wederzijdse, ter zake van de aan de staking ten grondslag liggende belangengeschillen ingenomen standpunten.

6.4. Wat betreft de rechten van derden of algemene belangen die een beperking van de actievrijheid dringend noodzakelijk zouden maken, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

De tallozen die dagelijks gebruik maken van het openbaar vervoer ondervinden op zijn minst ongemak van de staking; heel veel kleinere ongemakken tezamen maken wel degelijk dat er kan worden gesproken van maatschappelijke schade. Voorts is een goed functionerend openbaar vervoer maatschappelijk van groot belang; een te lichtvaardig uitgeroepen algehele staking doet dat vervoer onbetrouwbaar zijn en brengt daarmee blijvende schade toe. Voorts is er de aanwezig te achten (maar overigens nauwelijks onderbouwde) schade van de provincies zelf.

Aan de bonden kan worden toegegeven dat er in de drie Noordelijke provincies geen sprake is van 'maatschappelijke ontwrichting', maar daarvan behoeft geen sprake te zijn wil kunnen worden ingegrepen.

6.5. De voorzieningenrechter merkt in dit verband nog op dat de drie provincies - hoezeer zij ook als concessieverschaffende overheden belanghebbend zijn bij dit arbeidsconflict - moeten worden aangemerkt als 'derden' in de zin van art. G (voorheen art. 31) ESH; de provincies bepalen immers niet welke arbeidsvoorwaarden in de CAO zullen worden vastgelegd.

6.6. De voorzieningenrechter acht, alles afwegend, een algehele staking met de schade van dien op dit moment niet in een redelijke verhouding staan tot het belang van de werknemers om voor hun rechten op te komen. Een staking die het streekvervoer niet geheel stillegt doordat in de spitsuren wél wordt gereden, is daarentegen niet als disproportioneel aan te merken: de schade van een dergelijke beperktere staking moet worden aanvaard.

Voorts geldt dat om uit de impasse van dit arbeidsconflict te komen, de bonden enige 'druk op de ketel' mogen houden. De sleutel van de oplossing ligt - gelet op de bepalende rol van de rijksoverheid in alles wat het streekvervoer en de rentabiliteit daarvan aangaat - weliswaar in Den Haag, maar staking is een grondrecht van werknemers, óók als het gaat om het op een 'derde' druk uitoefenen in een belangengeschil als het onderhavige.

6.7. De duur van de beperking van de uitoefening van het stakingsrecht bepaalt de voorzieningenrechter op twee maanden. Gedurende deze periode is een algehele staking disproportioneel te achten. Indien blijkt dat na ommekomst van deze termijn nog geen oplossing voor ligt, zal sprake zijn van een andere situatie waarin een nieuwe afweging aan de orde is.

6.8. Het onderdeel van de vordering dat ertoe strekt de bonden te veroordelen met de werkgevers in het streekvervoer in onderhandeling te treden, komt niet voor toewijzing in aanmerking. Een dergelijke veroordeling zou in dit geval een ontoelaatbare inbreuk vormen op de vrijheid van de bonden om te bepalen op welke wijze zij de belangen van hun leden wensen te behartigen.

6.9. Gelet op de beslissing dienen de eisende zowel als de gedaagde partijen te worden aangemerkt als ten dele in het ongelijk gesteld; daarbij past dat zij allen de eigen proceskosten dragen.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

7.1. gebiedt de bonden om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis hun leden te berichten dat over de periode 12 juni 2008 tot en met 12 augustus 2008 stakingen in het openbaar vervoer, dat wordt uitgevoerd ingevolgde de concessies als bedoeld in de dagvaarding sub 1.5., en overigens in de provincies Groningen en Drenthe, alsmede in de provincie Fryslân en/of openbaar vervoer in gevolge de door de provincie Fryslân verleende concessies, onrechtmatig zijn voor zover deze ritten betreffen die aanvangen dagelijks tussen 07.00 uur en 09.00 uur en tussen 16.00 uur en 19.00 uur en dat het hun leden derhalve niet is toegestaan betreffende deze ritten op enigerlei wijze hun werkzaamheden te staken, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) voor iedere dag of gedeelte van een dag dat één der bonden met dit gebod in gebreke blijft/blijven, zulks met een maximum van EUR 200.000,00 (zegge: tweehonderd duizend euro),

7.2. bepaalt dat ieder partij de eigen proceskosten draagt, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.3. verklaart het bepaalde onder 7.1. uitvoerbaar bij voorraad,

7.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2008.