Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC9864

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-04-2008
Datum publicatie
18-04-2008
Zaaknummer
18/630053-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting meermalen. Onrust in de wijk. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf, proeftijd 5 jaar. Verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/630053-07

datum uitspraak: 17 april 2008

op tegenspraak

raadsman: mr. N.A. Heidanus

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te Groningen in 1976,

wonende te Groningen,

thans preventief gedetineerd in P.I. HvB Ter Apel te Ter Apel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 mei 2007, 9 augustus 2007, 1 november 2007, 24 januari 2008 en 3 april 2008.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

hij,

op of omstreeks 30 januari 2007,

te Groningen,

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de

Oliemuldersweg (144),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandend en/of smeulend

voorwerp door de/een brievenbus van de voordeur van die woning in (de gang

van) die woning gegooid en/of gestoken, althans een in die gang en/of voor de

voordeur van die woning hangend gordijn in brand gestoken, in elk geval

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan een in die gang van die woning aanwezig gordijn en/of een

(voor)deur en/of de vloer en/of een mat geheel of gedeeltelijk is/zijn

verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning aanwezige

goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een in die woning aanwezig persoon,

te weten [slachtoffer1], in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij,

in of omstreeks de nacht van 22 januari 2007 op 23 januari 2007,

te Groningen,

opzettelijk brand heeft gesticht bij/in (de voordeur van) een woning gelegen

aan de Hyacinthstraat (104-18),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid goederen tegen

en/of nabij de voordeur van die woning gelegd en/of (vervolgens) (een of meer

van) die goederen in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in

aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan de

voordeur van die woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand

is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning aanwezige

goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die woning aanwezige

personen, te weten [slachtoffer2] en/of [slachtoffer3] en/of [slachtoffer4], in elk

geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander

of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de nacht van 30 januari 2007 en 31 januari 2007,

te Groningen,

opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de

Irislaan(48),

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandend en/of smeulend

voorwerp door de/een brievenbus van de voordeur van die woning in (de gang

van) die woning gegooid en/of gestoken, althans een in die gang en/of voor de

voordeur van die woning hangend gordijn in brand gestoken, in elk geval

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan een in die gang van die woning aanwezig gordijn en/of een

(voor)deur geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is

ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of de in die woning aanwezige

goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of

gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een in die woning aanwezig persoon,

te weten [slachtoffer5], in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, welke aanwijzingen ook mogen inhouden dat verdachte

- zich klinisch zal laten behandelen in de FPK Zuidlaren dan wel de Hanzeborg;

- zich ambulant zal laten behandelen onder regie van de reclassering;

- zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering met betrekking tot zijn woonplaats en woonvorm.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij, op 30 januari 2007, te Groningen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de Oliemuldersweg (144), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een in die gang en/of voor de voordeur van die woning hangend gordijn in brand gestoken, ten gevolge waarvan een (voor)deur en/of de vloer en/of een mat geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de in die woning aanwezige goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een in die woning aanwezig persoon, te weten [slachtoffer1] te duchten was;

2.

hij, in de nacht van 22 januari 2007 op 23 januari 2007, te Groningen, opzettelijk brand heeft gesticht bij de voordeur van een woning gelegen aan de Hyacinthstraat (104-18), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een hoeveelheid goederen tegen en/of nabij de voordeur van die woning gelegd en (een of meer van) die goederen in brand gestoken, ten gevolge waarvan de voordeur van die woning gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de in die woning aanwezige goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die woning aanwezige personen, te weten [slachtoffer2] en [slachtoffer3] en [slachtoffer4], te duchten was;

3.

hij in de nacht van 30 januari 2007 en 31 januari 2007, te Groningen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de Irislaan (48), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een in die gang en/of voor de voordeur van die woning hangend gordijn in brand gestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de in die woning aanwezige goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een in die woning aanwezig persoon, te weten [slachtoffer5] te duchten was;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

1, 2 en 3 telkens:

Opzettelijk brandstichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

en

Opzettelijk brandstichten terwijl daarvan levensgevaar voor een ander of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische en psychologische onderzoeksrapportage d.d. 18 december 2007, opgemaakt door J.M.J.F. Offermans, psychiater en F.A.M.M. Koenraadt, psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens laat zien, wat vooral tot uitdrukking komt in zijn grenzeloze behoefte aan aandacht, zijn negatieve zelfbeeld en zijn neiging zich groter voor te doen dan de werkelijkheid. De beperkingen in het onderzoek, gerelateerd aan betrokkenes (gedeeltelijke) weigering, betroffen vooral het onderzoeken van een mogelijke persoonlijkheidsstoornis - hierbij is informatie over betrokkenes kinder- en jeugdjaren essentieel - van pseudologica fantastica, ADHD en pyromanie, waarvoor vooralsnog onvoldoende aanwijzingen zijn.

Uit het onderzoek komt betrokkene in elk geval naar voren als (theatraal-)afhankelijk, kinderlijk en zeer aandachtsbehoeftig, waardoor hij in zijn gedrag als onvrij overkomt, zodanig dat er sprake is van een gebrekkige ontwikkeling.

Hoewel het onderzoek niet geheel volledig is geweest doordat verdachte heeft geweigerd zijn volle medewerking daaraan te verlenen, is de rechtbank van oordeel dat het rapport voldoende aanknopingspunten geeft, in combinatie met hetgeen omtrent de persoon van verdachte ter terechtzitting verder naar voren is gekomen, om te kunnen komen tot een oordeel over de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de zeven ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en die door verdachte zijn erkend.

Vrijheidsstraf

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf moet worden opgelegd.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hoogte hiervan in het bijzonder het volgende in aanmerking.

In de periode van half januari 2007 tot en met 4 februari 2007 heeft verdachte, zoals hij heeft bekend, 14 brandjes gesticht. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat een vijftal van deze branden gepaard is gegaan met levensgevaar voor een ander dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Door deze hoeveelheid branden in een korte periode is zeer veel onrust ontstaan onder de inwoners van de wijk, gepaard gaande met gevoelens van onveiligheid. Met name de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten hebben veel gevaar voor personen veroorzaakt nu immers de bejaarde bewoonster van de woning van feit 1 door het raam naar buiten moest worden gedragen omdat de normale uitgang, via de deur, door vuur was versperd.

Een dergelijk aantal (beginnende woning-) branden binnen een zo kort tijdsbestek rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank zonder meer een langdurige vrijheidsstraf.

De rechtbank zal een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd, omdat deze naar het oordeel van de rechtbank in onvoldoende mate recht doet aan de aard, ernst en het aantal van de gepleegde feiten. Hierbij weegt de rechtbank ook mee, dat zij het noodzakelijk acht dat de Reclassering, in het kader van de hierna te noemen voorwaarden, voldoende tijd krijgt om een geschikte woon-/verblijfplaats voor verdachte te vinden.

Daarnaast neemt de rechtbank bij het opleggen van de vrijheidsstraf in aanmerking de conclusie van voormelde psychiatrische en psychologische onderzoeksrapportage, dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Daarbij overweegt de rechtbank dat, hoewel het onderzoek bij het Pieter Baan Centrum niet volledig is geweest doordat verdachte niet volledig wenste mee te werken aan het onderzoek, uit de rapportage kan worden gedestilleerd dat er grote zorgen zijn aangaande de persoon van verdachte. Ter terechtzitting is één en ander nog eens onderstreept door de deskundige Schut, reclasseringswerker. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een klinische behandeling van verdachte noodzakelijk is en zal daarom een deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen, mede om daaraan een bijzondere voorwaarde te verbinden, inhoudende dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt opname in de in het dictum vermelde instellingen voor de aldaar genoemde duur.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van een lichaam van een of meer personen. Om die reden zal de rechtbank de proeftijd vaststellen op vijf jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1, 2 en 3 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIG MAANDEN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot twaalf maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op vijf jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging ook kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd gedragen naar voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt. Draagt deze instelling op om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

De hiervoor bedoelde voorschriften en aanwijzingen kunnen ook inhouden dat

- de veroordeelde de aanwijzingen zal opvolgen die betrekking hebben op zijn woonplaats en woonsituatie;

- de veroordeelde zich aan een (neuro)psychologisch onderzoek zal laten onderwerpen;

- de veroordeelde zich zal laten behandelen en zich in het kader van een behandeling zal laten opnemen in de FPK Zuidlaren of de Hanzeborg, dan wel een soortgelijke door de Reclassering aan te wijzen instelling en aldaar zal verblijven zolang de leiding van de instelling dat nodig oordeelt, doch voor ten hoogste achttien maanden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, F.J. Agema en L.T. de Jonge, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2008.