Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC6525

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
12-03-2008
Zaaknummer
18/630302-06 en 18/654495-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHLEE:2011:BQ3556, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

"mensenhandel, loverboys"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummers: 18/630302-06 en 18/654495-07

datum uitspraak: 10 maart 2008

op tegenspraak

raadsman: mr. H.W.M. van den Heiligenberg

vonnis van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

wonende [adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

29 maart 2007, 21 juni 2007, 18 september 2007, 4 december 2007 en 25 februari 2008.

Tenlastelegging

[…]

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer en 18/654495-07 onder 3 tenlastegelegde wordt vrijgesproken en dat hij ter zake van het overige tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk.

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van de, onder parketnummer en 18/654495-07 onder 1 primair tenlastegelegde, afpersing van [slachtoffer 3] dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Voor het bewijs van de afpersing van [slachtoffer 3] is per saldo enkel diens eigen verklaring beschikbaar, hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Tevens dient verdachte van de, onder parketnummer en 18/654495-07 onder 2 tenlastegelegde, oplichting van [slachtoffer 2] te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Ook bij [slachtoffer 2] is voor de tenlastegelegde oplichting enkel haar eigen verklaring als bewijsmiddel voorhanden, zodat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

Voorts is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte van de, onder parketnummer en 18/654495-07 onder 3 tenlastegelegde, oplichting van [slachtoffer 4] dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Uit de verklaringen van [slachtoffer 4] kan niet worden afgeleid dat hij door verdachte is bewogen tot het afsluiten van abonnementen en de afgifte van telefoons. Veeleer kan uit zijn verklaringen worden afgeleid dat hij mee wilde doen aan het oplichten van telefoon-aanbieders.

Bewijsoverweging

Parketnummer 18/630302-06

Feit 1

De raadsman heeft aangevoerd dat het tenlastegelegde enkel is gebaseerd op de verklaringen van [slachtoffer 1] en van getuigen die niet uit eigen waarneming verklaren, maar op basis van hetgeen zij hebben gehoord van [slachtoffer 1]. Voorts kan de verklaring van getuige [getuige 1] niet als betrouwbaar worden aangemerkt omdat hij niet wilde verklaren over zijn werkzaamheden, terwijl later is gebleken dat hij in zijn inkomsten wordt voorzien door zijn vrouw die eveneens in de prostitutie werkzaam is. Gelet op het voorgaande is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen zodat een vrijspraak dient te volgen van het tenlastegelegde.

Anders dan door de raadsman is betoogd, acht de rechtbank op basis van, onder andere, de gedetailleerde verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer 1] d.d. 27-03-2006, de verklaringen van [slachtoffer 4] d.d. 05-03-2007, [getuige 2] d.d. 04-02-2007, [getuige 1] d.d. 26-04-2006 en verdachte d.d. 20-12-2007 het tenlastegelegde medeplegen van mensenhandel wettig en overtuigend bewezen. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte het slachtoffer heeft misleid teneinde haar, met het oogmerk van uitbuiting, in de prostitutie te brengen.

Feit 2

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde medeplegen van mensenhandel stelt gemachtigde zich op het standpunt dat er geen ander bewijs is dan de eigen verklaringen van aangeefster [slachtoffer 2], hetgeen onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn betoog en oordeelt dat er in het dossier voldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank wijst hiertoe, onder meer, op de uitgebreide aangifte van het slachtoffer d.d. 15-03-2007, het proces-verbaal van de politie […] d.d. 07-03-2007 en de verklaring van [getuige 3] d.d. 04-04-2007.

Parketnummer 18/654495-07

Feit 1

De tenlastegelegde oplichting van [slachtoffer 3] is, naar mening van de raadsman, niet te bewijzen. De inhoud van de gedane aangifte is bezijden de waarheid. [slachtoffer 3] zou een eigen agenda hebben gehad, namelijk geld verdienen aan de verkoop van mobiele telefoons, welke hij verkregen heeft bij het afsluiten van telefoonabonnementen. Dat hij de kosten van de abonnementen niet betaalde kan niet voor rekening van verdachte komen. Er is geen sprake van oplichting of afpersing door verdachte. Er is geen sprake geweest van het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid, noch van listige kunstgrepen of een samenweefsel van verdichtsels. Het kopen en geleverd krijgen van mobiele telefoons, die op grond van een civielrechtelijke titel aan [slachtoffer 3] zijn afgegeven, levert, naar mening van de raadsman, geen strafbaar feit op. Bovendien ontbreekt het ondersteunend bewijs, zodat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Verdachte dient derhalve van de oplichting van [slachtoffer 3] te worden vrijgesproken.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De rechtbank baseert dit op de aangifte van het slachtoffer d.d. 13-09-2006, de diverse rekeningen voor telefoon-

abonnementen welke in het dossier zijn aangetroffen alsmede de door verdachte ter zitting afgelegde verklaring dat hij mobiele telefoons van [slachtoffer 3] heeft ontvangen. Gelet hierop is bewezen dat het slachtoffer door de mededelingen van verdachte is bewogen tot het afsluiten van abonnementen en de afgifte van mobiele telefoons. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan oplichting van [slachtoffer 3].

Bewezenverklaring

De rechtbank komt hiermee tot de volgende bewezenverklaring: dat

(Onder parketnummer 18/630302-06)

1.

hij in de periode van 1 december 2005 tot 28 februari 2006, in de gemeente Groningen en Leeuwarden en 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen,

A

een ander, genaamd [slachtoffer 1] door misleiding heeft (aan)geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting (in de prostitutie) van die [slachtoffer 1],

en

B

die [slachtoffer 1], door dwang door misleiding hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

en

C

opzettelijk voordeel hebben getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1],

en

D

die [slachtoffer 1], door misleiding hebben bewogen verdachte en verdachtes mededader te bevoordelen uit de opbrengst van haar [slachtoffer 1] seksuele handelingen met of voor een derde

bestaande dat voordeel trekken (onder meer) hieruit dat verdachte en zijn mededader

- met die [slachtoffer 1] een (seksuele) relatie is aangegaan, en

- tegen die [slachtoffer 1]hebben gezegd dat zij anders was dan andere meisjes dat hij, verdachtes mededader, alles voor haar, [slachtoffer 1], zou doen, en

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat hij, verdachtes mededader, schadevergoeding moest betalen en dat hij, verdachtes mededader, veel geld nodig had en vervolgens tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat zij, [slachtoffer 1], het maximale bedrag, te weten 5000 euro, moest proberen op te nemen en dat hij, verdachtes mededader, (vervolgens) 4400 euro van die [slachtoffer 1] heeft ontvangen en (vervolgens) hij, verdachte, dat geldbedrag heeft omgewisseld, en

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat een vriend van hem, verdachtes mededader, was doodgeschoten in verband met cocaïne en heroïne en dat die vriend zijn, verdachtes mededader, naam had genoemd en dat hij, verdachtes mededader, met Chinezen een deal had gesloten dat als hij, verdachtes mededader, hen, die Chinezen, geld zou geven, zij hem met rust zouden laten en dat zijn, verdachtes mededader, leven op het spel stond en dat hij anders vermoord zou worden, en

- aan die [slachtoffer 1] hadden gevraagd of zij voor hem, verdachtes mededader, in de prostitutie wilde werken, en

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat als zij ging werken als prostituee de schuld van verdachtes mededader binnen 4 maanden was afbetaald, en

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat zij met verdachte sex moest hebben en vervolgens sex met die [slachtoffer 1]heeft gehad, en

- die [slachtoffer 1] de woorden hebben toegevoegd: "Als ik een vrouw was dan had ik het allang gedaan. Dat is toch allemaal toneelspel" en "Is het niets voor jou? Je kunt er veel geld mee verdienen" en "Je hebt het ook met [mededader] gedaan, dus dan kun je het ook wel met een ander doen", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en

- tegen die [slachtoffer 1] hebben gezegd dat zij (in de prostitutie) moest worden ingewerkt door een vriend van verdachtes mededader, en

- die [slachtoffer 1] naar meer plaatsen hebben gebracht/doen brengen, alwaar zij als prostituee ging werken, en

- die [slachtoffer 1] al haar verdiensten (in de prostitutie) heeft laten afdragen aan verdachte en/of zijn mededaders, en

- gedreigd hebben dat hij, verdachte zijn mededaders, een filmpje op internet zou plaatsen waarop te zien is dat zij sex heeft met verdachtes mededader, en

- de werktijden van die [slachtoffer 1] hebben bepaald en

- die [slachtoffer 1] in een door verdachte en zijn mededader gecontroleerde situatie hebben gehouden;

2.

hij in de periode van 1 oktober 2006 tot en met 12 maart 2007, in de gemeente Groningen en 's-Gravenhage en Schiedam, meermalen,

I

A

een ander, genaamd [slachtoffer 2] door misleiding danwel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, die [slachtoffer 2] heeft/hebben (aan)geworven, overgebracht, gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting (in de prostitutie) van die [slachtoffer 2],

en

B

die [slachtoffer 2], door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

en/of

C

opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2],

en

D

die [slachtoffer 2], door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie, heeft/hebben bewogen verdachte en verdachtes mededader te bevoordelen uit de opbrengst van haar [slachtoffer 2] seksuele handelingen met of voor een derde

bestaande die dwang en die andere feitelijkheid en dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en dat misbruik van een kwetsbare positie en dat voordeel trekken (onder meer) hieruit dat verdachte en zijn mededader

- met die [slachtoffer 2] een (seksuele) relatie is aangegaan, en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hij van haar hield en dat hij, verdachte, blij was dat hij, verdachte, haar had leren kennen en/of dat hij, verdachte, cadeaus voor haar had gekocht, en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat hij, verdachte, financiële problemen had en 10.000 euro, moest betalen aan zijn, verdachtes, advocaat en als hij, verdachte, dat niet zou betalen hij, verdachte, gevangenisstraf zou krijgen, en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat zij, [slachtoffer 2], wel achter de ramen kon gaan werken omdat dat goed verdiende, en dat hij, verdachte, een vriend had die ook vrouwen achter de ramen had zitten, en

- aan die [slachtoffer 2] had(den) gevraagd of zij voor hem, verdachte, in de prostitutie wilde werken, en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat hun relatie geen zin zou hebben en hij de relatie zou stoppen als zij, [slachtoffer 2], hem niet zou helpen en niet voor hem als prostituee ging werken, en

- tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij (in de prostitutie) moest worden ingewerkt door een vriend van verdachte, en

- die [slachtoffer 2] naar een plaats heeft/hebben gebracht/doen brengen, alwaar zij als prostituee ging werken, en

- de werktijden van die [slachtoffer 2] heeft/hebben bepaald, en

- die [slachtoffer 2] al haar verdiensten (in de prostitutie), althans een aanzienlijk deel daarvan, heeft/hebben laten afdragen aan verdachte en zijn mededader, en

- die [slachtoffer 2] in een door verdachte en zijn mededader gecontroleerde situatie heeft/hebben gehouden.

(Onder parketnummer 18/654495-07)

1.

dat

hij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 1 oktober 2006, in de gemeente Schiedam en Vlaardingen, meermalen op verschillende tijdstippen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, een persoon, te weten [slachtoffer 3], heeft bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - bedrieglijk en in strijd met de waarheid aan die [slachtoffer 3] medegedeeld,

- welk(e) telefoonabonnement(en) hij moest afsluiten en/of welke telefoon(s) hij moest uitkiezen, en

- dat hij die telefoons aan hem, verdachte, moest afdragen, en dat hij, [slachtoffer 3], een telefoon mocht houden, en

- dat een tussenpersoon, genaamd [mededader 2], de telefoon(s) zou uitboeken en

- administratief zou terugboeken, en

- dat hij, verdachte, bij die tussenpersoon, genaamd [mededader 2], zou informeren hoeveel hij, [slachtoffer 3], voor de afkoop van de telefoonabonnementen zou moeten betalen,

waardoor die [slachtoffer 3] werd bewogen tot de afgifte van mobiele telefoons.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

Parketnummer 18/630302-06

1. Mensenhandel door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

2. Mensenhandel, meermalen gepleegd

Parketnummer 18/654495-07

1. Oplichting

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank stelt voorop dat bij feiten als de onderhavige oplegging van een gevangenisstraf is aangewezen. De rechtbank neemt bij de bepaling van de hoogte hiervan in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplegen van mensenhandel en oplichting.

Verdachte heeft hiermee ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers van de mensenhandel, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Verdachte valt aan te rekenen dat hij, puur uit persoonlijk winstbejag, twee jonge vrouwen die uit liefde voor verdachte handelden, heeft uitgebuit en misbruik heeft gemaakt van hun kwetsbaarheid. Verdachte heeft beide slachtoffers daarmee in een situatie gebracht welke veelal leidt tot langdurige psychische schade. Voorts rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij, eveneens uit puur winstbejag, het slachtoffer [slachtoffer 3] ernstige financiële schade heeft toegebracht.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de lengte van de periode waarin verdachte de feiten heeft gepleegd en de omstandigheid dat de druk waaronder het slachtoffer in de prostitutie is gaan werken relatief beperkt was, wat ook blijkt uit het gegeven dat het slachtoffer er uiteindelijk vrijwillig uit kon stappen.

De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat aan de verdachte, gelet op de aard en de ernst van het feit, afgezet tegen de persoon van de verdachte, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden moet worden opgelegd.

Vorderingen van de benadeelde partijen

[…]

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder parketnummer 18/654495-07 onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het onder parketnummer 18/630302-06 onder 1 en 2 en het onder parketnummer 18/654495-07 onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

(parketnummer 18/630302-06, feit 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 15.240,- (zegge vijftienduizend tweehonderd en veertig euro).

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De veroordeelde is niet tot vergoeding van bovengenoemd bedrag gehouden voorzover dit al door veroordeeldes mededader, [mededader], is voldaan.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 15.240,- (zegge vijftienduizend tweehonderd en veertig euro) ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 106 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde, of [mededader], voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.240,- ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde, [mededader], de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

(parketnummer 18/630302-06, feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 7.750,- (zegge zevenduizend zevenhonderd en vijftig euro).

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 7.750,- (zegge zevenduizend zevenhonderd en vijftig euro) ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 68 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.750,- ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

(parketnummer 18/654495-07, feit 1)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [woonplaats], toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van

€ 3.873,19 (zegge drieduizend achthonderd drie en zeventig euro en negentien cent).

Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verplicht de veroordeelde aan de Staat te betalen een geldbedrag van € 3.873,19 (zegge drieduizend achthonderd drie en zeventig euro en negentien cent) ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [woonplaats], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 49 dagen hechtenis. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heeft de veroordeelde voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.873,19 ten behoeve van de benadeelde partij, dan vervalt de verplichting om dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Dit geldt ook omgekeerd: heeft de veroordeelde de vordering van de benadeelde partij betaald, dan vervalt de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.W. van Weringh, voorzitter, mrs. H.J. Bastin en

S. Tempel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.W.J. Vinkes, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 maart 2008.