Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD3559

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
AWB 07/880
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BI3127, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na hersteldmelding heeft verweerder verzuimd het arbeidsongeschiktheidspercentage en de daarbij behorende uitkering aan te passen. Ondanks telefonische meldingen van eiser, heeft verweerder gedurende een periode van bijna tweeënhalf jaar stilgezeten.

Gelet op de ernst van de nalatigheid van verweerder en het daardoor fors opgelopen onverschuldigd betaalde bedrag is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval niet zonder meer het standpunt heeft kunnen innemen dat volledige terugvordering dient plaats te vinden. Verweerder had zich bewust moeten zijn van de bevoegdheid om van terugvordering af te zien en dienen te motiveren waarom er onder genoemde omstandigheden geen dringende reden was om (deels) van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 07/880 WAO V12

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde mr. F.L. van Lelyveld,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), kantoor Groningen, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2006 heeft verweerder aan eiser gemeld dat hij vermoedelijk teveel uitkering had ontvangen. Per die datum is de betaling van de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO) op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% geschorst. Tevens ontvangt eiser per die datum een voorschot op zijn WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

Bij besluit van 2 januari 2007 heeft verweerder het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser aangepast van 80-100% tot 45-55% en de aan eiser toegekende WAO-uitkering met ingang van 1 april 2004 herzien.

Bij besluit van 31 januari 2007 vordert verweerder hetgeen als gevolg daarvan over de periode 1 april 2004 tot en met 31 augustus 2006 onverschuldigd aan eiser is uitgekeerd tot een bedrag van € 21.911,64 van eiser terug.

Eiser heeft bij brief van 14 maart 2007 bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 2 januari 2007 en 31 januari 2007.

Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren nader toe te lichten tijdens een hoorzitting, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De gemachtigde van eiser en verweerder hebben de bezwaren wel telefonisch besproken.

Bij besluit van 10 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar, voor zover dit was gericht tegen het besluit van 2 januari 2007, niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Verweerder heeft het bezwaar, voor zover dat was gericht tegen het besluit van 31 januari 2007, ongegrond verklaard.

Bij brief van 20 augustus 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 26 september 2007 heeft eiser zijn beroepsgronden ingediend.

Op 30 oktober 2007 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Afschriften van gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen toegezonden.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 22 mei 2008.

Eiser en zijn gemachtigde zijn aldaar verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W.R. Bos.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Feiten en standpunten

Eiser heeft in de periode voor 1 april 2004 een WAO-uitkering ontvangen op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Op 1 april 2004 heeft een hersteldmelding plaatsgevonden in die zin dat per die datum eisers mate van arbeidsongeschiktheid 45-55% was. De werkgever heeft het salaris aangepast. De hersteldmelding is niet bij de juiste afdeling van verweerder terecht gekomen. Eiser heeft ook na de hersteldmelding dezelfde WAO-uitkering ontvangen als voorheen.

Op 1 september 2006 is de WAO-uitkering van eiser opgeschort en per die datum ontving eiser een voorschot op zijn WAO-uitkering op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Bij besluit van 2 januari 2007 is het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 1 april 2004 herzien tot 45-55%. Bij besluit van 31 januari 2007 vordert verweerder terug hetgeen in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 augustus 2006 onverschuldigd aan eiser is uitgekeerd. Het betreft een bedrag van € 21.911,64.

Ten aanzien van het terugvorderingsbesluit van 31 januari 2007 stelt eiser dat dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, aangezien het niet aan zijn fout is te wijten dat hij teveel uitkering ontving. Bovendien is de terugvordering in strijd met de rechtszekerheid, omdat verweerder hem heeft verzekerd dat eiser de juiste uitkering ontving.

Met betrekking tot het terugvorderingsbesluit erkent verweerder dat het aan hem te wijten is dat eiser teveel WAO-uitkering heeft ontvangen. Dit leidt echter niet tot een dringende reden om van terugvordering af te zien, aangezien daarvan alleen sprake kan zijn als het tot onaanvaardbare sociaal-financiële gevolgen leidt voor de betrokkene, zoals reeds verschillende malen is bevestigd in uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Hiervan is geen sprake, omdat bij de terugvordering rekening wordt gehouden met het inkomen van eiser.

3.2 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 36a, eerste lid onder c, WAO herziet verweerder de uitkering indien deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 57, eerste lid, WAO wordt de uitkering die onverschuldigd is betaald door verweerder teruggevorderd.

Ingevolge artikel 57, vierde lid, WAO kan verweerder besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Regeling betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging boeten (Terugvorderingsregeling) dient de vordering door middel van periodieke betalingen of verrekeningen binnen 36 maanden te worden voldaan.

Ingevolge artikel 5, vijfde lid, Terugvorderingsregeling dient de schuldenaar zijn vermogen aan te wenden indien hij de vordering niet binnen 36 maanden volledig zal kunnen voldoen.

3.3 Ten aanzien van het geschil

De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit bestaat uit twee deelbesluiten, te weten de niet-onvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2007 en de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2007.

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het beroep zich richt tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2007. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 2 januari 2007 is daarom niet langer onderwerp van geschil. Het besluit van 2 januari 2007 is derhalve onherroepelijk geworden en daarom staat in rechte vast dat in de periode van 1 april 2004 tot en met 31 augustus 2006 teveel WAO-uitkering, ten bedrage van € 21.911,64, aan eiser is uitgekeerd.

De rechtbank zal in het navolgende het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit beoordelen.

Op grond van artikel 57, eerste lid, WAO is verweerder verplicht om het teveel uitgekeerde terug te vorderen. Dit is slechts anders indien er dringende redenen aanwezig zijn om van terugvordering af te zien. De vraag is of daar in dit geval sprake van is.

De hersteldmelding op 1 april 2004 is, zoals ter zitting namens verweerder is erkend, niet naar de juiste afdeling doorgestuurd, waardoor de WAO-uitkering van eiser niet is aangepast. Eiser heeft hierover verschillende malen telefonisch contact gezocht met verweerder, maar hem werd, steeds door een andere medewerker, verzekerd dat hij de juiste uitkering ontving. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting betwist dat er telefonisch contact is geweest met eiser, aangezien hiervan geen telefoonnotities in het dossier aanwezig zijn. De rechtbank acht deze betwisting te algemeen van aard en gaat hier daarom aan voorbij. De rechtbank acht de verklaring van eiser aannemelijk.

Verweerder heeft na de hersteldmelding gedurende een periode van bijna tweeënhalf jaar stilgezeten, ondanks de telefonische meldingen van eiser. Het gevolg hiervan is dat het teveel uitgekeerde bedrag fors is opgelopen. De rechtbank is daarom van oordeel dat er in dit geval sprake is van ernstige nalatigheid van verweerder.

De Centrale Raad van Beroep heeft in meerdere uitspraken aangegeven dat de dringende redenen om van terugvordering af te zien, moeten zijn gelegen in de gevolgen van terugvordering voor de betrokkene en dat een fout van het uitvoeringsorgaan op zichzelf geen dringende reden oplevert (zie onder meer CRvB 26 januari 2007, LJN: AZ8120 en CRvB 6 september 2002, LJN: AE8699). Gelet echter op de ernst van de nalatigheid van verweerder en het daardoor fors opgelopen onverschuldigd betaalde bedrag, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval niet zonder meer het standpunt heeft kunnen innemen dat volledige terugvordering dient plaats te vinden. Verweerder had zich bewust moeten zijn van de bevoegdheid om van terugvordering af te zien en dienen te motiveren waarom er onder genoemde omstandigheden geen dringende reden was om (deels) van terugvordering af te zien.

Eén en ander betekent dat verweerder het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit, onvoldoende heeft gemotiveerd.

Gelet op het voorgaande zal het beroep van eiser gegrond worden verklaard. Wegens strijd met artikel 7:12 Awb zal het bestreden besluit gedeeltelijk worden vernietigd, namelijk voor zover het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2007 ongegrond wordt verklaard. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing op dit bezwaar te nemen, met inachtneming van bovenstaande overwegingen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen om de proceskosten van eiser en het door hem betaalde griffierecht van € 39,- te vergoeden. Het UWV zal deze kosten aan eiser dienen te betalen. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank de proceskosten op € 648,50 zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2007;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2007 dient te nemen;

- bepaalt dat het UWV aan eiser het betaalde griffierecht van € 39,- dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, welke zijn vastgesteld op € 648,50 en bepaalt dat het UWV deze kosten aan eiser dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 4 juni 2008 in tegenwoordigheid van L.D. Haandrikman als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.