Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC7876

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
18/994767-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overschrijding van het aantal toegestane pluimveerechten in 2005 en 2006. Verdachte heeft aldus een voorschrift gericht op het beheersbaar houden dan wel voorkomen van milieuproblemen opzettelijk overtreden. Volgt oplegging van een (deels voorwaardelijke) geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

Parketnummer: 18/994767-07

Datum uitspraak: 27 maart 2008

Op tegenspraak

Vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Groningen, in de zaak tegen

[verdachte],

gevestigd te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2008.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

zij in de gemeente Menterwolde, in het kalenderjaar 2005, al dan niet opzettelijk op verdachtes pluimveebedrijf aan de [adres], een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen, afkomstig van kippen en/of kalkoenen, heeft geproduceerd dan het voor dat jaar voor dat bedrijf geldende pluimveerecht (in kilogrammen fosfaat uitgedrukte hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en/of kalkoenen die op grond van het bij of krachtens hoofdstuk V, titel 2, uitgezonderd artikel 58d, bepaalde in een kalenderjaar ten hoogste op een bedrijf mag worden geproduceerd), immers gold voor verdachtes/genoemd pluimveebedrijf een pluimveerecht van 10.525 kilogram fosfaat, terwijl verdachte in het kalenderjaar 2005 op genoemd bedrijf 12.129 kilogram fosfaat heeft geproduceerd, alzo een overschrijding van 1.604 kilogram fosfaat, in ieder geval meer dan de toegestane hoeveelheid van 10.525 kilogram fosfaat;

2.

zij in de gemeente Menterwolde, in het kalenderjaar 2006, al dan niet opzettelijk op verdachtes pluimveebedrijf aan de [adres], gemiddeld een groter aantal kippen en/of kalkoenen heeft gehouden dan het op dat bedrijf rustende pluimveerecht (gemiddeld aantal kippen en/of kalkoenen, uitgedrukt in pluimvee-eenheden, dat op grond van hoofdstuk V in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden) immers rustte op verdachtes/genoemd pluimveebedrijf een pluimveerecht van 21.050 pluimvee-eenheden, terwijl verdachte op verdachtes/genoemd bedrijf in het kalenderjaar 2006 22.386 pluimvee-eenheden heeft gehouden, alzo een overschrijding van 1.336 pluimvee-eenheden, in ieder geval meer dan het toegestane aantal van 21.050 pluimvee-eenheden.

Vordering van de officier van justitie

Namens verdachte is - ten aanzien van feit 2 - ter terechtzitting gesteld dat zij in het kalenderjaar 2006 op haar bedrijf geen 22.386 pluimvee-eenheden heeft gehouden, maar 21.725, waardoor de overschrijding van het toegestane aantal pluimvee-eenheden neerkomt op 675 in plaats van 1.336. Een en ander is met stukken onderbouwd.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting meegedeeld dat hij, gelet op hetgeen namens verdachte dienaangaande naar voren is gebracht, bereid is om in plaats van het in (feit 2 van) de tenlastelegging vermelde aantal van "22.386 pluimvee-eenheden" te lezen: "21.725 pluimvee-eenheden", zodat - zoals namens verdachte ook wordt erkend - sprake is van een overschrijding van 675 pluimvee-eenheden.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van € 6775,- waarvan € 3775,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Overwegingen omtrent het bewijs

Standpunt van verdachte

Namens verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte niet opzettelijk teveel fosfaat heeft geproduceerd dan wel het aantal pluimvee-eenheden heeft overschreden. Daartoe heeft verdachte onder meer benadrukt dat haar bedrijfsvoering in het verleden steeds is gericht geweest op het verkrijgen van pluimveerechten en op realisatie van een grondgebonden duurzame productie, maar dat dat niet is gelukt door verschillende factoren die buiten de macht van verdachte lagen, waaronder - samengevat - (snel) veranderende wet- en regelgeving die heeft geleid tot, voor verdachte, onvoorziene omstandigheden.

In dit verband heeft verdachte er voorts op gewezen dat er onder het MINAS-systeem door verdachte een saldo is opgebouwd waardoor milieuwinst is behaald. Dit saldo kan, door veranderde wetgeving, niet meer worden gebruikt

Daarnaast heeft verdachte gewezen op een salmonellabesmetting in 2003. De grootschalige aanpak van deze salmonella is uiterst grondig geweest. Deze aanpak is gepaard gegaan met enorme kosten. Verdachte hanteert thans (nog) strenge(re) hygiënevoorschriften en een strakke discipline. Deze aspecten zijn van groot belang geweest toen, in 2005, de dreiging van vogelpest de kop op stak. Al met al zou het zo kunnen zijn dat de omstandigheid dat er in 2005 teveel kippen zijn gehouden, te maken heeft gehad met de geleden schade als gevolg van de salmonellabesmetting en de daarop genomen maatregelen, in die zin dat dat voor verdachte de manier was om, na de geleden schade, het hoofd boven water te houden.

Ten aanzien van 2006 heeft verdachte naar voren gebracht dat in dat jaar alle zeilen zijn bijgezet om een overschrijding te voorkomen. Het vijf weken leeg laten staan van de stallen en een ruimere leegstand tussen de ronden door hadden een overschrijding moeten voorkomen, aldus verdachte. Niettemin - verdachte erkent dit - is het aantal pluimvee-eenheden in 2006 overschreden, zij het - in de visie van verdachte - in geringe mate.

Tot slot heeft verdachte benadrukt dat zij bijzonder alert is op het nemen van afdoende maatregelen en dat zij in 2007 is overgegaan tot aanschaf van extra mestrechten.

De economische politierechter overweegt als volgt.

Verdachte betwist niet dat in 2005 voor haar een pluimveerecht gold van 10.525 kilogram fosfaat, en evenmin dat in 2006 op haar een pluimveerecht rustte van 21.050 pluimvee-eenheden. Ook betwist verdachte niet dat er in 2005 en 2006 sprake was overschrijding van het pluimveerecht, met respectievelijk 1.604 kilogram fosfaat (in 2005) en 675 pluimvee-eenheden (in 2006).

Verdachte heeft gesteld - zo verstaat de economische politierechter verdachte - dat er de afgelopen jaren sprake is geweest van onduidelijkheid en onzekerheid in de pluimveesector ten aanzien van de geldende wet- en regelgeving, ter beheersing van de mestproblematiek. De economische politierechter overweegt dat deze enkele stelling van verdachte haar niet kan baten. De door verdachte bedoelde wet- en regelgeving is van meet af aan op verdachte van toepassing geweest, en was voor verdachte kenbaar. Dat de (wijze van) bepaling van de hoogte van het pluimveerecht in de visie van verdachte heeft geleid tot onbillijkheden - wat daarvan ook zij -, maakt niet dat, in het kader van de onderhavige strafzaak, zou moeten worden uitgegaan van een andere omvang van het aan verdachte toegekende pluimveerecht.

De economische politierechter merkt voorts nog op - gelet op hetgeen verdachte dienaangaande heeft aangevoerd - dat de huidige wet- en regelgeving niet voorziet in middeling over een aantal jaren, zoals op basis van het mineralenaangifteysteem (Minas) mogelijk was.

Met betrekking tot het verweer dat verdachte niet opzettelijk teveel fosfaat heeft geproduceerd dan wel het aantal pluimvee-eenheden heeft overschreden, overweegt de economische politierechter het volgende.

Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2007 (NJ 2007, 544) behoeft opzet in zijn algemeenheid niet op het overtreden van het verbod te zijn gericht, in casu op - kort gezegd - overschrijding van het pluimveerecht, ook niet in de gevallen waarin de strafbepaling is geformuleerd in de vorm van opzettelijke overtreding van een wettelijk voorschrift. De omstandigheid dat - waar de economische politierechter wel van wil uitgaan - boos opzet bij verdachte ontbreekt ("boos opzet" betekent: willens en wetens iets doen of nalaten), staat dan ook niet in de weg aan het bewijs dat verdachte het feit opzettelijk heeft begaan.

Bewezenverklaring

De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij in de gemeente Menterwolde, in het kalenderjaar 2005, opzettelijk op verdachtes pluimveebedrijf aan de [adres], een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen, afkomstig van kippen, heeft geproduceerd dan het voor dat jaar voor dat bedrijf geldende pluimveerecht (in kilogrammen fosfaat uitgedrukte hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en/of kalkoenen die op grond van het bij of krachtens hoofdstuk V, titel 2, uitgezonderd artikel 58d, bepaalde in een kalenderjaar ten hoogste op een bedrijf mag worden geproduceerd), immers gold voor verdachtes pluimveebedrijf een pluimveerecht van 10.525 kilogram fosfaat, terwijl verdachte in het kalenderjaar 2005 op genoemd bedrijf 12.129 kilogram fosfaat heeft geproduceerd, alzo een overschrijding van 1.604 kilogram fosfaat;

2.

zij in de gemeente Menterwolde, in het kalenderjaar 2006, opzettelijk op verdachtes pluimveebedrijf aan de [adres], gemiddeld een groter aantal kippen heeft gehouden dan het op dat bedrijf rustende pluimveerecht (gemiddeld aantal kippen en/of kalkoenen, uitgedrukt in pluimvee-eenheden, dat op grond van hoofdstuk V in een kalenderjaar ten hoogste mag worden gehouden) immers rustte op verdachtes pluimveebedrijf een pluimveerecht van 21.050 pluimvee-eenheden, terwijl verdachte op verdachtes bedrijf in het kalenderjaar 2006 in ieder geval meer dan het toegestane aantal van 21.050 pluimvee-eenheden heeft gehouden.

De economische politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De economische politierechter heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de economische politierechter bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

1. opzettelijke overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 58c (oud) van de Meststoffenwet, begaan door een rechtspersoon;

2. opzettelijke overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 20, eerste lid, van de Meststoffenwet, begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van verdachte

De economische politierechter acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de economische politierechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, zoals dat tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voorts heeft de economische politierechter rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het bewezen en strafbaar verklaarde is begaan, mede gelet op de omstandigheden van verdachte en de draagkracht van verdachte, zoals een en ander tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. Daarnaast heeft de economische politierechter rekening gehouden met de vordering van de officier van justitie.

Ten aanzien van verdachte is bewezenverklaard dat zij in 2005 en in 2006 op haar bedrijf een grotere hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen heeft geproduceerd dan het voor die jaren voor dat bedrijf geldende pluimveerecht. De economische politierechter verwijt verdachte dat zij een voorschrift gericht op het beheersbaar houden dan wel voorkomen van milieuproblemen opzettelijk heeft overtreden.

Volgens een uittreksel JDS van 6 februari 2008 is verdachte onbekend in de Justitiële Documentatie. Deze omstandigheid heeft een matigende werking op de straftoemeting.

De economische politierechter acht een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende bestraffing. Met het voorwaardelijk opleggen van een deel van de geldboete wordt voorts beoogd verdachte meer in het algemeen ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te begaan.

Bij de totstandkoming van dit oordeel heeft de economische politierechter rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte voor zover deze ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De economische politierechter heeft gelet op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24a, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

- 20 en 58c (oud) van de Meststoffenwet;

- 1a (oud), 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

BESLISSING

De economische politierechter:

- verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 en 2 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een geldboete van € 6775,- (zegge: zesduizendzevenhonderdvijfenzeventig euro).

- bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot € 3775,-, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaren gestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

- bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van de geldboete mag worden voldaan in tien opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 300,-.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R. Depping, economische politierechter, in tegenwoordigheid van M. Smit-Colnot, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 maart 2008.