Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC7527

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
20-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
18/670392-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet naleving van de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik leidt in casu niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie doch wel tot bewijsuitsluiting op meerdere onderdelen. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670392-07

datum uitspraak: 20 maart 2008

op tegenspraak

raadsman: mr. G. Meijer

vonnis van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende [adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 december 2007 en 6 maart 2008.

Tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2000 tot en met 21 april 2007 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Hoogezand-Sappemeer en/of Steenwijkerland en/of Appingedam en/of Delfzijl, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) en/of tong in de vagina van die [ ] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of op een plek heeft neergezet/neergelegd/geduwd en/of -op het moment dat die [slachtoffer 1] probeerde weg te gaan en/of weg te komen- heeft tegengehouden en/of bij de schouders beetgepakt en/of teruggezet/geduwd op die plek en/of toen verdachte zijn penis tegen haar mond duwde en/of die [slachtoffer 1] haar hoofd probeerde weg te draaien haar hoofd met zijn hand(en)

heeft tegengehouden en/of die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Je mag tegen niemand zeggen wat er gebeurd is" en/of dat als zij, [slachtoffer 1] wat zou zeggen, hij, verdachte, zou zeggen dat het niet waar is en/of dat hij, verdachte, haar moeder zou slaan en/of haar ([slachtoffer 1]) zou meenemen, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of (telkens) door zijn wijze van optreden en/of (telkens) door zijn houding tegenover die [slachtoffer 1] een voor haar -zeer- bedreigende sfeer heeft geschapen en/of (telkens) een zodanige (psychische) druk op haar heeft uitgeoefend dat zij

toegaf aan zijn, verdachts, wensen en/of (aldus) (telkens) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2000 tot en met 29 juli 2003, in de gemeente Rotterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 1], die toen (telkens) de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) en/of

tong in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht,

EN/OF

hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2000 tot en met 21 april 2007 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Hoogezand-Sappemeer en/of Steenwijkerland en/of Appingedam en/of Delfzijl, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 1], en/of

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of tong in de vagina van die [slachtoffer 1], en/of

- het voelen en/of betasten van de borsten en/of vagina en/of billen van die [slachtoffer 1], en/of

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 1],

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of op een plek heeft neergezet/neergelegd/geduwd en/of -op het moment dat die [slachtoffer 1] probeerde weg te gaan en/of weg te komen- heeft

tegengehouden en/of bij de schouders beetgepakt en/of teruggezet/geduwd op die plek en/of toen verdachte zijn penis tegen haar mond duwde en/of die [slachtoffer 1] haar hoofd probeerde weg te draaien haar hoofd met zijn hand(en) heeft tegengehouden en/of die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Je mag tegen niemand zeggen wat er gebeurd is" en/of dat als zij, [slachtoffer 1] wat zou zeggen, hij, verdachte, zou zeggen dat het niet waar is en/of dat hij, verdachte, haar moeder zou slaan en/of haar ([slachtoffer 1]) zou meenemen,

althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of (telkens) door zijn wijze van optreden en/of (telkens) door zijn houding tegenover die [slachtoffer 1] een voor haar -zeer- bedreigende sfeer heeft geschapen en/of (telkens) een zodanige (psychische) druk op haar heeft uitgeoefend dat zij toegaf aan zijn, verdachts, wensen en/of (aldus) (telkens) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2003 tot en met 21 april 2007 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Hoogezand-Sappemeer en/of Steenwijkerland en/of Appingedam en/of Delfzijl, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer 1] die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte meermalen, althans eenmaal, (telkens) zijn penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of een of meer van zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gebracht;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2000 tot en met 21 april 2007 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Hoogezand-Sappemeer en/of Steenwijkerland en/of Appingedam en/of Delfzijl, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer 1] die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 1], en/of

- het duwen/brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of tong in de vagina van die [slachtoffer 1], en/of

- het voelen en/of betasten van de borsten en/of vagina en/of billen van die [slachtoffer 1], en/of

- het likken van de vagina van die [slachtoffer 1];

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 30 juli 2000 tot en met 21 april 2007 in de gemeente(n) Rotterdam en/of Hoogezand-Sappemeer en/of Steenwijkerland en/of Appingedam en/of Delfzijl, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1], geboren op 30 juli 1991, immers heeft hij meermalen, althans eenmaal, (telkens) zijn penis in de mond en/of vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of een of meer van zijn vinger(s) en/of tong in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gebracht en/of de borsten en/of vagina en/of billen van die [slachtoffer 1] bevoeld/betast/gestreeld en/of de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2005 tot en met 21 april 2007 in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum] 1997, immers heeft hij meermalen, althans eenmaal, (telkens) de vagina en/of de schaamstreek van die [slachtoffer 2] betast en/of bevoeld en/of gestreeld en/of gekust en/of de billen van die [slachtoffer 2] betast en/of bevoeld en/of

gestreeld;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2005 tot en met 21 april 2007 in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met [slachtoffer 2], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, (telkens) buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande (telkens) uit het betasten en/of bevoelen en/of strelen en/of kussen van de vagina en/of schaamstreek van die [slachtoffer 2] en/of het betasten en/of bevoelen en/of strelen van de billen van die [slachtoffer 2];

3.

hij op of omstreeks 4 september 2007, in de gemeente Delfzijl een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk onbekend, type Walther PPK, 7.65 mm kaliber), en/of munitie van categorie III, te weten 4 patronen (kaliber .32) en/of 1 patroon (kaliber 7.65mm), voorhanden heeft gehad;

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie, wegens verzuim van vormen, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard inzake de vervolging van het tenlastegelegde seksueel misbruik van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Hiertoe voert de raadsman aan dat bij de opsporing en vervolging is gehandeld in strijd met de "Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik", die op 15 februari 2005 in werking is getreden. De raadsman geeft aan dat er op de volgende punten vormvoorschriften zijn geschonden:

- Niet gebleken is dat de verbalisanten, betrokken bij het onderzoek, zijn aan te merken als in zedenzaken gespecialiseerde rechercheurs, die minimaal 50% van een volledige werkweek aan zedenzaken besteden.

- Ook verdachte is niet gehoord door een ervaren zedenrechercheur die voldoet aan voornoemd criterium.

- De zedenaanspreekofficier is niet geconsulteerd.

- Bij het informatieve gesprek, dat heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de aangifte, was de moeder van aangeefster aanwezig. Zij is daarna als getuige gehoord.

- Bij het informatieve gesprek met [slachtoffer 1] was ook [slachtoffer 2], blijkens de verklaringen van de moeder bij de rechter-commissaris d.d. 28 januari 2008, aanwezig. [slachtoffer 2] is later eveneens als getuige gehoord.

- Het tweede verhoor van [slachtoffer 1] is slechts gedeeltelijk op band vastgelegd, zodat de aangifte niet op juistheid valt te controleren.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie volgt de raadsman niet in zijn betoog en stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van schending van vormvoorschriften. Subsidiair geeft de officier van justitie aan dat, indien de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van schending van vormvoorschriften, dit alleen van betekenis kan zijn voor de waardering van de bewijsmiddelen. Ter onderbouwing voert de officier van justitie het volgende aan:

- De Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik is een interne richtlijn waaraan door verdachte geen rechten kunnen worden ontleend.

- Indien er wel rechten aan de Aanwijzing kunnen worden ontleend dan kan dit niet leiden tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Immers, er is geen sprake van een zodanig ernstige schending van vormvoorschriften dat geen eerlijke rechtsgang meer mogelijk is.

- Het is, blijkens de Aanwijzing, voldoende dat er één zedenrechercheur bij de zaak betrokken is.

- De zedenaanspreekofficier is niet geconsulteerd. De zaaksofficier is echter voldoende ervaren.

- Dat een deel van het verhoor niet op band is opgenomen vindt zijn oorzaak in de nabespreking van het verhoor. Tijdens deze nabespreking wordt de verhoorde in de gelegenheid gesteld op het proces-verbaal reageren. Dit wordt echter niet op band opgenomen.

- De betreffende verbalisanten hebben aan de officier van justitie medegedeeld dat de moeder inderdaad aanwezig is geweest bij het informatieve gesprek, maar alleen bij het gedeelte waar de procedure wordt uitgelegd. Bij de bespreking van de inhoud van de mogelijke aangifte is de moeder niet aanwezig geweest. De officier van justitie wijst er overigens, onder verwijzing naar de Aanwijzing, op dat het informatieve gesprek geen opsporingshandeling betreft. Dit gesprek behoeft derhalve niet noodzakelijkerwijs met zedenrechercheurs plaats te vinden.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de "Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik", welke in de Staatscourant is gepubliceerd en daarmee behoorlijk is bekendgemaakt, dient te worden aangemerkt als recht in de zin van artikel 79 RO. De aanwijzing bevat eisen van kwaliteit en zorgvuldigheid die aan de opsporing en vervolging in zaken als de onderhavige worden gesteld. De aanwijzing bindt de daarmee belaste organen en ambtenaren, maar ook aangevers en verdachten mogen aan de Aanwijzing verwachtingen ontlenen.

Bij de beantwoording van de vraag of handelen in strijd met de Aanwijzing moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is doorslaggevend of er doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

De rechtbank constateert dat niet vast is komen te staan dat de opsporing is geschied door een deskundige rechercheur die voor 50% van een volledige werkweek is belast met de behandeling van zedenzaken. Eveneens is niet vast komen te staan dat [slachtoffer 1]'s moeder, die later als getuige is gehoord, slechts aanwezig is geweest bij het informatieve gesprek met [slachtoffer 1] daar waar het de uitleg van de procedure betreft. De aanwezigheid van een vertrouwenspersoon bij het informatieve gesprek wordt, blijkens de Aanwijzing, onwenselijk geacht. Ook [slachtoffer 2], die later is gehoord in het kader van de namens haar gedane aangifte, is aanwezig geweest bij dit gesprek. Verder is de zedenaanspreekofficier niet in de zaak betrokken. Ten slotte is gebleken dat de gemaakte bandopnamen niet volledig zijn en derhalve niet controleerbaar.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in onderhavige zaak niet conform de Aanwijzing is gehandeld, maar van eerdergenoemde doelbewuste schending en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte is niet gebleken. Daarnaast is het de rechtbank niet gebleken dat verdachte door de handelwijze in het onderhavige opsporingsonderzoek zodanig in zijn belangen is geschaad dat hieraan het door de raadsman gestelde gevolg moet worden verbonden. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de verdediging om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren af.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting, ontucht en verboden wapenbezit.

Feit 1

Ten aanzien van de verkrachting van [slachtoffer 1] bestaat het wettig bewijs uit de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaring van haar moeder, de verklaring van [slachtoffer 2] en het studioverhoor van [slachtoffer 1].

De officier van justitie heeft bovendien de overtuiging dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie wijst hiertoe op de gedetailleerde verklaringen van [slachtoffer 1], de omstandigheid dat [slachtoffer 1] en haar moeder niet uitsluitend negatief spreken over verdachte, de verschillen tussen de verklaringen -hetgeen niet wijst op afstemming- van [slachtoffer 1] en haar moeder, de omstandigheid dat [slachtoffer 2] verklaringen heeft afgelegd toen ze nog niet op de hoogte was van het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] en het feit dat verdachte heeft toegegeven dat hij op 21 april 2007 heeft willen kijken naar de vagina van [slachtoffer 1] omdat ze daar pijn had. Bovendien acht de officier van justitie het niet aannemelijk dat de moeder van [slachtoffer 1] een valse aangifte tegen verdachte heeft gedaan nu zij hem terug wil. De officier ziet niet in waarom zij haar toevlucht zou nemen tot een dergelijk zwaar middel, te meer daar zij al geruime tijd op de hoogte was van de relatie van verdachte met [ ].

Feit 2

Op grond van de verklaring van [slachtoffer 2], de verklaring van de moeder van [slachtoffer 2] met betrekking tot hetgeen [slachtoffer 2] haar heeft verteld alsmede de overeenkomsten tussen de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten aanzien van hetgeen verdachte met hen heeft gedaan, acht de officier van justitie de tenlastegelegde ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Ten aanzien van het verboden wapenbezit wijst de officier van justitie op het proces-verbaal van bevindingen en de bekennende verklaringen van verdachte.

Standpunt van de verdediging

Feit 1

De raadsman stelt zich op het standpunt dat, op grond van de schending van de

"Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik", bewijsuitsluiting dient te volgen. De raadsman verwijst hiertoe naar hetgeen hij heeft aangevoerd ten aanzien van de vormverzuimen welke zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Op grond van voornoemde vormverzuimen kunnen de verklaringen van de moeder van [slachtoffer 1] en haar zusje [slachtoffer 2] niet tot het bewijs worden gebezigd, hetgeen betekent dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsman concludeert daarom tot vrijspraak.

Feit 2

Ten aanzien van de tenlastegelegde ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van aangeefster en haar moeder niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. De raadsman wijst er in de eerste plaats op dat [slachtoffer 2] aanwezig is geweest bij het informatieve gesprek dat met [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden. Daarnaast komen de verklaringen van de moeder, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] nagenoeg overeen, hetgeen duidt op afstemming. Immers, het is niet logisch dat een kind zijn ouder tot in detail vertelt wat er is gebeurd. Daarnaast valt met de aangifte niet te rijmen dat de moeder van aangeefster tot de dag van de aanhouding van verdachte, bijna 6 maanden na de aangifte, contact is blijven onderhouden met verdachte en zelfs nog een seksuele relatie met hem heeft onderhouden. Ten slotte mishandelde de moeder haar dochters zodat geenszins kan worden uitgesloten dat de kinderen uit angst en onder druk van de moeder verklaringen hebben afgelegd. Gelet hierop kan niet worden gekomen tot een bewezenverklaring en dient vrijspraak te volgen.

Feit 3

Ten aanzien van het verboden wapenbezit refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Feit 1

De rechtbank stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor door de rechtbank is overwogen met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, vast dat de opsporingsambtenaren in de onderhavige strafzaak niet conform de regels zoals neergelegd in de Aanwijzing hebben gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het niet naleven van deze Aanwijzing niet zonder consequenties kan blijven.

Er is immers in de onderhavige zaak niet gehandeld met de in zedenzaken, overeenkomstig de genoemde Aanwijzing, vereiste zorgvuldigheid, terwijl de geconstateerde verzuimen niet meer kunnen worden hersteld. Dit betekent dat na te noemen onderdelen van het dossier als onvoldoende controleerbaar op hun bewijskracht van het bewijs zullen worden uitgesloten.

De getuigenverklaringen van de moeder en [slachtoffer 2] worden, omdat beiden bij het informatieve gesprek aanwezig zijn geweest en niet valt uit te sluiten dat tijdens dit gesprek over de inhoud van de zaak is gesproken en niet slechts over de formaliteiten, van het bewijs ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde uitgesloten. Tevens wordt het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] daar waar het de aangifte tegen [medeverdachte] d.d. 25-06-2007 (p. 94) betreft, welke niet geheel op band is opgenomen en derhalve niet controleerbaar is, van het bewijs uitgesloten.

Nu verdachte het tenlastegelegde ontkent zijn de verklaringen van [slachtoffer 1] als enig bewijsmiddel onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Weliswaar verklaart verdachte overeenkomstig de verklaring van [slachtoffer 1] dat hij wel onder haar japon heeft gekeken (PV verhoor d.d. 05-09-2007, p. 134) doch de rechtbank hecht hieraan geen bewijskracht ten aanzien van de aan verdachte tenlastegelegde misdrijven. De rechtbank zal verdachte daarom van het onder feit 1 tenlastegelegde vrijspreken.

Feit 2

Het tenlastegelegde met betrekking tot de gepleegde ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] is gebaseerd op de verklaring van [slachtoffer 2] en de aangifte van de moeder waarin zij verwoord wat zij van [slachtoffer 2] heeft gehoord. Het tenlastegelegde is daarmee slechts te herleiden tot de eigen verklaringen van [slachtoffer 2], hetgeen onvoldoende wettig bewijs oplevert om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Verdachte zal daarom van het onder feit 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Feit 3

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder feit 3 tenlastegelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 6 maart 2008.

2. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van J.F. Bos, d.d. 11 september 2007, p. 1058.

De rechtbank acht, op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

3.

hij op 4 september 2007, in de gemeente Delfzijl een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk onbekend, type Walther PPK, 7.65 mm kaliber), en munitie van categorie III, te weten 4 patronen (kaliber .32) en 1 patroon (kaliber 7.65mm), voorhanden heeft gehad.

Kwalificatie

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voorts vordert de officier van justitie dat het inbeslaggenomene, te weten het pistool en de 5 patronen, worden onttrokken aan het verkeer.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde concludeert de raadsman tot vrijspraak. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde is de raadsman van mening dat kan worden volstaan met een beperkte gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, hetgeen betekent dat verdachte op de datum van de uitspraak in vrijheid dient te worden gesteld.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hoogte van de straf in het bijzonder in aanmerking dat het voorhanden hebben van een wapen met munitie een ernstige bedreiging van de maatschappelijke veiligheid is. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat verdachte eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat aan de verdachte, gelet op de aard en de ernst van het feit, afgezet tegen de persoon van de verdachte, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend en geboden is.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten het pistool en de 5 patronen, moet worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet of het algemeen belang.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Als benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], beiden wonende te [woonplaats]. De benadeelde partijen hebben schriftelijk opgave gedaan van de inhoud van de vorderingen en van de gronden waarop deze berusten.

Verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn. Dit houdt in dat de vorderingen niet in dit strafgeding worden afgedaan, maar slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b en 36d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- Verklaart het onder 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- Verklaart de verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- Verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.

- Veroordeelt de verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden, 20 maart 2008.

- Verklaart onttrokken aan het verkeer: het pistool en de vijf patronen.

Beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen

Verklaart de benadeelde partijen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], in de vorderingen niet-ontvankelijk. Bepaalt dat de benadeelde partijen en de veroordeelde ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. H.L. Stuiver, voorzitter, G. Laman en S. Tempel, in tegenwoordigheid van mr. D.W.J. Vinkes als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2008.