Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD2873

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
30-05-2008
Zaaknummer
93516/HA ZA 07-379
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Florence en OOCC zijn overeengekomen dat laatstgenoemde de aanvraag voor subsidie uit het Europees Sociaal Fonds met betrekking tot de subsidieregeling ESF-3 bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zou indienen.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 6:2 en 6:248 BW behoorde het tot de verplichtingen van OOCC om, toen van de zijde van genoemd Ministerie het subsidieplafond werd vastgesteld, prompt en wel vóór de officiële bekendmaking van dat besluit in de Staatscourant tot indiening van de aanvraag van Florence over te gaan. Door dat na te laten is OOCC haar verplichtingen niet nagekomen en is zij aansprakelijk voor de door Florence tengevolge daarvan geleden schade. Het beroep van OOCC op de in de overeenkomst opgenomen exoneratieclausule wordt afgewezen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is in dit geval een beroep op die clausule niet aanvaardbaar. De zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 93516 / HA ZA 07-379

Vonnis van 21 mei 2008

in de zaak van

de stichting

STICHTING ZORGGROEP FLORENCE,

gevestigd te [plaatsnaam]

eiseres,

procureur mr. P.E. Mazel,

advocaat mr. G.C.W. van der Feltz te 's-Gravenhage,

tegen

de stichting

STICHTING OPLEIDINGS EN ONTWIKKELINGSFONDS VOOR DE CALL CENTER SECTOR,

gevestigd te [plaatsnaam],

gedaagde,

procureur mr. T.S. Plas,

advocaat mr. M.C.S. de Boer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Florence en OOCC genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 juni 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 24 september 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. De zaak is op de voet van het bepaalde in artikel 15 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verwezen naar de meervoudige kamer.

2. De feiten

2.1. Florence is een instelling die in Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Rijswijk, Voorschoten en Wassenaar thuiszorg, verzorgingshuiszorg en jeugdgezondheidszorg biedt.

2.2. Tot de activiteiten van OOCC behoort onder meer het in het kader van subsidies ten behoeve van een uitvoerder fungeren als aanvrager. OOCC is door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen als mogelijke aanvrager voor subsidies uit het Europees Sociaal Fonds met betrekking tot de subsidieregeling ESF-3.

2.3. Tussen Florence, als uitvoerder, en OOCC, als aanvrager, is een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de aanvraag van subsidie voor het project “Scholing en Werkenden” van Florence (hierna: de overeenkomst).

Subsidie van scholingsprojecten was mogelijk in het kader van een subsidieprogramma van de Europese Sociale Fondsen, meer in het bijzonder de derde tranche die betrekking heeft op het tijdvak 2004-2007 (hierna: ESF-subsidie).

De ESF-subsidieregeling werd uitgevoerd door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris). Volgens de regeling konden aanvragen voor subsidie tot 31 december 2007, ook met terugwerkende kracht, worden ingediend.

2.4. In de overeenkomst, gedateerd 25 oktober 2005, en de daarbij behorende aanvulling is onder meer het volgende bepaald:

Algemene titel

Het OOCC dient de belangen van de Uitvoerder in termen van goed huisvaderschap en staat garant voor het tijdig en correct indienen van de declaraties bij het agentschap van ESF.

Artikel 1: De aanvraag

1. Het OOCC zal een aanvraag om ESF-subsidie indienen bij het Agentschap SZW conform de door de Uitvoerder (rechtbank: Florence) opgestelde bijlage 1 (rechtbank: de beschrijving van het projectdoel, de doelgroepen en de met het project nagestreefde resultaten) ………

2. Het OOCC zal na ontvangst van de beslissing van het Agentschap SZW op de subsidieaanvraag de Uitvoerder schriftelijk berichten.

3. ………

Artikel 2: Bijdrage kosten van het OOCC

A. De kosten van de aanvraag

1. De Uitvoerder betaalt voor indiening van de subsidieaanvraag bij het Agentschap SZW aan het OOCC een bijdrage in de kosten van de aanvraag van € 5.000,- te vermeerderen met BTW. De bijdrage wordt binnen 14 dagen na factuurdatum voldaan.

B. De overige kosten

2. Daarnaast betaalt de Uitvoerder een bijdrage in de kosten van het secretariaat en de administratie voor de uitvoering van het project waarvoor ESF-subsidie is aangevraagd.

3. Uitvoerder en OOCC fixeren de in artikel 2 lid 2 bedoelde bijdrage op een percentage van 1%, gebaseerd op het in de beschikking subsidieverlening genoemde bedrag onder de noemer ‘totale projectkosten’. De aan de projectomvang gerelateerde fee wordt vermeerderd met BTW. Dit is onder voorbehoud dat de aanvraag door het Agentschap SZW wordt geaccepteerd en de subsidie daadwerkelijk wordt verstrekt.

4. De uitvoerder betaalt deze bijdrage binnen 14 dagen na verzenddatum van de kennisgeving van het OOCC, zoals genoemd in artikel 1 lid 2.………”

Artikel 9: Aansprakelijkheid

1. Partijen sluiten de mogelijkheid om het OOCC aansprakelijk te stellen voor eventuele tekortkomingen in haar werkzaamheden uit.

2. ………

2.5. In bijlage 9 bij de aanvraag van de ESF-3 subsidie is de subsidie door Florence begroot op een bedrag van EUR 1.994.617,28.

2.6. Op 26 oktober 2005 heeft OOCC Florence gefactureerd voor een bedrag van EUR 5.950,00. Op de factuur staat onder meer vermeld:

“Conform de overeenkomst met OOCC.nl, artikel 2 brengen wij uw bijdrage in rekening.”

2.7. Op vrijdag 28 oktober 2005 heeft de Staatssecretaris zijn besluit van 27 oktober 2005 bekend gemaakt, inhoudende dat aanvragen voor de ESF-3 subsidie met onmiddellijke ingang niet meer konden worden ingediend. Dit besluit wordt ook wel aangeduid als het “sluiten van het ESF-loket”.

2.8. Partijen hebben naar aanleiding van het op 28 oktober 2005 bekend worden van het sluiten van het ESF-loket telefonisch contact gehad.

2.9. Bij brief van 28 oktober 2005 heeft Florence aan de Staatssecretaris onder meer meegedeeld:

“Helaas hebben wij heden ochtend het bericht ontvangen dat aanvragen voor ESF-subsidie met onmiddellijke ingang niet meer in behandeling worden genomen. Wij willen tegen deze vorm van onbehoorlijk bestuur ernstig bezwaar maken.

…………

Uiteindelijk is het O&Ofonds van OOCC bereid gevonden onze aanvraag in behandeling te nemen. De aanvraag zouden wij a.s. maandag (voor 1 november 2005) bij het agentschap SZW indienen.

…………

Wij vertrouwen erop dat u zorgt dat onze aanvraag, die wij a.s. maandag inzenden, alsnog in behandeling zal worden genomen.

…………”

2.10. OOCC heeft bij email van 31 oktober 2005 het volgende aan Florence bericht:

“Hierbij deel ik u mede dat het bestuur van OOCC hedenochtend (maandag 31 oktober 2005) besloten heeft om geen verdere medewerking te verlenen aan het indienen van ESF aanvragen.

Dit houdt in dat wij de procedure voor het indienen van uw ESF aanvraag moeten beëindigen. Reeds betaalde facturen zullen worden gerestitueerd.”

2.11. Middels haar email van 31 oktober 2005 heeft Florence aan de Staatssecretaris door tussenkomst van het Agentschap SZW (hierna: het Agentschap) onder meer het volgende bericht:

“…………

Uiteindelijk is het O&Ofonds van OOCC bereid gevonden onze aanvraag in behandeling te nemen. Deze zouden wij vandaag (31-10-2005) indienen. Naar aanleiding van uw berichtgeving heeft het O&Ofonds vandaag besloten geen aanvragen meer in te dienen. Vandaar dat we nu rechtstreeks het project indienen de accountant heeft het gecontroleerd en accoord bevonden.

Wij hebben ondanks het negatief advies toch besloten de aanvraag in te dienen, om in ieder geval aan te tonen dat wij een aanvraag hebben gedeponeerd. Wij vernemen graag van u of dat u onze aanvraag heeft ontvangen en of u deze in behandeling neemt.

…………”

2.12. Bij brief van 9 november 2005 aan het Agentschap heeft Florence onder meer meegedeeld:

“…………

Wij hebben toch besloten de aanvraag in te dienen, om in ieder geval aan te tonen dat wij een aanvraag hebben gedeponeerd. Op 31 oktober 2005 om 16.25 uur hebben wij onze aanvraag per mail aan u gestuurd, met het verzoek tot bevestiging van ontvangst (zie bijlage). Helaas hebben wij geen bevestiging mogen ontvangen, derhalve zend ik u onze aanvraag van 31 oktober alsnog per aangetekend schrijven. Wij vernemen graag van u of u onze aanvraag heeft ontvangen en of u deze in behandeling neemt.

…………”.

2.13. In haar brief van 30 november 2005 heeft Florence aan OOCC meegedeeld:

“Hierbij bevestig ik u ons telefonisch onderhoud d.d. 28 oktober en 31 oktober 2005. Hierin heeft u ons meegedeeld dat u onze ESF-subsidieaanvraag niet zou gaan insturen. Hiermee vervalt de toegezonden factuur, factuurnummer 05.393, d.d. 26 oktober 2005, ad € 5950,00.

Ik verzoek u vriendelijk ten behoeve van deze factuur een creditfactuur te sturen.

............”.

2.14. OOCC heeft bij ongedateerde brief, door Florence op 2 december 2005 ontvangen, aan Florence onder meer meegedeeld:

“Het bestuur van de stichting Opleidings- & Ontwikkelingsfonds Call Centers heeft kennisgenomen van het besluit dat de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft genomen. Het is, vanaf 28 oktober 2005 09.00 uur, helaas niet meer mogelijk ESF-3 subsidie aan te vragen. Dit besluit is onherroepelijk.

Uw definitieve aanvraag is helaas na bovengenoemde datum en tijdstip bij ons binnengekomen en kan helaas niet meer in behandeling worden genomen.

…………”.

2.15. Florence heeft bij brief van 12 december 2005 als reactie op de hiervoor onder randnummer 2.14. geciteerde brief aan OOCC onder meer meegedeeld:

“…………

1. de definitieve aanvraag was reeds in uw bezit op donderdag 27 oktober 2005 en u had 2 dagen de tijd gevraagd om de aanvraag te beoordelen.

2. toen wij het bericht van de staatssecretaris ontvingen op 28 oktober 2005, hebben wij er bij u op aangedrongen de aanvraag alsnog diezelfde dag te verzenden. U heeft hiermee ingestemd.U zou de aanvraag echter pas maandag 31oktober bij het sectorfonds indienen omdat om u bekende redenen het versturen op 28 oktober niet mogelijk was.

3. Maandag 31 oktober 2005 berichtte u, geheel in tegenspraak tot onze afspraak van 28 oktober 2005, dat u de aanvraag om uw moverende redenen niet wenste te verzenden. Hierdoor waren wij genoodzaakt onze aanvraag zelf bij het sectorfonds in te dienen.

4. Arcares wees ons later op het feit dat het besluit pas bekend is gemaakt in de Staatscourant van 1 december 2005 (rechtbank: bedoeld zal zijn 1 november 2005). Derhalve is het besluit van de staatssecretaris formeel ingegaan op 1 november 2005. Indien u bereid was geweest onze aanvraag toch in te dienen, had onze aanvraag onder de termen gevallen en was in juridische zin kansrijk.

5. ............

............”.

2.16. De Staatssecretaris heeft door tussenkomst van het Agentschap bij brief van

17 januari 2006 onder meer de ontvangst van de (hiervoor onder randnummer 2.11. genoemde) brief van Florence van 31 oktober 2005 bevestigd en meegedeeld:

“............

Voor wat betreft uw verzoek om interventie van mijn kant om op enigerlei wijze een oplossing te beiden voor de knelpunten bij uw aanvraag c.q. sector, moet het antwoord daarop helaas zijn dat geen enkele na 28 oktober, 9:00 uur door het Agentschap SZW ontvangen aanvraag voor ESF-subsidie nog in behandeling kan worden genomen.

............”.

2.17. OOCC heeft bij brief van 23 januari 2006 aan Florence als reactie op de hiervoor onder 2.15 geciteerde brief onder meer het volgende bericht:

“............

Het Agentschap heeft aan OOCC op 28 oktober 2005, tijdens een persoonlijk onderhoud in Zwolle, laten weten dat zij met onmiddellijke ingang geen aanvragen meer in behandeling zou nemen.

Het OOCC had geen enkele reden of aanleiding om de woorden van het Agentschap in deze in twijfel te trekken. Er zijn daarom meerdere aanvragen blijven liggen omdat het Agentschap deze toch niet meer in behandeling zou nemen. Het feit dat één en ander nu achteraf kennelijk nu in een ander daglicht is komen te staan, kan aan het OOCC die volstrekt te goeder trouw heeft gehandeld, niet worden tegengeworpen.

Dit bovenstaande staat nog los van het feit dat u op de hoogte was van het feit dat OOCC een aanvraag pas zou doorsturen als aan alle (financiële) verplichtingen door uw organisatie zou zijn voldaan; hetgeen op dat moment niet het geval was.

............”.

2.18. De Staatssecretaris heeft aanvragen die na 28 oktober 2005 te 09.00 uur waren ingediend afgewezen. Het door aanvragers daartegen gemaakte bezwaar is door de Staatssecretaris ongegrond verklaard. Na beroep bij diverse rechtbanken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in hoger beroep bij uitspraak van 3 januari 2007 (LJN: AZ5491) onder meer geoordeeld dat:

“het besluit van 27 oktober 2005 tot het vaststellen van een subsidieplafond voor projecten als bedoeld in artikel 3m eerste lid, onderdelen a tot en met c en e tot en met g van de Subsidieregeling ESF-3 eerst op 1 november 2005 in de Staatscourant [is] bekendgemaakt en gelet op het bepaalde in artikel 3:40 Awb op dezelfde dag in werking getreden.

De Staatssecretaris heeft vervolgens besloten dat alle aanvragen die tussen 28 oktober en

1 november 2005 zijn gedaan opnieuw in behandeling zullen worden genomen, althans voor zover tegen de eerdere afwijzing van zulke aanvragen bezwaar is gemaakt.

2.19. Florence heeft OOCC op 19 mei 2006 en op 15 februari 2007 schriftelijk gesommeerd haar aansprakelijkheid te erkennen voor de schade die Florence heeft geleden en nog zal lijden door de wijze waarop OOCC (geen) uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst terzake van de indiening van de aanvraag voor ESF subsidies in oktober 2005 en haar bij gebreke van die erkenning in gebreke gesteld.

Bij brief van 6 maart 2007 heeft OOCC iedere aansprakelijkheid afgewezen.

2.20. Florence heeft het project “Scholing en Werkenden” uitgevoerd.

3. Het geschil

3.1. Florence vordert bij vonnis:

- voor recht te verklaren dat OOCC is tekort geschoten in de nakoming van haar overeenkomst met Florence door niet uiterlijk op 31 oktober 2006 (rechtbank: bedoeld zal zijn 2005) de aanvraag van Florence in te dienen bij het Ministerie van Sociale Zaken, Agentschap SZW en

- OOCC te veroordelen tot vergoeding van de door Florence dientengevolge geleden schade, op te maken bij staat, en

- OOCC te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. OOCC voert verweer en concludeert Florence niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, dan wel haar deze te ontzeggen, met veroordeling van Florence in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De standpunten van partijen

4.1. Florence voert -samengevat- het volgende aan.

4.1.1. Florence stelt zich -primair- op het standpunt dat, ook los van het feit dat de Staatssecretaris op 28 oktober 2005 zijn besluit van 27 oktober 2005 tot sluiting met onmiddellijke ingang van het ESF-loket heeft bekend gemaakt en het feit dat zij op eerstgenoemde datum OOCC uitdrukkelijk heeft gevraagd om onmiddellijk uitvoering te geven aan de overeenkomst, het door OOCC indienen van die aanvraag bij het Agentschap de kern van de door OOCC te verrichten prestatie was. Op die grond komt een beroep van OOCC op artikel 9 van de overeenkomst (hiervoor onder randnummer 2.4. geciteerd), inhoudende uitsluiting van aansprakelijkheid van OOCC voor eventuele tekortkomingen in haar werkzaamheden (hierna: het exoneratiebeding), niet toe.

4.1.2. Florence voert aan dat bij het voorgaande nog komt, dat het een feit van algemene bekendheid is dat het met onmiddellijke ingang stoppen van een subsidie, zoals in casu is geschied, een betwistbare zaak is. OOCC had als professionele organisatie gelet daarop en op de commotie die de sluiting van het loket destijds in subsidieland gaf -ook zonder toezegging of verzoek dat te doen- tot onmiddellijke indiening van de aanvraag moeten overgaan.

4.1.3. Met haar brief van 30 november 2005 (hiervoor onder randnummer 2.13. geciteerd) heeft zij niet -zoals OOCC stelt- de opdracht ingetrokken. Die brief is, niet meer dan een logische administratieve handeling geboden door het feit dat OOCC niet meer kon presteren.

4.1.4. Subsidiair neemt Florence het standpunt in dat OOCC aan haar verplichtingen niet heeft voldaan door in strijd met de bij monde van haar medewerker [naam] gedane toezegging de aanvraag niet op maandag 31 oktober 2005 in te dienen. Zonder nader overleg heeft genoemde medewerker bij e-mail van 31 oktober 2005 laten weten “geen verdere medewerking te verlenen aan het indienen van ESF aanvragen.” en “de procedure voor het indienen van uw ESF aanvraag [te] beëindigen.”.

4.1.5. De stelling van OOCC dat de door haar eerst op 28 oktober 2005 ontvangen aanvraag vóór indiening door haar nog moest worden getoetst en daarvoor door de sluiting van het ESF-loket de tijd ontbrak, is onjuist. Florence had de aanvraag al, vóórdat de opdracht aan OOCC was gegeven, voor eigen rekening laten toetsen.

4.2. OOCC heeft -samengevat- het volgende aangevoerd.

4.2.1. OOCC voert aan dat, alhoewel het op zich juist is dat een zogeheten kernprestatie niet onder een exoneratiebeding valt, het niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat zij zich in het onderhavige geval daarop beroept. Partijen zijn niet overeengekomen dat de aanvraag vóór een bepaalde datum, gelegen vóór de uiterlijke datum 31 december 2005 waarop conform de ESF-subsidieregeling aanvragen moesten zijn ingediend, moest worden ingediend. Voor een niet te voorzien geval als het onderhavige -sluiting van het subsidieloket- is de exoneratie juist bedoeld.

4.2.2. Het is, anders dan Florence stelt, geen feit van algemene bekendheid dat ondanks de sluiting van een subsidieloket nog tot indiening van een aanvraag kan worden overgegaan. In ieder geval was dat toentertijd bij OOCC niet bekend.

4.2.3. Daarbij komt dat in artikel 2 van de overeenkomst (hiervoor geciteerd onder randnummer 2.4.) is bepaald dat Florence vóór indiening van de aanvraag en wel binnen 14 dagen na de betreffende factuur van OOCC een bijdrage in de kosten van de aanvraag van EUR 5.000,00 diende te betalen. Op 26 oktober 2005 heeft OOCC Florence voor genoemd bedrag, vermeerderd met BTW, gefactureerd en Florence heeft die factuur niet betaald.

Ook was OOCC in alle redelijkheid en billijkheid niet in staat de door haar op 28 oktober 2005 van Florence ontvangen aanvraag op zo korte tijd voor de indiening te beoordelen

4.2.4. Door te stellen dat OOCC verplicht was de aanvraag op of vóór 31 oktober 2005 in te dienen brengt Florence een niet overeengekomen verplichting onder de werking van de overeenkomst. Voor een niet overeengekomen verplichting geldt dat die niet behoort tot de kernprestatie van de overeenkomst.

4.2.5. Voorts betwist OOCC dat Florence op 28 oktober 2005, toen zij Florence telefonisch informeerde over de sluiting van het ESF-loket, Florence haar heeft verzocht om de subsidieaanvraag vervroegd in te dienen en haar zou zijn toegezegd dat de aanvraag op 31 oktober 2005 zou worden ingediend. Met name uit het feit dat Florence na sluiting van het ESF-loket zelf de aanvraag heeft ingediend en uit de inhoud van haar brief van 30 november 2005 blijkt veeleer dat Florence, in reactie op die informatie van OOCC over de sluiting van ESF-loket, er ook zelf van is uitgegaan dat de aan OOCC verstrekte opdracht was ingetrokken.

5. De beoordeling

5.1. De rechtbank gaat allereerst in op de vraag of OOCC is tekort gekomen in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

5.1.1. De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de tekst van de overeenkomst blijkt niet expliciet dat partijen een datum zijn overeengekomen waarvóór de aanvraag voor de ESF-subsidie door OOCC bij het Agentschap moest worden ingediend.

In artikel 2 van de overeenkomst is met betrekking tot de indiening (slechts) bepaald, dat Florence de overeengekomen bijdrage in de kosten van de aanvraag vóór indiening daarvan bij het Agentschap, en wel binnen 14 dagen na de betreffende factuurdatum, moest betalen.

Voorts valt uit de gedingstukken op te maken dat de aanvraag van de ESF-subsidie tot 31 december 2007 bij het Agentschap kon worden ingediend.

5.1.2. Op grond van onder meer het bepaalde in de artikelen 6:2 en 6:248 BW dienen partijen bij een verbintenisscheppende overeenkomst als de onderhavige zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid. Naargelang de aard van de overeenkomst, de belangen van ieder der partijen en de omstandigheden van het geval kunnen uit de redelijkheid en billijkheid ook andere dan de overeengekomen verplichtingen uit een overeenkomst voortvloeien. Met andere woorden: rechtsbetrekkingen tussen partijen worden -mede- beheerst door redelijkheid en billijkheid

In dit licht bezien ligt de vraag voor of OOCC, nu partijen geen datum zijn overeengekomen waarvóór zij haar prestatie (het indienen van de aanvraag) diende te verrichten, gehouden was tot het op 28 oktober 2005 of uiterlijk op 31 oktober 2005 indienen van de aanvraag en, door dat na te laten, is tekort gekomen in de nakoming van haar verplichtingen.

5.1.3. Allereerst is van belang, dat vaststaat dat OOCC door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als aanvrager voor ESF-subsidies is aangewezen en, naar kan worden aangenomen en gelet ook op de inleidende bepalingen van de overeenkomst, dat zij in die hoedanigheid met Florence de overeenkomst is aangegaan.

Hiervan uitgaande kon van OOCC verwacht worden dat zij beschikte, in ieder geval behoorde te beschikken over de kennis die noodzakelijk is om in het belang van Florence als uitvoerder van de ESF- subsidie te komen tot een tijdige en correcte indiening (zoals ook in het Algemeen artikel van de overeenkomst met betrekking tot het indienen van declaraties is bepaald) van de bij haar door Florence gedeponeerde aanvraag voor die subsidie.

5.1.4. Alhoewel, zoals hiervoor overwogen, de overeenkomst met betrekking tot de datum van indiening geen expliciete bepaling inhoudt, dienen naar het oordeel van de rechtbank, nu blijkens artikel 1 van de overeenkomst OOCC zich jegens Florence heeft verplicht een aanvraag voor ESF-subsidie bij het Agentschap in te dienen, met behulp van redelijkheid en billijkheid de rechtsgevolgen van de overeenkomst te worden aangevuld en wel in die zin, dat het tot de verplichtingen aan de zijde van OOCC behoort om, in het door partijen niet voorziene geval dat de subsidie verlenende instantie om haar moverende redenen (alsnog), zoals in het onderhavige geval is geschied, voor ESF-subsidie een plafond zou vaststellen (een subsidieplafond was eerder niet vastgesteld), al datgene te doen dat kan bijdragen aan het, ondanks een sluiting van het subsidieloket, door het Agentschap in behandeling nemen van de aanvraag.

In dit verband is niet zonder belang, dat door Florence, blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad va State van 3 januari 2007, terecht en op juiste gronden, is gesteld dat het met onmiddellijke ingang stoppen van een subsidie een betwistbare zaak is.

Uit die uitspraak van de Afdeling blijkt immers, dat de mededeling van de Staatssecretaris op 27 oktober 2005 dat met ingang van 28 oktober 2005, 9.00 uur, het subsidieplafond van de onderhavige ESF-subsidie werd vastgesteld op EUR 0,00 geen gevolgen heeft voor de vóór 1 november 2005, de datum waarop het subsidieplafond officieel bekend is gemaakt, ingediende aanvragen.

In de annotatie van A.J. Bok in JB 2007/31 wordt verslag gedaan van de gevolgen van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraak. Daaruit blijkt onder meer, dat in de periode gelegen tussen 27 oktober en 1 november 2005 honderden aanvragen zijn ingediend die, na de aanvankelijke weigering van de Staatssecretaris om zulks te doen, alsnog in behandeling zijn genomen.

5.1.5. De stelling van Florence dat het een feit van algemene bekendheid is, dat het met onmiddellijke ingang stoppen van een subsidie een betwistbare zaak is en, dat het daartoe strekkende besluit van de Staatssecretaris van 27 oktober 2005 destijds tot “commotie in het veld” heeft geleid, heeft OOCC bestreden. Zij heeft ter zake aangevoerd, dat een en ander haar niet bekend was.

Het beroep van OOCC op haar onwetendheid met betrekking tot de gevolgen van het sluiten van het subsidieloket en, meer in het algemeen, op haar ondeskundigheid op het gebied van het bestuursrecht gaat, naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet op.

In dat kader is van belang het feit, dat OOCC door de Staatssecretaris is aangewezen als aanvragende instantie van ESF-subsidie, met andere woorden geacht moet worden op het gebied van het aanvragen van subsidie, zoals ook Florence heeft aangevoerd, “een professional” te zijn en ook het feit, dat ervan uit moet worden gegaan, mede op grond van de hierna te bespreken brief van Florence d.d. 30 november 2005, dat partijen direct na het (officieus) bekend worden van het betreffende besluit van de Staatssecretaris met elkaar contact hebben gehad over een prompte indiening van de aanvraag.

Bij het voorgaande komt nog dat, naar het oordeel van de rechtbank, OOCC het belang van Florence bij het verkrijgen van de gewenste subsidie zeer aanzienlijk zwaarder had dienen te laten wegen dan het belang van de Staatssecretaris bij de gewenste directe werking van het besluit tot vaststelling van het subsidieplafond voor ESF-subsidie op EUR 0,00 met ingang van 28 oktober 2005; OOCC had zich immers bij overeenkomst jegens Florence verplicht de aanvraag in te dienen.

5.1.6. De stelling van OOCC, dat zij niet in staat was de door haar op 28 oktober 2005 ontvangen aanvraag op zo korte termijn te beoordelen wordt, daargelaten de vraag of de door OOCC ter zake genoemde datum wel juist is, door de rechtbank gepasseerd nu deze, mede gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door Florence, inhoudende dat zij voor eigen rekening had zorggedragen voor toetsing van de aanvraag, door OOCC niet nader is onderbouwd en, daarnaast, het indienen van de aanvraag voor OOCC een relatief geringe inspanning vereiste.

5.1.7. Voor zover OOCC met haar stelling, dat zij niet tot indiening van de aanvraag gehouden was omdat OOCC de aan haar op de voet van artikel 2 van de overeenkomst op 26 oktober 2005 gezonden factuur nog niet had betaald, heeft beoogd zich te beroepen op haar bevoegdheid tot opschorting van haar verplichtingen, overweegt de rechtbank het volgende.

Los van het feit dat OOCC destijds niet aan Florence heeft meegedeeld, dat en op welke grond zij haar verplichting tot indiening van de aanvraag opschortte, is de rechtbank van oordeel dat opschorting door OOCC van haar verplichting tot indiening van de aanvraag als reactie op het enkel door Florence nog niet hebben betaald van genoemde factuur, in relatie tot het belang van Florence bij indiening van de aanvraag, disproportioneel is.

5.1.8. Anders dan OOCC stelt is de rechtbank van oordeel, dat in de hiervoor in de rubriek feiten onder randnummer 2.13. geciteerde brief van Florence d.d. 30 november 2005 geen bevestiging is te vinden van de stelling van OOCC, dat Florence haar opdracht aan OOCC tot inzending van de aanvraag zou hebben opgezegd. Veeleer is de inhoud van die brief, in onderlinge samenhang met die van de hiervoor onder randnummer 2.9. deels geciteerde brief van Florence aan de Staatssecretaris van 28 oktober 2005 en van de hiervoor onder randnummer 2.10. geciteerde email van OOCC aan Florence van 31 oktober 2005, een bevestiging van de stelling van Florence, dat partijen na de mededeling dat tot sluiting van het loket was overgegaan, met elkaar overleg hebben gevoerd over het insturen van de aanvraag en dat OOCC daartoe niet bereid bleek.

5.1.9. De rechtbank concludeert dat, gegeven de feiten en omstandigheden van dit geval, OOCC door na te laten de aanvraag bij het Agentschap in te dienen direct of nagenoeg direct na de vaststelling van het subsidieplafond op 27 oktober 2005, in ieder geval door na te laten de aanvraag vóór de formeel juiste wijze van bekendmaking op 1 november 2005 van het betreffende besluit, haar verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst jegens Florence niet is nagekomen.

5.1.10. Aan de beantwoording van de vraag of van de zijde OOCC al of niet de toezegging is gedaan om de aanvraag op 31 oktober 2005 in te dienen komt de rechtbank, gelet op het hiervoor gegeven oordeel, niet toe.

5.2. Nu de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, van oordeel is dat OOCC haar verplichting met betrekking tot de indiening van de aanvraag voor ESF-subsidie bij het Agentschap niet is nagekomen, ligt de vraag voor of OOCC, zoals zij heeft gedaan, een in rechte te honoreren beroep op het bepaalde in artikel 9 van de overeenkomst toekomt.

5.2.1. Uit de inhoud van artikel 9 van de overeenkomst en uit de ter zake door partijen ingenomen standpunten blijkt, dat partijen in dat artikel hebben vastgelegd de aansprakelijkheid van OOCC uit te sluiten voor eventuele door Florence geleden schade als gevolg van wanprestatie van de zijde van OOCC, met andere woorden als gevolg van een niet-, niet tijdige of niet behoorlijke nakoming door OOCC van de uit de overeenkomst voor haar voortvloeiende werkzaamheden.

5.2.2. Met name dient, gelet op de door partijen ingenomen standpunten, de vraag te worden beantwoord of OOCC door het niet op 27 oktober 2005, dan wel uiterlijk 31 oktober 2005 indienen van de aanvraag een verplichting heeft geschonden die is aan te merken als een hoofdverplichting van OOCC (de kern van de door OOCC te verrichten prestatie).

5.2.3. De rechtbank is van oordeel, dat de kern van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting van OOCC het indienen van de aanvraag van Florence voor ESF-subsidie is en dat daaronder, gelet op het hiervoor onder randnummer 5.1.4. gegeven oordeel, tevens valt de verplichting om, in het geval tot sluiting van het loket wordt besloten al datgene te doen dat kan bijdragen tot een, ondanks die sluiting, door het Agentschap in behandeling nemen van de aanvraag.

Niet-nakoming van de aldus omschreven verplichting van OOCC is naar het oordeel van de rechtbank strijdig met de aard van de overeenkomst.

Zou immers het exoneratiebeding ter zake van door Florence geleden schade als gevolg van schending door OOCC van die verplichting van toepassing zijn, dan zou dat leiden tot de consequentie, dat er aan de zijde van OOCC geen enkele aansprakelijkheid ter zake van wanprestatie zou bestaan wat betreft het verrichten van hetgeen waartoe zij bij uitstek was verplicht; met andere woorden, dan zou dat leiden tot een zodanige uitholling van de overeenkomst dat OOCC “straffeloos” zou blijven indien zij de verplichting tot indiening van de aanvraag niet, niet tijdig of niet deugdelijk zou nakomen.

5.2.4. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel, dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het onaanvaardbaar is wanneer het exoneratiebeding van toepassing zou zijn in het geval door Florence schade is geleden als gevolg van het door OOCC nalaten de aanvraag voor ESF-subsidie uiterlijk op 31 oktober 2005 bij het Agentschap in te dienen. Het enkele feit dat het aldus indienen niet expliciet was opgenomen in de overeenkomst en slechts op basis van de artikelen 6:2 en 6:248 BW onderdeel van de overeenkomst is gaan uitmaken, maakt dit niet anders.

Het beroep van OOCC op het exoneratiebeding dient te worden afgewezen.

OOCC is derhalve in beginsel aansprakelijk voor door Florence als gevolg van vooromschreven nalaten geleden schade.

5.3. De rechtbank zal de vorderingen van Florence, voor zover inhoudende een verklaring voor recht dat OOCC is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst door niet uiterlijk op 31 oktober 2005 de aanvraag bij het Agentschap in te dienen en dientengevolge gehouden is tot vergoeding van schade, toewijzen.

5.4. Met betrekking tot de vraag of Florence kan worden toegelaten tot een schadestaatprocedure, als door haar gevorderd, overweegt de rechtbank het volgende.

Partijen hebben aangevoerd, dat het in beginsel mogelijk is dat -achteraf- een ter zake deskundige een indicatie kan geven of, en in welke omvang, de aanvraag voor ESF-subsidie zou zijn gehonoreerd, indien die aanvraag door OOCC uiterlijk 31 oktober 2005 zou zijn ingediend en door het Agentschap in behandeling zou zijn genomen.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel, dat het bestaan van de mogelijkheid van schade aan de zijde van Florence aannemelijk is. De vordering van Florence strekkende tot verwijzing naar de schadestaatprocedure zal op die grond worden toegewezen.

5.5. OOCC zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij zal worden uitgegaan van tariefgroep II van het Liquidatietarief.

De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van Florence op:

- dagvaarding EUR 84,31

- vastrecht 251,00

- salaris procureur 904,00 (2 punten x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.239,31

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart voor recht dat OOCC is tekort geschoten in de nakoming van haar overeenkomst met Florence door niet uiterlijk op 31 oktober 2005 de aanvraag van Florence in te dienen bij het Ministerie van Sociale Zaken, Agentschap SZW;

6.2. veroordeelt OOCC tot vergoeding van de schade die Florence heeft geleden als gevolg van het niet uiterlijk op 31 oktober 2005 indienen van de aanvraag van Florence bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Agentschap SZW;

6.3. verwijst voor de vaststelling van het schadebedrag naar de schadestaatprocedure;

6.4. veroordeelt OOCC in de proceskosten aan de zijde van Florence tot op heden begroot op EUR 904,00 aan salaris procureur en EUR 335,31 aan verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.W.M. Vermeulen, mr. W.J.A.M. Dijkers en mr. M. Griffioen en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2008.?