Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC6599

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-01-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
98334/JE RK 07-954
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling verlengd, de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg niet.

De minderjarige was door zijn vader en met instemming van moeder in een pleeggezin geplaatst, bestaande uit twee mannen. De relatie tussen deze mannen is verbroken. Een van hen is veroordeeld voor een zedendelict.

Beide ouders hebben, ondanks de adviezen van de hulpverlening en de Raad, vastgehouden aan de plaatsing bij de overgebleven pleegvader en staan hier ook nu nog achter.

Er is derhalve sprake van een vrijwillige plaatsing, waarvoor geen machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 98334 / JE RK 07-954

beschikking kinderrechter d.d. 4 januari 2008

inzake

* het minderjarige kind A. van B. en C.

De moeder is belast met het gezag over voornoemde minderjarige (verder te noemen [A.]).

PROCESGANG

Op 23 november 2007 heeft het bureau jeugdzorg (bjz) een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend, gedateerd 21 november 2007.

Daarbij is overgelegd het hulpverleningsplan en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, alsmede een indicatiebesluit.

Op 4 januari 2008 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord is daarbij: mevrouw T. Huiskamp namens bjz.

OVERWEGINGEN

Bij beschikking van 3 januari 2007 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de tijd van 1 jaar, ingaande 18 januari 2007.

Voorts is bij voormelde beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd.

Standpunt van bjz

[A.] verblijft sinds 2004 in het huidige pleeggezin met instemming van de ouders. Moeder geeft geen invulling aan haar gezag en is gezien haar problematiek niet in staat de opvoeding van [A.] op zich te nemen. [A.] is een jongen die in zijn leven veel heeft meegemaakt en affectief en pedagogisch gezien ernstig tekort is gekomen. Er zijn zorgen om de ontwikkeling van [A.] met name op sociaal en emotioneel vlak. [A.] heeft woedeaanvallen en heeft met name op school ongepast seksueel getint gedrag laten zien. Sinds een aantal weken volgt [A.] Renn 4 onderwijs. Hij is hierover erg enthousiast en hij maakt elke dag zijn huiswerk. Voor het eerst in zijn leven heeft [A.] een enigszins stabiele thuissituatie wat hem veel rust geeft en wat hem goed lijkt te doen. [A.] wil graag samen met zijn broer bij pleegvader wonen en zijn diploma halen.

Naar mening van bjz dient in de komende periode gewerkt te worden aan de volgende doelen.

Doelen ten aanzien van [A.]:

- [A.] volgt een opleiding die aansluit bij zijn mogelijkheden en wensen;

- de ontwikkeling van [A.] wordt gevolgd;

- het opvoedingsperspectief van [A.] is helder en is gewaarborgd;

- [A.] onderhoudt contact met beide ouders;

- het uiteindelijke doel is dat [A.] opgroeit in een veilige en stabiele opvoedingssituatie.

Doelen ten aanzien van de ouders:

- er is regelmatig omgang tussen moeder en [A.];

- de ouders houden zich aan de gemaakte afspraken;

- het uiteindelijke doel is dat de ouders een goed contact hebben met [A.].

Beoordeling

Op grond van de verkregen informatie, zoals in opgemeld verzoek aangegeven en ter terechtzitting aangevuld, is de kinderrechter van oordeel dat in het belang van de minderjarige de termijn van de ondertoezichtstelling met een jaar dient te worden verlengd, nu de gronden voor de ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn.

Ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing overweegt de kinderrechter het volgende.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 november 1998 (NJ 1999, 147) overwogen dat uitgangspunt moet zijn dat ingevolge artikel 258 lid 3 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) uithuisplaatsing van een minderjarige uitsluitend geschiedt krachtens artikel 261 van boek 1 BW, derhalve niet zonder een door de kinderrechter aan de gezinsvoogdij-instelling verleende machtiging als in dit artikel voorgeschreven, behoudens in geval van vrijwillige uithuisplaatsing door de met gezag belaste ouder zonder bezwaar van die instelling. Dit brengt mee dat het antwoord op de vraag of een machtiging vereist is, afhangt van de vraag of het de met het gezag belaste ouder is, die vrijwillig, en met gedogen van de instelling, de minderjarige uit huis plaatst, dan wel of de uithuisplaatsing, met instemming van de ouder, geschiedt door de instelling. In dit laatste geval is wel een machtiging van de kinderrechter vereist.

Gebleken is dat vader in juli 2004 [A.] geplaatst heeft in een pleeggezin, bestaande uit twee mannen die hij via een chatbox heeft leren kennen. Moeder heeft met deze plaatsing ingestemd. Tevens valt uit de rapportage van bjz op te maken dat de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) begin 2006 een ondertoezichtstelling nodig achtte mede omdat de hulpverlening in het vrijwillig kader ontoereikend is gebleken, wegens het feit dat de ouders tegen de adviezen van de hulpverlening en van de Raad in, vasthielden aan hun beslissing om de kinderen in het pleeggezin te laten wonen. Op dit moment bestaat het pleeggezin alleen uit de heer D. De relatie tussen de heer D. en de heer E. is beëindigd. Gebleken is dat de heer E. is veroordeeld voor een zedendelict. Tevens blijkt dat [A.] aangifte heeft gedaan van seksueel misbruik door de heer E.. Beide ouders stemmen nog steeds in met de plaatsing bij de heer D.

De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op het feit dat vader [A.] bij de pleegvaders heeft geplaatst en moeder, als gezaghebbende ouder, hiermee instemt en dat ondanks de adviezen van de hulpverlening en de Raad de ouders vast hebben gehouden aan deze plaatsing, en dat de ouders nu nog achter deze plaatsing staan. Dit betekent dat er sprake is van een vrijwillige plaatsing, waarvoor geen machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg is vereist. Op grond hiervan zal de kinderrechter het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg afwijzen.

BESLISSING

verlengt de termijn van de ondertoezichtstelling ten aanzien van de minderjarige [A.] D met een jaar, ingaande 18 januari 2008, met behoud van de opdracht van de ondertoezichtstelling aan het bureau jeugdzorg (bjz) te Groningen, p/a Postbus 1203;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. D.A. Flinterman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2008.