Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC9493

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
15-04-2008
Zaaknummer
670488-07 (promis
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting van banken met behulp van valse/vervalste identiteitspapieren. Vrijspraak van deelname aan een criminele organisatie, omdat aan de hand van wettige bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van een samenwerkingsverband, laat staan de verdachte deel heeft uitgemaakt van een zodanig samenwerkingsverband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 670488-07 (promis)

datum uitspraak: 14 april 2008

op tegenspraak

raadsvrouw: mr. H. Postma

vonnis van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren in 1975,

[adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 februari 2008 en van 31 maart 2008.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 2 november 2007,

te Uithuizen, gemeente Eemsmond en/of Loppersum, tezamen en in vereniging met

een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om

zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen

van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 1] en/of [slachtoffer 1] en/of (een medewerker van) de SNS-bank te

bewegen tot de afgifte van 14.000 euro, althans een geldbedrag, in elk geval

van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk

en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met (een

medewerker van) de SNS-bank heeft gebeld en/of jegens die (medewerker van)

SNS-bank heeft voorgedaan als zijnde [slachtoffer 1] van

[bedrijf 1] te Utrecht en/of die (medewerker van) SNS-bank het verzoek gedaan om

14.000 euro op te nemen van de zakelijke rekening van

[bedrijf 1], terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven

niet is/zijn voltooid;

art 326 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 2 november 2007

te Ruinen, althans gemeente de Wolden, tezamen en in vereniging met een

ander, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] en/of (een

medewerker van) de SNS-bank heeft bewogen tot de afgifte van 14.000 euro,

althans een geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid

zich jegens een of meer medewerkers van de SNS-bank voorgedaan als zijnde

[slachtoffer 2], directeur groot aandeelhouder van [bedrijf 2],

waarbij verdachte een (vervalst) identiteitskaart van [slachtoffer 2] heeft

overgelegd en/of aan die medewerker(s) medegedeeld dat hij, verdachte, 14.000

euro, althans een geldbedrag, wilde opnemen en/of voor zijn werk in Drenthe

verblijft en/of het makkelijker is om terplaatse geld op te nemen,

waardoor die [bedrijf 2] en/of [slachtoffer 2] en/of (een

medewerker van) de SNS-bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,

EN/OF

een poging tot oplichting tezamen en in vereniging met een ander, althans

alleen, in genoemde periode in de gemeente Meppel (zelfde feitencomplex);

art 326 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 t/m 2 november 2007 te

Uithuizen en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst rijbewijs, - zijnde

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware

dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin

dat verdachte dat rijbewijs heeft gebruikt bij het opnemen van geld bij de

SNS-bank te Uithuizen, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin (onder

meer) dat dat rijbewijs geheel onecht/niet origineel was, althans een

kleurenkopie was lijkend op een rijbewijs en/of (aldus ook) niet aan alle

echtheidskenmerken voldeed, op naam van [slachtoffer 1] was gesteld en/of

voorzien was van een pasfoto van verdachte en/of een valse

handtekening/ondertekening;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij op of omstreeks 24 oktober 2007, althans in of omstreeks oktober 2007, te

Ruinen, althans gemeente De Wolden, een opnamedocument van de SNS-bank te

Ruinen - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te

dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte,

nadat hij zich bij die bank als geldopnemende klant had gepresenteerd onder de

valse naam [slachtoffer 2],

valselijk dat document van een handtekening, althans een ondertekening,

voorzien,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 02 november 2007

te Ruinen en/of Meppel en/of Uithuizen en/of elders in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, (telkens) in het bezit was van een reisdocument, te weten een

identiteitskaart op naam van [slachtoffer 2], waarvan hij wist of redelijkerwijs

moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was;

art 231 lid 2 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 t/m 2 november 2007, althans

in 2007, te Uithuizen en/of Ruinen en/of Meppel en/of Amsterdam en/of elders

in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot

oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van

oplichting(en) (van banken) en/of een of meer pogingen daartoe en/of valsheid

in geschrifte en/of het gebruikmaken van een of meer valse of vervalste

geschriften en/of het bezit van valse of vervalste reisdocumenten;

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Nadere omschrijving tenlastelegging ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering

De officier van justitie heeft op de zitting van 11 februari 2008 gevorderd dat de tenlastelegging als volgt nader zal worden omschreven:

1.

A)

hij in of omstreeks de periode van 23 tot en met 24 oktober 2007 te Ruinen, althans gemeente de Wolden, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een medewerker van) de SNS-bank heeft bewogen tot de afgifte van 14.000 euro, althans een geldbedrag,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- zich telefonisch jegens (een medewerker van) die SNS-bank voorgedaan als zijnde [slachtoffer 2], directeur groot aandeelhouder van [bedrijf 2], en/of aan (een medewerker van) die SNS-bank medegedeeld dat die [slachtoffer 2], 14.000 euro, althans een geldbedrag, wilde opnemen en/of dat dit voor verdachte praktisch was omdat verdachte een bedrijf in Utrecht had maar werkzaamheden verrichtte in de omgeving van Ruinen, en/of

- (vervolgens later) zich naar die bank begeven en/of aldaar zich gelegitimeerd met, althans getoond, een valse/vervalste identiteitskaart op naam van [slachtoffer 2], en/of

- tegen een medewerker van die SNS-bank gezegd dat hij eerder gebeld had en dat er geld voor hem klaar lag of gereserveerd was,

waardoor die (medewerker van) de SNS-bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(zaak 1)

art 326 jo 47 Wetboek van Strafrecht;

EN/OF

B)

hij op of omstreeks 24 oktober 2007, althans in of omstreeks oktober 2007, te Ruinen, althans gemeente De Wolden, een opnamedocument van de SNS-bank te Ruinen (onder meer bevattende de tekst “opgenomen door [slachtoffer 2]”) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers heeft verdachte valselijk dat document van een handtekening (welke moest doorgaan voor die van [slachtoffer 2]), althans een ondertekening, voorzien,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

C)

hij in of omstreeks de periode van 23 tot en met 24 oktober 3007, te Ruinen en/of elders in Nederland, in het bezit was van een reisdocument, te weten een identiteitskaart op naam van [slachtoffer 2], waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was;

art 231 Wetboek vanStrafrecht

2.

A)

hij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2007 tot en met 2 november 2007 te Uithuizen, althans in de gemeente Eemsmond, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels (een medewerker van) de SNS-bank te bewegen tot de afgifte van 14.000 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- tevoren met (een medewerker van) de SNS-bank heeft gebeld en/of jegens die (medewerker van) SNS-bank zich heeft voorgedaan als zijnde [slachtoffer 1] van het bedrijf [bedrijf 1] te Utrecht en/of die (medewerker van) SNS-bank het verzoek heeft gedaan om 14.000 euro op te nemen van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] en/of

- naar die bank is gegaan en/of aldaar zich heeft gelegitimeerd met, althans heeft getoond, een vals/vervalst rijbewijs op naam van die [slachtoffer 1], en/of

- heeft gezegd het gereserveerde geld te komen ophalen,

terwijl de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(zaak 4)

art 326 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

B)

hij op of omstreeks 2 november 2007 te Uithuizen, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst rijbewijs, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin

dat verdachte dat rijbewijs heeft gebruikt om zich te legitimeren bij de SNS-bank te Uithuizen, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat dat rijbewijs geheel vals/niet origineel was, althans niet aan alle echtheidskenmerken voldeed, en/of valselijk op naam van [slachtoffer 1] was gesteld en/of (daarbij) voorzien was van een pasfoto van verdachte en/of een valse handtekening/ondertekening;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 t/m 2 november 2007, althans in 2007, te Uithuizen en/of Ruinen en/of Meppel en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, waarvan, behalve verdachte, [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer anderen deel uitmaakten,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van oplichting(en) (van banken) en/of een of meer pogingen daartoe en/of valsheid in geschrifte en/of het gebruikmaken van een of meer valse of vervalste rijbewijzen, althans geschriften, en/of het in bezit hebben van valse/vervalste reisdocumenten, en/of het witwassen van geld;

art 140 Wetboek van Strafrecht

AD INFORMANDUM GEVOEGD FEIT

- poging tot oplichting van de SNS bank te Meppel, gepleegd in vereniging met een of meer anderen, op of omstreeks 24 oktober 2007 te Meppel; (zaak 2)

Deze vordering is door de rechtbank op de terechtzitting van 11 februari 2008, gehoord verdachte en de raadsvrouw, toegewezen.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan. De onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten worden door verdachte bekend.

Met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde, het deelnemen aan een criminele organisatie, heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd:

- In het zuiden van het land zijn vergelijkbare feiten gepleegd; de modus operandi zijn dezelfde als die in de onderhavige zaak; immers ook daar was sprake van een katvanger, zoals in casu verdachte, en waren er twee chauffeurs.

- Bij één van die chauffeurs is een bankpas aangetroffen met daarop een rekeningnummer en de naam [medeverdachte 1]. Deze naam en dit rekeningnummer staan tevens op een papiertje dat bij verdachte is aangetroffen.

- Bij één van de in het zuiden van het land gepleegde feiten, te weten in Maastricht, is een vervalst identiteitsbewijs gebruikt dat afkomstig is uit dezelfde serie, gestolen bij de SDU, als het vervalste identiteitsbewijs dat door verdachte werd gebruikt.

- Verdachte zou 10% van de opbrengst ontvangen, en niet een derde deel, hetgeen meer voor de hand had gelegen als er sprake was medeplegen door drie daders. Hieruit kan blijken dat er 90% van de opbrengst in de organisatie terecht zou komen, hetgeen duidt op de aanwezigheid van de hiërarchische structuur aldaar.

- Verdachte heeft verklaard dat hij een boete kreeg omdat hij bij één van de incidenten het valse identiteitsbewijs was kwijt geraakt. Dit getuigt van een gezagsstructuur en dat verdachte dit accepteerde is een bewijs van zijn loyaliteit naar de organisatie.

- Uit het arrest van de Hoge Raad van 22 januari 2008 (NJ 2008, 72) blijkt dat niet vereist is dat de verdachte samenwerkt met mensen die hem bekend waren of dat hij wist hoe de organisatie in elkaar zat.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat er voor wat betreft het onder 1 en 2 tenlastegelegde voldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen, met dien verstande dat niet bewezen kan worden dat verdachte telefonisch contact met de betreffende bank heeft opgenomen, zodat hij in beide feiten van dat onderdeel dient te worden vrijgesproken.

Verder heeft de raadsvrouw met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde aangevoerd dat volgens de Hoge Raad van een bewezenverklaring van ‘een organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Strafrecht vereist is dat er sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Naar het oordeel van de verdediging kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat tussen verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] een samenwerkingsverband bestond; immers verdachte was met geen enkele andere persoon bekend. Bovendien blijkt in deze zaak op geen enkele wijze dat deze verschillende personen met elkaar in verband stonden.

Beoordeling

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen (steeds afkomstig uit een dossier met nummer 08-00959 UFO 154, hierna te noemen “het dossier”).

(feit 1)

- de bekennende verklaring door verdachte ter terechtzitting van 31 maart 2008 afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 07-188353 d.d. 31 oktober 2007, opgenomen in bijlage 7, pagina 45 van het dossier (verklaring getuige [getuige]);

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 07-188325 d.d. 26 oktober 2007, opgenomen in bijlage 3, pagina 31 van het dossier (aangifte door [aangever 1] namens SNS-bank);

(feit 2)

- de bekennende verklaring door verdachte ter terechtzitting van 31 maart 2008 afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 07-139386 d.d. 29 november 2007, opgenomen in bijlage 10, pagina 55 van het dossier (aangifte door [aangever 2] namens SNS-bank).

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

(feit 3)

De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank kan niet aan de hand van wettige bewijsmiddelen vaststellen dat er sprake was van een samenwerkingsverband, laat staan dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een zodanig samenwerkingsverband.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde.

(feiten 1 en 2)

Uit de verklaring van verdachte blijkt dat er tussen verdachte en zijn mededaders, twee Antilliaanse mannen, overleg is gepleegd over de te plegen delicten, dat verdachte samen met één van deze mannen naar de betreffende banken is gereden, dat verdachte zich uitgaf voor een ander en met behulp van een vals identiteitsbewijs geld heeft opgenomen danwel probeerde op te nemen, dat verdachte het aldus verkregen geld aan de Antilliaanse man heeft gegeven en een deel van de opbrengst heeft gekregen. Getuige [getuige], werkzaam bij de SNS-bank te Ruinen, heeft verklaard dat op 23 oktober 2007, de dag voor de geldopname, door een man naar de bank is gebeld die zich bekend maakte als de heer [slachtoffer 2], en die aankondigde dat hij de volgende dag geld wilde opnemen. Verder heeft aangever [aangever 2] verklaard dat voorafgaand aan het onder 2 tenlastegelegde feit naar de SNS-bank te Uithuizen is gebeld door een man met een accent, niet perfect Nederlands, die zich uitgaf voor [slachtoffer 1] en verklaarde dat hij een kasopname wilde doen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet degene is geweest die voorafgaand aan de daadwerkelijke geldopname danwel de poging daartoe heeft gebeld met de bank.

Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat zowel bij feit 1 als bij feit 2 sprake was van een bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering, zodat het medeplegen ten aanzien van beide feiten bewezen kan worden. Dat maakt dat niet alleen de handelingen die verdachte zelf heeft uitgevoerd, maar ook handelingen die door één van de mededaders zijn verricht, zoals het bellen naar de bank, aan verdachte kunnen worden toegeschreven.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het onder 1A, 1B, 1C en onder 2A en 2B wettig en overtuigend bewezen met dien verstande dat

1.

A)

hij in de periode van 23 tot en met 24 oktober 2007 te Ruinen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, een medewerker van de SNS-bank heeft bewogen tot de afgifte van 14.000 euro,

hebbende verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- zich telefonisch jegens een medewerker van die SNS-bank voorgedaan als zijnde [slachtoffer 2], directeur groot aandeelhouder van [bedrijf 2], en aan een medewerker van die SNS-bank medegedeeld dat die [slachtoffer 2] 14.000 euro wilde opnemen en dat dit voor verdachte praktisch was omdat verdachte een bedrijf in Utrecht had maar werkzaamheden verrichtte in de omgeving van Ruinen, en

- vervolgens later zich naar die bank begeven en aldaar zich gelegitimeerd met een valse/vervalste identiteitskaart op naam van [slachtoffer 2], en

- tegen een medewerker van die SNS-bank gezegd dat hij eerder gebeld had en dat er geld voor hem klaar lag of gereserveerd was,

waardoor die medewerker van de SNS-bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

EN

B)

hij op 24 oktober 2007, te Ruinen, een opnamedocument van de SNS-bank te Ruinen (onder meer bevattende de tekst “opgenomen door [slachtoffer 2]”) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk dat document van een handtekening (welke moest doorgaan voor die van [slachtoffer 2]) voorzien,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

EN

C)

hij in de periode van 23 tot en met 24 oktober 3007, te Ruinen en/of elders in Nederland, in het bezit was van een reisdocument, te weten een identiteitskaart op naam van [slachtoffer 2], waarvan hij wist dat het reisdocument vals of vervalst was;

2.

A)

hij in de periode van 29 oktober 2007 tot en met 2 november 2007 te Uithuizen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels (een medewerker van) de SNS-bank te bewegen tot de afgifte van 14.000 euro, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven- valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- tevoren met een medewerker van de SNS-bank heeft gebeld en/of jegens die medewerker van SNS-bank zich heeft voorgedaan als zijnde [slachtoffer 1] van het bedrijf [bedrijf 1] te Utrecht en/of die medewerker van SNS-bank het verzoek heeft gedaan om 14.000 euro op te nemen van de zakelijke rekening van [bedrijf 1] en

- naar die bank is gegaan en aldaar zich heeft gelegitimeerd met, een vals/vervalst rijbewijs op naam van die [slachtoffer 1], en

- heeft gezegd het gereserveerde geld te komen ophalen,

terwijl de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

EN

B)

hij op 2 november 2007 te Uithuizen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst rijbewijs, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte dat rijbewijs heeft gebruikt om zich te legitimeren bij de SNS-bank te Uithuizen, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat dat rijbewijs valselijk op naam van [slachtoffer 1] was gesteld en (daarbij) voorzien was van een pasfoto van verdachte en een valse handtekening;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1A, 1B, 1C en onder 2A en 2B meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

1.

A. medeplegen van oplichting;

B. valsheid in geschrift;

C. in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals of vervalst is;

2.

A. medeplegen van poging tot oplichting;

B. opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1A, 1B, 1C, 2A, 2B en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft het ad informandum gevoegde feit hierin meegenomen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – ervan uitgaande dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde – verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest met daarbij een voorwaardelijke straf, gezien het feit dat verdachte volledige medewerking aan het onderzoek heeft gegeven, en gezien de omstandigheid dat verdachte first offender is. Daarnaast zou een taakstraf kunnen worden opgelegd in de vorm van een leerstraf sociale vaardigheidstraining en een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding is vermeld en dat door verdachte is erkend.

Verdachte heeft een aantal ernstige vermogensdelicten gepleegd. Hij heeft de SNS-bank te Ruinen opgelicht, waarbij hij een opnamedocument heeft vervalst, en gebruik heeft gemaakt van een vals reisdocument. Verder heeft verdachte geprobeerd de SNS-bank te Uithuizen op te lichten, daarbij gebruik makend van een vals rijbewijs. De laatste oplichting is verijdeld omdat een medewerker van de bank alert was en de politie had ingeschakeld, waarna verdachte werd aangehouden. Tenslotte heeft verdachte geprobeerd de SNS-bank te Meppel op te lichten. Verdachte heeft hiermee het vertrouwen dat mensen moeten kunnen hebben in de betrouwbaarheid van schriftelijke stukken, die de basis vormen voor banktransacties, ernstig ondermijnd.

Aan de andere kant neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Verder blijkt uit de reclasseringsrapportage dat het hier gaat om een naïeve en goedgelovige man. De rechtbank merkt hierbij echter op dat ondanks een dergelijke naïviteit ook deze verdachte een eigen verantwoordelijkheid draagt bij het betrokken raken bij vermogensdelicten van een omvang als de onderhavige.

Tenslotte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn leven een andere wending zal geven. Verdachte is bereid een sociale vaardigheidstraining te volgen, en hij kan per direct aan het werk in het stukadoorsbedrijf van zijn broer.

De rechtbank komt tot een andere strafmodaliteit dan de officier van justitie, mede vanwege het feit dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder 3 tenlastegelegde terwijl de officier van justitie in zijn eis uitgaat van een bewezenverklaring van dit feit.

De rechtbank acht het van belang dat verdachte wordt ondersteund in zijn voornemen om zijn leven een andere wending te geven. De rechtbank heeft ter zitting van 31 maart 2008 de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven en zal aan verdachte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opleggen gelijk aan de duur van het voorarrest, en daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf en een leerstraf sociale vaardigheidstraining. De rechtbank acht het opleggen van een voorwaardelijke vrijheidsstraf niet aan de orde nu verdachte vanwege het uitvoeren van de taakstraf al contacten zal hebben met de reclassering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 45, 47, 57, 225, 231 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het onder 1A, 1B, 1C en onder 2A en 2B tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1A, 1B, 1C en onder 2A en 2B meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 151 dagen.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

een taakstraf bestaande uit een werkstraf van 180 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De werkstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de werkstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

een taakstraf bestaande uit een leerstraf van 22 uren, met bevel dat vervangende hechtenis voor de duur van 11 dagen zal worden toegepast als veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

De leerstraf zal bestaan uit een individuele sociale vaardigheidstraining.

De leerstraf moet zijn voltooid binnen een jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis. De veroordeelde zal zich met betrekking tot de leerstraf gedragen naar de aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. M.J.B. Holsink, voorzitter, F.J. Agema en S. Tempel, in tegenwoordigheid van A. den Held, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 april 2008.