Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD2805

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
29-05-2008
Datum publicatie
29-05-2008
Zaaknummer
18/994736-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Promis-vonnis. Verdachte heeft bedrijfsafvalstoffen (de inhoud van de paardenbak van een manege) ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars. Doel van de overtreden norm is om te voorkomen dat afvalstoffen ongecontroleerd worden ingezameld, dit ter bescherming van de gezondheid van mens en milieu. Volgt oplegging van een voorwaardelijke geldboete. (zie ook LJN: BD 2805)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 18/994736-06 (Promis)

Datum uitspraak: 29 mei 2008

op tegenspraak

Vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Groningen, in de zaak tegen

[verdachte],

gevestigd te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 1 oktober 2007, 21 februari 2008 en 15 mei 2008.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

zij in de gemeente(n) Groningen en/of Winsum en/of Bedum,

op of omstreeks 19 januari 2006, althans in januari 2006,

meermalen, althans eenmaal (telkens)

bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen,

te weten hoeveelheden of een hoeveelheid grond, vermengd met houtsnippers

(geshredderd hout) en/of snippers gelijmd hout en/of stukjes rubber en/of

stukjes vloerbedekking,

heeft ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars;

2.

zij in de gemeente(n) Groningen en/of Winsum en/of Bedum,

op of omstreeks 19 januari 2006, althans in januari 2006,

meermalen, althans eenmaal (telkens)

met een, door een landbouwtrekker voorbewogen, aanhangwagen

bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen,

te weten hoeveelheden of een hoeveelheid grond, vermengd met houtsnippers

(geshredderd hout) en/of snippers gelijmd hout en/of stukjes rubber en/of

stukjes vloerbedekking,

heeft vervoerd over een of meer voor het openbaar verkeer openstaande wegen,

in ieder geval over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Gronin-

gerweg te Groningen,

en toen (telkens)

al dan niet opzettelijk

niet aan haar verplichting heeft voldaan om, zolang zij die afvalstoffen onder

zich had,

een begeleidingsbrief, als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer,

welke ten minste bevatte:

- een omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van die afval-

stoffen, als bedoeld in artikel 10.39 lid 1 onder a van de Wet milieubeheer

alsmede

a. de datum van afgifte;

b. de naam en het adres van degene aan wie de afvalstoffen werden afgegeven;

c. de gebruikelijke benaming en de hoeveelheid van die afvalstoffen;

d. de plaats waar en de wijze waarop de afvalstoffen werden afgegeven en

e. de voorgenomen wijze van beheer van de afvalstoffen

en/of

f. ingeval de de afgifte geschiedde door tussenkomst van een ander, die

opdracht had de afvalstoffen te vervoeren naar degene voor wie deze waren

bestemd: diens naam en adres en de naam en het adres van degene in wiens

opdracht geschiedde,

als bedoeld in artikel 10.38 lid 1 van de Wet milieubeheer;

bij die afvalstoffen aanwezig te hebben.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde en voorts aan het onder 2 tenlastegelegde, in de opzettelijke vorm.

Daarbij heeft de officier van justitie aangegeven dat, in haar visie, kan worden bewezen dat de bodem van de paardenbak (die verdachte heeft ingezameld), bestaande uit houtsnippers, grond en ander materiaal zoals stukjes rubber en vloerbedekking, is aan te merken als bedrijfsafvalstof(fen), en niet als gevaarlijke afvalstof(fen).

Standpunt van verdachte

De vertegenwoordigers van verdachte hebben ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de bodem van de paardenbak voor verdachte geen bedrijfsafval was, maar een meststof c.q. bodemverbeteraar. Verdachte wilde dit mengsel gebruiken om de grond op haar perceel humusrijker en luchtiger te maken.

Beoordeling

De economische politierechter heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Een dossier met nr. [nummer] d.d. 2 maart 2006, waarvan deel uitmaakt een proces-verbaal d.d. 14 februari 2006 (pagina's 3.1 tot en met 3.4 van voornoemd dossier), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], hoofdagent van Regiopolitie Groningen. Dit proces-verbaal, bezien in samenhang met een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aanvulling d.d. 23 mei 2007, houdt onder meer in als relaas van verbalisant:

Op 19 januari 2006 zag ik dat twee personen ieder als bestuurder van een landbouwvoertuig met aanhanger reden op de Groningerweg te Groningen. Ik zag dat beide aanhangwagens waren geladen met een op grond gelijkende stof. Ik besloot de voertuigen te volgen. In Bedum zag ik dat één van de voertuigen een perceel land opreed, en dat op dit perceel land al een hoeveelheid soortgelijke lading lag. Eén van de bestuurders wilde zijn aanhangwagen leegkiepen tegen deze bult. Ik heb mij bekendgemaakt als politieambtenaar en mij als zodanig gelegitimeerd. Bij controle van de lading zag ik dat de lading van de aanhangwagens bestond uit een mengsel van grond met een grote hoeveelheid houtbestanddelen. Het houtbestanddeel betrof ongeveer 80%. De bestuurders deelden mij mede dat de lading bestond uit de bodem van een buitenbak van de manege van [bedrijfsnaam medeverdachte] te Groningen. Zij voerden de bodem af om als bodemverbeteraar te gebruiken op hun eigen land. Het betrof een partij van ongeveer 300 kubieke meter met een massa van ongeveer 300 ton. Het grootste gedeelte van deze partij was reeds op hun bedrijf aan de [adres verdachte] gedeponeerd.

Ik vorderde om een begeleidingsbrief ter inzage af te geven. Aan deze vordering voldeden de bestuurders niet. Zij deelden mij mede dat er geen begeleidingsbrief bij het transport aanwezig was, omdat zij van mening waren dat de lading geen afval betrof.

Blijkens informatie van de NIWO is [verdachte] en Loonbedrijf niet vermeld op de lijst van inzamelaars.

Het afval was op 20 februari 2006 nog steeds niet afgevoerd van het land. Ik heb toen samen met [naam], milieu-inspecteur bij de provincie Groningen, een onderzoek ingesteld. [milieu-inspecteur] heeft het afval nader onderzocht, waarbij hij stukken verlijmd hout, rubber en op vloerbedekking gelijkende stoffen in het afval heeft aangetroffen.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, op 19 januari 2006, van [vennoot verdachte], welk proces-verbaal is opgenomen in voormeld dossier met nr. [nummer] (pagina 13.1). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [vennoot verdachte]:

Ten behoeve van onze onderneming vervoer ik vandaag de oude vloer uit de buitenbak van de manege van [medeverdachte]. De oude vloer zie ik niet als afval, maar als een stof om de bodem van ons land te verbeteren.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, op 31 januari 2006, van [vennoot verdachte], welk proces-verbaal is opgenomen in voormeld dossier met nr. [NUMMER] (pagina's 11.1 en 11.2). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [vennoot verdachte]:

Op 19 januari 2006 heeft u twee transporten van ons bedrijf gecontroleerd, die op dat moment houtsnippers vervoerden van Groningen naar ons bedrijf in Winsum en een stuk land in Bedum. Deze lading was afkomstig uit een paardenbak bij de manege van [medeverdachte] te Groningen. [medeverdachte] kennen wij als bedrijf al langer omdat wij [medeverdachte] stro leveren voor zijn manege. In de paardenbak van [medeverdachte] lagen voornamelijk houtsnippers. Deze houtsnippers namen te weinig vocht op. Ons bedrijf had de paardenbak al eens gedraineerd, maar dat had niet het gewenste resultaat. Op een bepaald moment deelde [medeverdachte] ons mee dat hij de bodem uit de paardenbak wilde vervangen door zand. Ons bedrijf kon de houtsnippers goed gebruiken als bodemverbeteraar. Wij hebben geen contract met [medeverdachte] afgesloten over de afvoer van de bodem. Wij hebben ook geen geld gerekend voor onze werkzaamheden. [medeverdachte] heeft namelijk ook een bouwbedrijf en hij zou, als wederdienst, bij ons in het bedrijf gaan stukadoren.

Ons bedrijf is niet ingeschreven bij de NIWO als vervoerder, inzamelaar, handelaar of bemiddelaar van afval.

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, op 20 februari 2006, van [medeverdachte], welk proces-verbaal is opgenomen in voormeld dossier met nr. [NUMMER] (pagina's 14.1 en 14.2). Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [medeverdachte]:

De lading van de twee aanhangwagens van [verdachte] die op 19 januari 2006 is gecontroleerd, was afkomstig uit de buitenbak van mijn manege. De vloer van die bak bestond uit houtsnippers. Ik besloot die vloer te vervangen. Ik heb van twee bedrijven een schriftelijke offerte gekregen. Ik heb [verdachte] het werk gegund omdat [verdachte] het goedkoopst was. [verdachte] had ook wel belang bij de verpulverde houtsnippers omdat zij deze als bodemverbeteraar op hun land konden gebruiken. Met [verdachte] heb ik afgesproken dat zij de oude vloer zouden verwijderen en afvoeren en dat zij het zand zouden egaliseren. In ruil hiervoor zal ik nog een muur gaan stukadoren op het bedrijf van [verdachte]. Er zou dus met gesloten beurzen worden gewerkt. Ik zie die oude vloer niet als afval, omdat het als bodemverbeteraar wordt gebruikt.

De namens verdachte op de terechtzitting van 1 oktober 2007 afgelegde verklaring:

Wij hadden geen papieren bij de lading grond die wij vervoerden. Het was grond met takkensnippers. Verbalisant heeft op 19 januari 2006 naar de grond gekeken. Hij zei dat de grond vervuild was. Wij vonden het geen vervuilde grond. Als het vervuilde grond was geweest, dan zouden wij de grond niet op het land hebben gekiept, want dat zou dan niet goed zijn geweest voor de koeien. Uiteindelijk heeft [medeverdachte] ervoor gezorgd dat de grond weer van ons land is afgevoerd.

We hadden afgesproken de klus te klaren "met gesloten beurzen". In ruil voor het afvoeren van de grond bij [medeverdachte], zou [medeverdachte] voor ons stucwerk doen.

De man die in februari 2006 de grond heeft geïnspecteerd, [milieu-inspecteur], zei dat monsterneming niet nodig was. Bovendien vond hij monsterneming te duur. Maar het was ons een lief ding waard geweest als er wel een monster was genomen, want wij gaan ervan uit dat deze strafzaak tegen ons er dan niet zou zijn geweest, omdat dan duidelijk zou zijn geworden dat er geen sprake was van bedrijfsafval, maar van grond met houtsnippers.

De verklaring door getuige [verbalisant], voornoemd, afgelegd op de terechtzitting van 1 oktober 2007:

Ik heb trekkers van [verdachte] bij het land staande gehouden en heb de lading bekeken. Toen ik hoorde waar de grond vandaan kwam, stelde ik vast dat je niet meer van "grond" kunt spreken. Gezien de bestanddelen betrof het hier bedrijfsafval. Ik heb met het blote oog vastgesteld dat het in ieder geval minder dan 50% grondbestanddelen betrof.

Op 23 februari 2006 ben ik samen met milieu-inspecteur [naam] op het bedrijf geweest.

We zijn in de bult gaan roeren en kwamen regelmatig verlijmd hout tegen en een beetje tapijt en rubber. Ik weet niet of [milieu-inspecteur] daar een rapport van heeft opgemaakt. Hij heeft geen monster genomen.

De verklaring door getuige [milieu-inspecteur], voornoemd, afgelegd op de terechtzitting van 15 mei 2008:

Op 23 februari 2006 heb ik, in gezelschap van [verbalisant], een controle uitgevoerd op het bedrijf van [verdachte] in Winsum. Die circa 300 ton bedrijfsafval lag daar op één hoop. Naar aanleiding van mijn bevindingen, is de maatschap namens Gedeputeerde Staten van Groningen aangeschreven bij brief van 3 maart 2006. In die brief is vermeld wat mijn bevindingen waren: het afval bestond uit grond, met veel houtsnippers, stukjes rubber en stukjes vloerbedekking. Ook heb ik gelijmde snippers hout gezien. Ik heb een en ander visueel geconstateerd. Verder heb ik het onderzoek aan de bult handmatig uitgevoerd. Ik heb een voet op de bult gezet en met mijn handen in de bult gewoeld en gevoeld. Ik heb stukjes uit de bult gehaald. De bult bestond voor circa 80% uit geshredderd hout, voor circa 15% uit aarde en voor circa 5% uit overige materialen, die ik vervuiling noem. Ik heb geen monster genomen.

Op 2 mei 2006 heb ik een hercontrole uitgevoerd op het bedrijf van [verdachte]. Het afval was toen weg. Tijdens het hercontrolebezoek is mij door [verdachte] gezegd dat het afval door [medeverdachte] naar Duitsland was afgevoerd.

De economische politierechter overweegt als volgt.

Ten aanzien van feit 1

Blijkens artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (zoals dit artikellid luidde op 19 januari 2006) wordt verstaan onder - voor zover hier van belang -:

"afvalstoffen": alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

"bedrijfsafvalstoffen": afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

In artikel 1 van richtlijn nr. 75/442/EEG (zoals gewijzigd bij richtlijn 91/156/EEG van 18 maart 1991) is bepaald dat in deze richtlijn wordt verstaan onder - voor zover hier van belang -:

"afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

"producent": elke persoon wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht ( "eerste producent") en/of elke persoon die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;

"houder": de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft.

In artikel 10.45, eerste lid, van de Wet milieubeheer (zoals dit artikellid luidde op 19 januari 2006) is bepaald - voor zover hier van belang - dat het verboden is bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke stoffen in te zamelen zonder vermelding op de lijst van inzamelaars.

De economische politierechter overweegt dat, volgens vaste jurisprudentie (zie onder meer ARCO Chemie Nederland Ltd, HvJEG, 15 juni 2000, C-418/97 en C-419/97; AB 2000, 311 m.nt. ChB), bij de invulling van het begrip "afvalstof" de wijze van het "zich ontdoen" van de stof doorslaggevend is, waarbij geldt dat de term "zich ontdoen" tevens de nuttige toepassing van een stof of voorwerp omvat. Bij het uitleggen van de term 'zich ontdoen"

- en daarmee van het begrip "afvalstof" - moet, met inachtneming van alle omstandigheden, rekening worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en moet ervoor worden gewaakt dat aan de doeltreffend van de richtlijn geen afbreuk wordt gedaan. Ten aanzien van de doelstelling bepaalt de considerans van de richtlijn dat iedere regeling op het gebied van de verwijdering van afvalstoffen, als voornaamste doelstelling moet hebben, de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Het begrip 'afvalstof" mag bijgevolg niet restrictief worden uitgelegd.

Gelet hierop en voorts gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, dient naar het oordeel van de economische politierechter de bodem, waarvan in deze zaak sprake is, te worden aangemerkt als bedrijfsafvalstof(fen) in de zin van de Wet milieubeheer. Verdachte heeft die bodem ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars.

Daarbij is van belang dat die bodem lange tijd door [medeverdachte] is gebruikt in de buitenbak van zijn manege. Gelet op de terzake afgelegde verklaringen, zijn in die periode vermengingen of andere bewerkingen aan de bodem verricht, nu die bodem niet voldeed. De economische politierechter gaat ervan uit dat de afgegeven bodem bestond uit hout, grond en restmateriaal. Ter terechtzitting d.d. 15 mei 2008 is aan de orde geweest dat de bodem eerst vijf weken ná de controle, op 19 januari 2006, van de lading door [verbalisant], is onderzocht door milieu-inspecteur [naam] en dat niet is uit te sluiten dat, voor zover al sprake zou zijn van vervuiling met andere stoffen, die vervuiling in die vijf weken is (of kan zijn) ontstaan. Ten aanzien hiervan overweegt de economische politierechter allereerst dat, in elk geval, [verbalisant] op 19 januari 2006 heeft geconstateerd dat de lading bestond uit een mengsel van grond met houtbestanddelen. Voorts overweegt de economische politierechter dat [medeverdachte] van de bodem afwilde, met welk doel hij aan twee bedrijven om een offerte heeft gevraagd. [medeverdachte] heeft het werk aan verdachte gegund. Volgens de verklaring van zowel [medeverdachte] als verdachte, zijn zij overeengekomen dat de opdracht "met gesloten beurzen" zou worden uitgevoerd, in die zin dat [medeverdachte] voor verdachte stukadoorswerkzaamheden zou verrichten, in ruil voor de afvoer van de bodem. Wat hiervan allemaal ook zij, naar het oordeel van de economische politierechter volgt hieruit dat de bodem voor [medeverdachte] geen economische waarde meer had, waardoor de bodem is aan te merken als bedrijfsafvalstof(fen). Gelet hierop, komt naar het oordeel van de economische politierechter geen afzonderlijke betekenis toe aan hetgeen ter terechtzitting aan de orde is geweest omtrent de precieze samenstelling van de bodem.

Ten aanzien van feit 2 (vrijspraak)

Onder 2. wordt verdachte het verwijt gemaakt - kort gezegd - dat zij op 19 januari 2006 bedrijfsafvalstoffen (dus de bodem van de paardenbak van [medeverdachte]) over de weg heeft vervoerd, zonder daarbij een begeleidingsbrief, als bedoeld in artikel 10.39 van de Wet milieubeheer, aanwezig te hebben.

In artikel 10.39, voornoemd, is bepaald - voor zover hier van belang - dat degene die zich van bedrijfsafvalstoffen ontdoet door afgifte aan een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, van de Wet milieubeheer aan deze persoon een begeleidingsbrief verstrekt.

Bij vonnis d.d. 29 mei 2008 (parketnummer 18/994736-06) heeft de economische politierechter [medeverdachte] vrijgesproken van overtreding van artikel 10.39, voornoemd, onder de overweging dat niet is gesteld en ook overigens niet is gebleken dat de maatschap [verdachte] is aan te merken als een persoon als bedoeld in artikel 10.37, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

In het verlengde hiervan, kan evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte (de maatschap [verdachte]) het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de economische politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de gemeente Groningen, op 19 januari 2006, bedrijfsafvalstoffen, te weten hoeveelheden of een hoeveelheid grond, vermengd met houtsnippers (geshredderd hout) en snippers gelijmd hout en stukjes rubber en stukjes vloerbedekking, heeft ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars.

De economische politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het feit

Hetgeen de economische politierechter bewezen heeft verklaard, levert het volgende strafbare feit op:

(feit 1) overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De economische politierechter acht verdachte strafbaar nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en onder 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 1000,-, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, waarvan € 500,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Oordeel van de economische politierechter

Bij de bepaling van de straf heeft de economische politierechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de omstandigheden van verdachte en de draagkracht van verdachte, zoals een en ander naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft bedrijfsafvalstoffen ingezameld zonder vermelding op een lijst van inzamelaars. Het doel van de overtreden norm is nu juist om te voorkomen dat afvalstoffen ongecontroleerd worden ingezameld, dit ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu.

Verdachte heeft, nadat was geconstateerd dat verdachte de wet had overtreden, ervan afgezien het materiaal als meststof over het land uit te rijden, zoals zij oorspronkelijk van plan was om te doen. Ook heeft verdachte alle medewerking verleend aan het ongedaan maken van de geconstateerde overtreding. De economische politierechter heeft dit meegewogen in het voordeel van verdachte.

Namens verdachte is ter terechtzitting aangegeven dat het niet de bedoeling van verdachte was, de wet te overtreden, dat zij van de affaire heeft geleerd en dat zij sedertdien de regelgeving naleeft. Daarmee is een belangrijke doelstelling van de vervolging van verdachte gerealiseerd.

Verder is van belang dat verdachte geen justitiële documentatie heeft.

De economische politierechter heeft voorts rekening gehouden het tijdsverloop in de onderhavige zaak. De economische politierechter heeft overigens geconstateerd dat dit tijdsverloop mede (en voor een aanzienlijk deel) is veroorzaakt door (inhoudelijke) correspondentie tussen (de raadsman van) [medeverdachte] en de officier van justitie, naar aanleiding van het aan [medeverdachte] gedane transactievoorstel. Op zich is dit een omstandigheid die met de zaak van verdachte niets van doen heeft. Gelet evenwel op de samenhang tussen de zaak van verdachte en die van [medeverdachte], heeft dit wel als gevolg gehad dat ook de behandeling van de zaak van verdachte lang heeft geduurd.

Ten slotte heeft de economische politierechter rekening gehouden met de omstandigheid dat de officier van justitie, bij haar vordering, is uitgegaan van bewezenverklaring van zowel feit 1 als feit 2, terwijl thans vrijspraak volgt van feit 2.

Op grond van al het bovenstaande is de economische politierechter van oordeel dat kan worden volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De economische politierechter heeft gelet op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht;

- 10.45 van de Wet milieubeheer;

- 1a (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

De economische politierechter:

- verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een geldboete van € 500,- (zegge vijfhonderd euro), met bevel dat voor geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, vervangende hechtenis voor de duur van 10 dagen zal worden toegepast.

- bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R. Depping, economische politierechter, in tegenwoordigheid van M. Smit-Colnot, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 mei 2008.