Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC9318

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
18/996522-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is tenlastegelegd dat hij de Raad van Commissarissen van de Nederlandse Cement Deelnemingsmaatschappij inzake de overname van het bedrijf Fernhout B.V. heeft opgelicht. Verdachte zou opzettelijk valse informatie hebben verstrekt aan de Raad van Commissarissen teneinde deze Raad te bewegen de overname te accorderen, dit met het oogmerk om zichzelf en/of een ander te verrijken.

Verdachte wordt vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Enerzijds omdat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte opzettelijk valse informatie heeft verstrekt en anderzijds omdat niet blijkt dat de Raad van Commissarissen door de verstrekte informatie zou zijn bewogen tot het accorderen van de overname.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/996522-05

datum uitspraak: 11 april 2008

op tegenspraak

raadslieden: mr. D.V.A. Brouwer en mr. T.A.H.M. van de Laar

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [Geboorteplaats en -datum],

wonende aan de [Woonadres verdachte],

verdachte.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 november 2007 en 26, 27 en 28 maart 2008.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd - na aanvulling en wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 26 maart 2008, welke vordering door de rechtbank op de terechtzitting is toegewezen, gehoord verdachte en de raadslieden - dat

hij in of omstreeks de maand(en) maart 2001 en/of april 2001, althans in of omstreeks het jaar 2001, te Nieuwegein en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de raad van Commissarissen, althans (een medewerker van) de Nederlandse Cement Deelnemingsmaatschappij B.V. heeft bewogen tot toestemming voor en/of goedkeuring van de afgifte van een bedrag van en/of het aangaan van een schuld van f192.500.000,-, in elk geval van enig goed en/of aangaan van enige schuld, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan (een of meerdere leden/een lid) van voornoemde Raad van Commissarissen meedegedeeld of laten meedelen (zakelijk weergegeven) dat:

- Fernhout (alleen) gekocht kon worden voor een bedrag van f 192.500.000, en/of

- er snel beslist moest worden, omdat er nog andere gegadigden waren, en/of

- er van de familie Fernhout gekocht zou worden,

waardoor (de Raad van Commissarissen van) de Nederlandse Cement Deelnemingsmaatschappij B.V. werd bewogen tot toestemming voor en/of goedkeuring van bovenomschreven afgifte en/of tot het aangaan van bovengenoemde schuld.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Bewijsoverwegingen

De raadslieden van verdachte hebben verweer gevoerd en hebben geconcludeerd tot vrijspraak.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij de Raad van Commissarissen van de Nederlandse Cement deelnemingsmaatschappij B.V. (hierna NCD) in de transactie Fernhout zou hebben opgelicht.

Van oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is sprake wanneer iemand met het oogmerk om zich (of een ander) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels, een ander beweegt tot afgifte van enig goed of het aangaan van enige schuld. Wil er dus in juridische zin van oplichting sprake zijn, dan moet door één of meer van de hiervoor genoemde middelen iemand hiertoe worden bewogen.

Tussen de afgifte van het goed of het aangaan van enige schuld en de hiervoor genoemde middelen, moet een rechtstreekse verbinding bestaan. Met andere woorden, men moet door één (of meer) van die middelen ook daadwerkelijk zijn overgehaald.

De rechtbank zal achtereenvolgens de drie in de tenlastelegging genoemde middelen bespreken. Daarna zal zij de vraag beantwoorden of de Raad van Commissarissen van NCD door voormelde middelen is bewogen tot het accorderen van de overname van Fernhout B.V..

De aankoopprijs van Fernhout B.V.

De raadslieden hebben voor zover op dit onderdeel betrekking hebbend - zakelijk weergegeven - de navolgende gang van zaken geschetst.

[Medeverdachte G] (hierna: [Medeverdachte G]) is er omstreeks april/mei 2000 van op de hoogte geraakt dat het familiebedrijf Fernhout B.V. mogelijk te koop zou worden aangeboden. Nadat de onderhandelingen tussen de familie [Familienaam] en Ballast Nedam over een overname niet tot overeenstemming tussen deze partijen hadden geleid, is [Medeverdachte G] (voor eigen rekening en risico) in onderhandeling getreden met de familie [Familienaam].

Eind 2000 heeft [Medeverdachte G] met zijn zakelijk adviseurs, verdachte en diens medeverdachte [Medeverdachte W], het feit besproken dat hij in onderhandeling was met de familie [Familienaam] over een eventuele aankoop van alle aandelen van Fernhout B.V.. Medeverdachte [Medeverdachte W] is door [Medeverdachte G] gevraagd de onderdelen van het bedrijf Fernhout B.V. op waarde te schatten.

Verdachte heeft bij de gesprekken met [Medeverdachte G] over de overname van Fernhout B.V. te kennen gegeven dat ook het bedrijf Nederlandse Cement Deelnemingsmaatschappij (hierna: NCD), bij welk bedrijf verdachte op dat moment als directeur in dienst was, mogelijk geïnteresseerd zou zijn in de overname van (onderdelen van) Fernhout B.V.. [Medeverdachte G] was uit eigen hoofde geïnteresseerd in andere onderdelen van het bedrijf en toonde zich bereid aan de NCD de overige onderdelen van Fernhout B.V. te verkopen.

Terzake de gedeelde interesse in het bedrijf Fernhout B.V. is in de eerste week van januari 2001 een bijeenkomst belegd waarbij aanwezig waren verdachte en diens medeverdachte [Medeverdachte W], [Medeverdachte G] en [Getuige R], toenmalig voorzitter van de Raad van Commissarissen van de NCD (hierna: [Getuige R]). [Getuige R] heeft tijdens deze bijeenkomst te kennen gegeven dat de NCD geïnteresseerd was in de aankoop van alle aandelen van Fernhout, de deelnemingen van de Fernhout-groep inbegrepen.

Volgens de raadslieden is [Medeverdachte G] bij die bijeenkomst met de aanwezigen voorlopig overeengekomen dat hij op eigen titel zou doorgaan met de onderhandelingen met Fernhout B.V. en dat hij - indien hij in staat bleek Fernhout B.V. te verwerven - de intentie had het bedrijf Fernhout B.V. in zijn geheel aan de NCD te verkopen, voor een totaalprijs tussen de 190 en 195 miljoen gulden. [Medeverdachte G] heeft daarbij bedongen, in ruil voor het afstaan van die onderdelen van Fernhout B.V., waarin hijzelf geïnteresseerd was, aan de NCD, dat hij het verschil tussen de aan- en verkoopwaarde van Fernhout B.V. behield.

Vervolgens hebben de verdere onderhandelingen tussen de familie [Familienaam] en

[Medeverdachte G] plaatsgehad, waarbij bij een aantal onderhandelingsbesprekingen medeverdachte [Medeverdachte W] namens de NCD aanwezig is geweest teneinde reeds vroegtijdig informatie voor de NCD in te winnen. Op 6 april 2001 heeft er, in de lezing van de raadslieden, een onderhoud tussen [Medeverdachte G] en verdachte plaatsgehad, waarbij zij de intentie overeenkwamen dat de NCD alle aandelen in Fernhout B.V. zou kopen van [Medeverdachte G.] voor een totaalbedrag van 192,5 miljoen gulden.

Pas nadat een principeovereenkomst tussen [Medeverdachte G] en verdachte (in zijn hoedanigheid van directeur van de NCD) was bereikt over de prijs die de NCD voor alle aandelen van Fernhout B.V. zou betalen, is in de onderhandelingen tussen [Medeverdachte G] en de familie [Familienaam] overeenstemming bereikt over de prijs die [Medeverdachte G] diende te betalen voor alle aandelen Fernhout B.V.. Daarbij is uiteindelijk het bedrag van 170 miljoen gulden overeengekomen. De raadslieden merken daarbij volledigheidshalve op dat het bedrag dat [Medeverdachte G] betaalde voor de aandelen exclusief de door hem gemaakte kosten en verplichtingen jegens de familie [Familienaam] was, terwijl het bedrag dat de NCD zou betalen kostenvrij was.

Ter gelegenheid van de vergadering van de Raad van Commissarissen van de NCD op 22 maart 2001 heeft verdachte de mogelijkheid van overname van Fernhout B.V. ter accordering aan deze Raad voorgelegd. Verdachte heeft daarbij de prijs genoemd die met [Medeverdachte G] was overeengekomen, te weten 192,5 miljoen gulden. Derhalve heeft verdachte volgens de raadslieden de Raad van Commissarissen van de NCD niet onjuist voorgelicht over de prijs die voor alle aandelen van Fernhout B.V. betaald moest worden.

Gelet op het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting acht de rechtbank de, door de verdediging, geschetste gang van zaken noch strijdig met de voorhanden zijnde bewijsmiddelen noch onaannemelijk. Meergenoemde prijs van 192,5 miljoen gulden is wel degelijk overeengekomen tussen de NCD en de verkopende partij ([Medeverdachte G]). Daarbij is duidelijk dat de positie en de opstelling van [Getuige R], voorzitter van de Raad van Commissarissen, van overwegende betekenis is geweest. In het verhoor van 16 januari 2008 ten overstaan van de rechter-commissaris (met name gelet op de antwoorden naar aanleiding van de vragen 31 t/m 34) bevestigde [Getuige R] dat reeds in januari 2001 over een prijs van deze omvang is gesproken, dat de Fernhout-groep in haar geheel zou worden verworven en dat de aankoop van de Fernhout-groep in het bijzonder aantrekkelijk was met het oog op de zand- en grindmarkt.

Dat de familie [Familienaam] een lagere prijs heeft ontvangen dan het bedrag dat de NCD heeft betaald voor de betreffende aandelen, doet aan de juistheid van vorenstaande niet af.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat verdachten de Raad van Commissarissen van de NCD opzettelijk onjuist hebben voorgelicht ten aanzien van de aankoopprijs.

Ter terechtzitting is door de raadslieden voorts aangegeven dat de door de NCD betaalde prijs volgens alle op dat moment bekende taxaties van de waarde van de aandelen van Fernhout B.V. - mede gelet op het strategische belang dat de Fernhout B.V. vertegenwoordigde - allerminst onredelijk was.

De rechtbank overweegt terzake dat uit het dossier blijkt, dat ook ten aanzien van de waarde van de aandelen Fernhout B.V. allerminst is gebleken dat de totale waarde (ver) beneden de 192,5 miljoen gulden zou zijn geweest, zodat het door de NCD voor de aandelen betaalde bedrag geen aanleiding vormt om te twijfelen aan de door de raadslieden geschetste gang van zaken.

De noodzaak snel te beslissen vanwege andere gegadigden

Dat er kapers op de kust waren en er haast was bij het accorderen van de overname heeft verdachte - blijkens diens verklaring ter terechtzitting - ter gelegenheid van de vergadering van de Raad van Commissarissen meegedeeld. Dit was volgens de raadslieden daarin gelegen dat [Medeverdachte G] niet formeel gebonden was te verkopen aan de NCD en hij bij het uitblijven van toestemming van de Raad van Commissarissen van de NCD, uiteindelijk Fernhout B.V. zelf zou hebben opgedeeld en doorverkocht teneinde zich van een nog grotere winstmarge te verzekeren.

Gelet op de intentieovereenkomst tussen [Medeverdachte G] enerzijds en verdachte cq. de NCD anderzijds over de verkoop van alle aandelen Fernhout B.V. aan de NCD, acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat [Medeverdachte G] op een zo korte termijn zou hebben besloten tot verkoop aan andere gegadigden, dat er ten tijde van de vergadering van 22 maart 2001 sprake was van een noodzaak zeer spoedig te beslissen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan deze in de tenlastelegging uitgewerkte feitelijkheid ten aanzien van de noodzaak zeer spoedig te beslissen, wettig en overtuigend bewezen worden verklaard middels het door verdachte ter terechtzitting verklaarde omtrent de afspraken tussen [Medeverdachte G] en verdachte, de notulen van de vergadering van de Raad van Commissarissen van 22 maart 2001 en het feit dat verdachte niet heeft ontkend ter gelegenheid van die vergadering te hebben gezegd dat er zeer spoedig moest worden beslist.

Kopen van de familie [Familienaam]

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat, voor zover in de 'Aufsichtsratvorlage Erwerb der Fernhout B.V. Holland' (opgenomen op pagina 000399 van het strafdossier als bijlage D-2018) is te lezen dat er direct van de familie [Familienaam] werd gekocht, deze notitie niet door verdachte of diens medeverdachte [Medeverdachte W] is opgesteld, zodat zij zich niet opzettelijk van dit middel kunnen hebben bediend teneinde de Raad van Commissarissen te bewegen de overname te accorderen. Zijdens de verdediging is daaromtrent voorts aangegeven dat bij overnames zelden werd vermeld van wie werd gekocht en daarnaar ook niet pleegde te worden gevraagd, daar het niet ter zake doet.

Deze tenlastegelegde feitelijke gedraging kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen. Hoewel de notitie is opgemaakt op basis van gegevens die door verdachte en diens medeverdachte [Medeverdachte W] zijn opgesteld, is niet uit te sluiten dat de stelling dat direct van de familie [Familienaam] werd gekocht, afkomstig is van diegene die belast was met de redactie van de 'Aufsichtsratvorlage Erwerb der Fernhout B.V. Holland'.

Het bewegen van de Raad van Commissarissen tot het accorderen van de overname

Naar het oordeel van de rechtbank is - zoals hiervoor reeds aangegeven - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in strijd met de waarheid aan de Raad van Commissarissen van de NCD heeft meegedeeld dat er zeer spoedig moest worden beslist.

Nog daargelaten of verdachte en diens medeverdachte [Medeverdachte W] zich van deze feitelijkheid hebben bediend met het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, moet worden onderzocht of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de Raad van Commissarissen van de NCD, door de door verdachte en diens medeverdachte in strijd met de waarheid verstrekte informatie, is bewogen tot het accorderen van de overname van Fernhout B.V..

De rechtbank acht ook dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen. Immers, uit de voorhanden zijnde verklaringen van de Commissarissen en de voorzitter van de Raad van Commissarissen van de NCD was het niet zozeer het feit dat zeer spoedig moest worden beslist (noch de overeengekomen prijs noch het direct kopen van de familie [Familienaam]) hoofdzakelijk aanleiding om de overname te accorderen, maar het feit dat met de overname van Fernhout B.V. de NCD zijn strategische positie in de zand- en betonmortelbranche kon versterken.

De plaats van het delict

Ten slotte overweegt de rechtbank ten aanzien van de plaats van het tenlastegelegde delict, dat is tenlastegelegd, dat de Raad van Commissarissen te Nieuwegein en/of (elders) in Nederland is bewogen tot het accorderen van de overname van Fernhout B.V.. Ook dit onderdeel acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen nu allerminst ondenkbaar is dat de Commissarissen elk voor zich pas hebben besloten tot het accorderen van de overname, na de ontvangst van de notitie 'Aufsichtsratvorlage Erwerb der Fernhout B.V. Holland' op hun respectievelijke huisadressen, welke adressen in meerdere gevallen niet in Nederland maar in Duitsland waren gelegen.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door het verstrekken van onjuiste informatie omtrent de overname van Fernhout B.V. door de NCD, de Raad van Commissarissen van de NCD heeft bewogen tot het accorderen van die overname. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het hem tenlastegelegde.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. F. Sijens, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en

mr. P.L.M.J. Rooijakkers, in tegenwoordigheid van mr. J.H.S. Kroeze, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2008.

Mr. J.Y.B. Jansen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.