Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BD2299

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
22-05-2008
Zaaknummer
670554-07 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet, achteruitrijdende vrachtwagen, dodelijk gevolg.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2008/70 met annotatie van WR
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 670554-07 (Promis)

datum uitspraak: 22 mei 2008

op tegenspraak

zonder raadsman/vrouw

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

8 mei 2008.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 1 oktober 2007, te Nieuwe Pekela, in de gemeente Pekela,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een

vrachtauto met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de Jan Oldenburgerstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, -nadat verdachte dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand had gebracht- met dat motorrijtuig achteruit te rijden en daarbij niet het overige verkeer, te weten een zich achter dat door verdachte bestuurde motorrijtuig bevindende bestuurster van een bromfiets, voor te laten gaan, door welke gedraging verdachte met de achterzijde van dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen voornoemde bromfietser is gebotst of aangereden, waardoor die bromfietser (genaamd [slachtoffer]) werd gedood

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op of omstreeks 1 oktober 2007, te Nieuwe Pekela, in de gemeente Pekela,

als bestuurder van een voertuig (een vrachtauto met oplegger), daarmee

rijdende op de weg, de Jan Oldenburgerstraat, - nadat verdachte dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand had gebracht- met dat motorrijtuig achteruit is gereden en daarbij niet het overige verkeer, te weten een zich achter dat door verdachte bestuurde motorrijtuig bevindende bestuurster van een bromfiets, voor heeft laten gaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij, op of omstreeks 1 oktober 2007, te Nieuwe Pekela, in de gemeente Pekela, als bestuurder van een vrachtwagen met oplegger op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Jan Oldenburgerstraat, achteruit is gereden zonder een bestuurster van een bromfiets voor te laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

Bewijsvraag

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie is van mening dat aan verdachte een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Verdachte heeft een bijzondere manoeuvre verricht door met zijn vrachtwagen achteruit te rijden. Bij het verrichten van deze handeling heeft verdachte een bromfietser aangereden. Verdachte heeft door op deze wijze te handelen de door artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) op hem gelegde absolute verplichting om al het overige verkeer voor te laten gaan geschonden . Verdachte wist dat hij zittend in zijn vrachtwagen een groot deel van de weg direct achter zijn vrachtwagen niet kon zien. Verdachte heeft naar de mening van de officier van justitie niet voldoende gedaan om zich er van te vergewissen dat er zich daadwerkelijk niemand achter de vrachtwagen bevond. Hij had anders moeten en kunnen handelen. Verdachte heeft met zijn handelen een aanmerkelijke verkeersfout gemaakt en zich daarmee schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde.

Standpunt verdachte

Verdachte is van mening dat hij niet onvoorzichtig heeft gehandeld en dat hij het uiterste heeft gedaan om te voorkomen dat hij iemand zou aanrijden. Hij heeft, alvorens hij daadwerkelijk achteruit ging rijden, het fietspad vrijgemaakt zodat fietsers konden passeren, heeft een aantal minuten stil gestaan en het overige verkeer laten passeren en heeft goed in zijn spiegels gekeken. Voorts heeft hij contact gehad met een collega vrachtwagenchauffeur die voor hem op de weg stond, die hem vertelde dat hij achteruit kon rijden. Vervolgens heeft verdachte met uiterste voorzichtigheid stapvoets achteruit gereden. Tevens is verdachte van mening dat het mede aan het slachtoffer te wijten is dat het ongeluk heeft plaatsgevonden, nu het slachtoffer zich wel erg dicht achter de vrachtwagen bevond. Derhalve is verdachte van mening dat hem strafrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij haar beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Verklaring getuige [getuige 1], proces-verbaal [nummer], d.d. 1 oktober 2007, opgenomen op pagina 2.4 van het dossier met dossiernummer [nummer], d.d.12 november 2007

Op maandagmiddag 1 oktober 2007, omstreeks 16 uur stond ik voor mijn woning aan de [adres]. Ik draaide mij om richting het diep. Ik zag toen aan de overkant van het diep een vrachtwagen van de firma [x] stond. Ik zag dat deze stapvoets achterwaarts reed. Achter deze vrachtwagen zag ik een scooter staan waarop een persoon zat. Ik zag dat deze scooter in het midden en pal achter de vrachtauto stond.

Vervolgens zag ik dat de scooterbestuurder met alle macht probeerde achter de vrachtauto vandaan te komen. Ondertussen reed de vrachtauto nog steeds stapvoets achterwaarts. Ik zag dat de scooterbestuurder trachtte de scooter links te trekken. Opeens zag ik dat de scooterbestuurder, samen met de scooter, naar links tegen de grond viel. Direct daarop zag en hoorde ik hoe het linkerachterwiel van de vrachtauto over het hoofd van de bestuurder reed. De vrachtwagenchauffeur kon het slachtoffer niet zien staan achter de vrachtauto omdat deze pal achter het voertuig was gaan staan.

Verklaring getuige [getuige 2], proces-verbaal [nummer], d.d. 1 oktober 2007, opgenomen op pagina 2.6 van het dossier met dossiernummer [nummer],

d.d.12 november 2007

Ik ben woonachtig aan de [adres]. Op maandag 1 oktober 2007 stond ik in mijn woonkamer voor het raam. Ik keek naar buiten in de richting van de kruising Doorsneeweg / J. Oldenburgerstraat. Ik zag op dat moment een vrachtwagen stil staan, enkele meters verder dan de genoemde kruising. Direct achter de vrachtauto stond, op hooguit 1 meter afstand, een scooter. Ik zag dat de scooter ter hoogte van de kentekenplaat van de vrachtwagen stond, dus in het midden van de vrachtwagen.

Opeens zag ik dat de achteruitrijlampen gingen branden waarna de vrachtwagen achteruit reed. Ik zag dat de bestuurder van de scooter weg probeerde te komen. De bestuurder rukte aan de scooter, waarna de bestuurder van de scooter ten val kwam.

Twee tellen later zag ik dat het linkerachterwiel van de vrachtwagen over het hoofd van de scooterbestuurder reed.

Verklaring verdachte proces-verbaal [nummer], d.d. 1 oktober 2007, opgenomen op pagina 1.2.van het dossier met dossiernummer [nummer],

d.d.12 november 2007

Op het moment dat ik de Jan Oldenburgerstraat stond zag ik voor mij een collega vrachtwagenchauffeur tegemoet komen. Dit was [collega]. [collega] maakte mij attent, via de mobilofoon dat ik te ver was gereden. Op het moment dat ik in gesprek was met [collega] stond ik stil op de rijbaan. Ik had mijn alarmlampen knipperen. Ik begreep van hem dat ik achteruit moest rijden om op de plaats van bestemming te komen.

Op een gegeven moment moest ik dus achteruit. Om het fietspad vrij te maken ben ik vooruit gereden. Het fietspad zat rechts van mij op de rijbaan.

Nadat ik naar voren was gereden zag ik in mijn spiegels dat het fietspad vrij was. Ik zag geen voetgangers of fietsers meer. De alarmlichten branden nog steeds. Ik heb gewacht op auto's die kwamen uit de richting van de Doorsneeweg en rechtsaf sloegen de Stuutstraat in. Toen er niets meer aankwam ben ik stapvoets achteruit gereden. Ik denk dat ik nog geen meter achteruit reed toen ik in mijn linkerspiegel iets zag liggen op straat. Op het moment dat ik dat zag ben ik direct gestopt. Ik ben uitgestapt en naar de achterkant van de vrachtwagen gelopen. Ik zag toen dat het niet goed was. Ik zag een bromfietser liggen.

Verklaring verdachte ter zitting d.d. 8 mei 2008

Als iemand vlak achter de vrachtwagen met oplegger staat kun je deze persoon niet zien, beslist niet. Ik heb met uiterste voorzichtigheid achteruitgereden. Ik heb contact gehad met een collega vrachtwagenchauffeur die voor mij op de weg stond. Hij vertelde mij dat ik achteruit kon rijden. Er was overzicht genoeg om achteruit te rijden.

Een proces-verbaal verkeersongevallensanalyse, proces-verbaal nummer [nummer], d.d. 15 november 2007

Het verkeersongeval op 1 oktober 2007 vond plaats op de Jan Oldenburgerstraat binnen de bebouwde kom van Nieuwe Pekela in de gemeent Pekela. De rijbaan heeft een breedte van circa 6.50 meter.

Vanaf de bestuurdersplaats van de vrachtwagen was er geen enkel zicht op het weggedeelte dat zich recht achter de vrachtautocombinatie bevond.

De lijkschouw werd op maandag 1 oktober 2007 in het bijzijn van verbalisanten verricht door [naam arts], GGD-arts te Groningen. Bij deze schouw bleek dat het slachtoffer als gevolg van hersenletsel was overleden. Dit letsel was te herleiden als gevolg van het ongeval.

Proces-verbaal van bevindingen [nummer], d.d. 2 oktober 2007, opgenomen op pagina 2.3 van het dossier met dossiernummer [nummer], d.d. 12 november 2007

als relatering van verbalisant:

Op dinsdag 2 oktober 2007 bevond ik mij, verbalisant [verbalisant], samen met [vader slachtoffer] en [moeder slachtoffer] in het UMCG. Nadat ik beide personen met het stoffelijk overschot had geconfronteerd , hoorde ik dat beide personen, onafhankelijk van elkaar verklaarden: het stoffelijk overschot waarmee u mij zojuist heeft geconfronteerd herken ik als zijnde dat van mijn dochter genaamd [slachtoffer].

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Om ter zake van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 tot een veroordeling te kunnen komen, is vereist dat sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Uit genoemde bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte in een vrachtwagen achteruit is gereden waarbij hij het slachtoffer heeft aangereden waardoor zij is overleden.

Verdachte heeft door achteruit te rijden een bijzondere manoeuvre uitgevoerd in de zin van artikel 54 van het RVV 1990. Verdachte had op grond van dit artikel het overige verkeer voor moeten laten gaan en bij het uitvoeren van de bijzondere verrichting bijzondere waakzaamheid moeten hebben. Dat het slachtoffer zich vlak achter de vrachtwagencombinatie bevond, doet hier niets aan af. Schending van deze norm is minstens onvoorzichtig. In dit geval reed verdachte op een relatief smalle weg met een zeer grote vrachtwagen achteruit, met de wetenschap dat een deel vlak achter de vrachtwagen niet zichtbaar was. Verdachte heeft zodoende naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld. Verdachte had anders kunnen en moeten handelen te meer nu verdachte al een jarenlange ervaring heeft als vrachtwagenchauffeur. Verdachte had bijvoorbeeld vooruit kunnen rijden en een geschiktere plek kunnen zoeken om te keren of had aan zijn college kunnen vragen of hij voor hem wilde kijken of er zich niemand achter de vrachtwagen bevond. Nu verdachte anders kon handelen, is zijn onvoorzichtig rijgedrag verwijtbaar.

De rechtbank is dan ook met de officier van justitie van oordeel dat het ongeval verdachte in zodanige mate valt te verwijten dat dit de schuld oplevert in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op 1 oktober 2007, te Nieuwe Pekela, in de gemeente Pekela,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een

vrachtauto met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de Jan Oldenburgerstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig - nadat verdachte dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand had gebracht - met dat motorrijtuig achteruit te rijden en daarbij niet het overige verkeer,

te weten een zich achter dat door verdachte bestuurde motorrijtuig bevindende

bestuurster van een bromfiets, voor te laten gaan, door welke gedraging verdachte met de achterzijde van dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen voornoemde bromfietser is gebotst, waardoor die bromfietser (genaamd [slachtoffer]) werd gedood.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op het navolgende misdrijf:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

De strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden met daarbij een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van verdachte

Verdachte is van mening dat de door de officier van justitie geëiste straf veel te hoog is, nu hij door het gebeuren op zich al voldoende is gestraft.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door aanmerkelijk onvoorzichtig met de door hem bestuurde vrachtwagen met oplegger achteruit te rijden een meisje aangereden. Hierdoor is het meisje om het leven gekomen. Dit is een zeer ernstig gevolg dat aan de nabestaanden van het slachtoffer veel leed heeft toegebracht.

Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat ook verdachte door het gebeuren is aangeslagen en dat hij niet eerder met politie en justitie ter zake van verkeersdelicten in aanraking is geweest, terwijl hij gedurende een aanzienlijke tijd vrachtwagenchauffeur is.

Gelet op vorenstaande acht de rechtbank een werkstraf van na te melden duur passend en geboden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een rijontzegging moet worden opgelegd. De rechtbank zal deze ontzegging geheel voorwaardelijk opleggen om te voorkomen dat verdachte zijn werk als vrachtwagenchauffeur niet meer kan uitvoeren. Omdat de rechtbank in zaken als deze, normaal gesproken een onvoorwaardelijke rijontzegging oplegt en zij dat nu, in het belang van verdachte, niet zal doen, zal de rechtbank een hogere werkstraf opleggen dan zij bij een onvoorwaardelijke rijontzegging zou hebben gedaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 120 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

12 maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, S. Tempel en J.M.M. van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. de Jong, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 mei 2008.