Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC6013

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
06-03-2008
Zaaknummer
18/670277-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisvonnis.

Stelselmatige observatie. Overtreding art. 10a Opiumwet. Strafmotivering: straf hoger dan eis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670277-07

datum uitspraak: 6 maart 2008

op tegenspraak

raadsman: mr. B.A. Vink

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1976

wonende te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 9 oktober 2007, 3 januari 2008 en 21 februari 2008.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 25 juni 2007, in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

althans een poging tot bovengenoemd feit,

EN/OF

hij op of omstreeks 25 juni 2007, in de gemeente Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1000 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van dit wet;

Nadere omschrijving tenlastelegging ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering

De officier van justitie heeft gevorderd dat de tenlastelegging als volgt nader zal worden omschreven:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2007 tot en met 25 juni 2007, in de

gemeente(n) Groningen en/of Amsterdam en/of Hoorn, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een

feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te

weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen,

afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft

getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te

plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen in of omstreeks voornoemde pleegperiode en in voornoemde pleegplaats(en)

- 1025 gram cocaine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaine, vervoerd en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of voorhanden/aanwezig

gehad, en/of

- contacten gelegd en/of onderhouden met elkaar en/of met (een contactpersoon

van) de afzender(s)/leverancier(s) van die hoeveelheid cocaine, en/of

- besprekingen gevoerd en/of bijgewoond en/of afspraken gemaakt over aan wie

en op welke plaats en op welk moment en op welke wijze die hoeveelheid cocaine

zou worden overgedragen en/of afgeleverd;

art 10a lid 1 ahf/sub 1 alinea Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 juni 2007, in de gemeente Amsterdam, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1025 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Deze vordering is door de rechtbank op de terechtzitting, gehoord verdachte en de raadsman, toegewezen.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en 6 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Door de raadsman van verdachte is gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat onder 2 hetzelfde feit is tenlastegelegd als onder 1 voor wat betreft de aanwezigheid van 1025 gram cocaïne, zodat daarmee in strijd is gehandeld met artikel 68 Wetboek van Strafrecht (Sr.).

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 68 Sr. heeft betrekking op feiten die (opnieuw) zijn tenlastegelegd nadat over datzelfde feit reeds onherroepelijk ten aanzien van verdachte door de Nederlandse rechter is beslist. In de onderhavige zaak is daarvan geen sprake, nu de rechtbank over beide feiten tegelijkertijd moet oordelen. De rechtbank verwerpt het verweer dan ook.

Bewijsoverwegingen

Stelselmatige observatie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de gegevens met betrekking tot stelselmatige observaties die hebben plaatsgevonden na 19 juni 2007 niet als bewijs meegenomen mogen worden omdat het bevel tot stelselmatige observatie tot die datum geldig was.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat weliswaar op 25 juni 2007 is geobserveerd zonder dat daaraan een schriftelijk bevel ten grondslag lag maar dat dit vormverzuim is te beschouwen als een kennelijke misslag. Het lag in de bedoeling de observatiebevelen steeds te verlengen. Dat is ook gebeurd behalve met het laatste bevel. Doordat er een uitgebreid verslag van de opsporingsactiviteiten op die dag in het dossier is opgenomen en bovendien op die datum alle opsporingsactiviteiten – waaronder de observaties – onder bevel hebben gestaan van de officier van justitie, is naar zijn mening in elk geval aan de ratio van artikel 126g Sv voldaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het schriftelijke bevel tot stelselmatige observatie steeds conform artikel 126g, derde lid, Sv is verlengd behalve voor de periode na 19 juni 2007. De na die datum uitgevoerde observaties, waaronder die op 25 juni 2007, worden wel gedekt door een met toepassing van het zesde lid van genoemd artikel gegeven mondeling bevel, maar de officier van justitie heeft verzuimd dit bevel in overeenstemming met dit artikellid binnen drie dagen op schrift te stellen. Daarom is sprake van een vormverzuim. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank echter van oordeel dat dit verzuim in dit geval niet hoeft te leiden tot uitsluiting van het met deze observaties verkregen bewijs. Daartoe acht de rechtbank het volgende redengevend.

Uit het dossier en ter zitting is voldoende gebleken dat het vanaf het begin in de bedoeling lag gedurende het gehele proces van de pseudokoop ook het middel van de stelselmatige observatie te blijven inzetten. Het bevel daartoe is immers ook steeds verlengd. Het lag daarom voor de hand dat ook na 19 juni 2007, en in het bijzonder op 25 juni 2007, het middel van de stelselmatige observatie nog altijd ingezet zou worden. Van de observaties op die dag heeft het opsporingsteam bovendien gedetailleerd verslag gedaan. Voorts heeft op 25 juni 2007 de officier van justitie het bevel gevoerd over alle opsporingsactiviteiten, waaronder de observaties.

Onder deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de verdachte door het geconstateerde verzuim niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad, zodat kan worden volstaan met de vaststelling dat in het voorbereidend onderzoek een onherstelbaar verzuim heeft plaatsgevonden.

Vrijspraak feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daarbij dat door de opsporingsambtenaren weliswaar is gezien dat verdachte de woning [adres] te Amsterdam heeft betreden, maar dat dit geenszins impliceert dat verdachte de aangetroffen hoeveelheid cocaïne ook aanwezig heeft gehad, nu verdachte niet op dit adres woont en ook niet is gebleken dat hij daar zijn verblijfplaats heeft. Evenmin is anderszins gebleken dat verdachte met deze hoeveelheid cocaïne in verband kan worden gebracht.

Bewijsoverweging feit 1

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat hiervoor wellicht enig bewijs is te vinden, maar niet voor de vermelde 1025 gram cocaïne. De cocaïne lag niet voor verhandeling gereed en evenmin blijkt uit het dossier dat juist deze hoeveelheid cocaïne bestemd was om te verhandelen in het kader van de door justitie gevolgde gang van zaken betreffende de pseudokoop.

Het oordeel van de rechtbank

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende duidelijk is geworden dat de in de [adres] in Amsterdam aangetroffen 1025 gram cocaïne ook daadwerkelijk bestemd was voor de verkoop aan de pseudokoper. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit gedeelte van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van na te melden bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan:

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 016070625.815 d.d. 25 juni 2007 opgenomen op pag. Z 214 e.v. van het zaaksdossier nr. RR0532 “Mus”, inhoudende observatie van o.a. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]:

16.10 uur: er wordt gezien dat [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] staat te wachten in de auto voor het Vrijheidsplein te Groningen en via de A7 richting Drachten rijden;

18.14 uur: er wordt gezien dat de auto wordt geparkeerd aan de Admiraal de Ruijterweg te Amsterdam. [medeverdachte 2] stapt uit en loopt in de richting van het internetcafé Afro Tropical Products. Hij heeft daar contact met een man met Zuid Amerikaans uiterlijk. Hij draagt een blauwe pet en een wit trainingspak. Even later komt er een man met blauwe spijkerjas en een zwarte pet op vanuit het internetcafé bij staan.

18.15 uur: [medeverdachte 1] voegt zich bij het gezelschap.

18.22 uur: [medeverdachte 1] gaat bellen met een mobiel.

18.15 uur: de vier mannen lopen naar café De Fluiter.

18.29 uur: de vier mannen vertrekken vanaf het café. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lopen naar de Mitsubishi en vertrekken. De twee andere mannen lopen richting internetcafé (foto op p. Z 225.

18.30 uur: de twee Zuid-Amerikaans uitziende mannen staan bij het internetcafé en hebben contact met een man met Turks uiterlijk.

18.31 uur: de twee Zuid-Amerikaans uitziende mannen gaan het café binnen. De Turkse man loopt de [adres] in en komt 2 minuten later terug en gaat het café binnen.

18.39 uur: de Mitsubishi arriveert bij het [hotel] in Amsterdam aan de Oude Haagseweg

18.42 uur: de beide mannen hebben contact met NN in een zwarte Mercedes aan de achterzijde van het hotel.

18.49 uur: de Mitsubishi vertrekt vanaf het hotel en rijdt met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar de [adres 2] in Amsterdam.

19.09 uur: [medeverdachte 2] heeft nabij het café weer contact met beide Zuid-Amerikaans uitziende mannen (foto 965).

19.15 uur: De mannen lopen weer naar de Mitsubishi. Drie mannen vertrekken in de auto waaronder [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en de Zuid-Amerikaans uitziende man met de zwarte pet en het spijkerjasje.

19.16 uur: de eerder genoemde Turks uitziende man loopt samen met de Zuid-Amerikaans uitziende man met het witte trainingspak door de [adres 2] te Amsterdam. Ze gaan vervolgens de Charlotte de Bourbonstraat in een staan stil voor portiek 62 en 64. Daar zijn ze in gesprek met een blanke man.

19.25 uur: de Mitsubishi rijdt weer naar de achterzijde van het [hotel]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben daar weer contacten.

19.35 uur: De Mitsubishi vertrekt met [medeverdachte 2] als bestuurder en de Zuid-Amerikaans uitziende man. Nabij het café Afro Tropical Products stapt ook de Zuid-Amerikaans uitziende man gekleed in het witte trainingspak in de Mitsubishi.

19.36 uur: De Mitsubishi rijdt door de [adres 2] en wordt daar geparkeerd. De 2 Zuid-Amerikaans uitziende mannen stappen uit en lopen even later binnen bij het adres [adres] 255 (rechter deur) te Amsterdam.

19.59 uur: de Zuid-Amerikaans uitziende man met het witte pak loopt terug naar de Mitsubishi.

20.01 uur: de Mitsubishi vertrekt met [medeverdachte 2] en de Zuid-Amerikaans uitziende man met het witte trainingspak. Zij rijden opnieuw naar de parkeerplaats achter het [hotel]. Daar heeft men weer contacten met de NN in de Duitse Mercedes.

20.24 uur: [medeverdachte 1] stapt in bij de Mitsubishi. [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en de Zuid-Amerikaans uitziende man met het witte trainingspak vertrekken. Even later stoppen ze langs de S 107 nabij het hotel.

20.27 uur: de Mitsubishi vertrekt en rijdt naar [plaats 1].

20.54 uur: de Mitsubishi wordt geparkeerd in de [adres 2] nabij een winkelcentrum. De drie mannen stappen uit de auto en lopen naar de snackbar Risdam.

21.09 uur: De drie mannen worden in de snackbar door collega’s aangehouden.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. 06-007534 BPS nummer 06-117478 d.d. 28 september 2007 opgenomen op pag. 36 e.v. van het zaaksdossier nr. RR0532 “Mus”, inhoudende:

Op zondag 24 juni 2007 heeft [medeverdachte 1] overleg met [medeverdachte 3] bij [medeverdachte 3] thuis. Daarna heeft [medeverdachte 1] overleg met [medeverdachte 2] (bijl. G-23). Vervolgens heeft [medeverdachte 1] overleg met de Duitse pseudokoper Duitse Hans. [medeverdachte 1] maakt duidelijk aan Duitse Hans dat zij de volgende dag, 25 juni 2007, in staat zullen zijn om de afgesproken hoeveelheid cocaïne aan Hans af te leveren (bijl. G-24).

Vanaf pag. 42:

18.22 uur: [medeverdachte 1] belt Duitse Hans. Er volgt een afspraak bij het [hotel] Oude Haagseweg 10 te Amsterdam. Hans krijgt [medeverdachte 2] aan de lijn en later [medeverdachte 1] weer. Duitse Hans vraagt aan [medeverdachte 1] of hij het spul heeft. [medeverdachte 1] zegt: “jazeker” (bijl. G-45 en G-46).

18.52 uur: [verdachte] belt [medeverdachte 2] en vraagt waar [medeverdachte 2] is. Die zegt zo bij hem te zijn. [verdachte] zegt dan: “Nee, kom kom kom kom” (bijl. G-47).

19.55 uur: [medeverdachte 2] belt [medeverdachte 1] en zegt: “komt er zo aan, komt goed … weet je met pijn en moeite … (bijl. G-50).

19.55 uur: [medeverdachte 2] belt [medeverdachte 1]: “ja het wordt nu gepakt, ik heb het zo in twee minuten hier.” [medeverdachte 1], die op dat moment bij Hans verblijft kan tegen Hans zeggen dat ze er nu aankomen (bijl. G-51).

Vanaf pag. 44:

20.08 uur: [medeverdachte 3] belt [medeverdachte 2]:

… M: Jahaha, we zijn nog even aan, we zijn nog bezig

J: Maar maar waarmee? Hoeveel?

M: Als goed wel, weet je?

J: Oh M: Maar je weet wel [medeverdachte 1] .

J: oke ja, oke

M: Ja ik bel jou gelijk.

20.18 uur: [medeverdachte 3] belt [verdachte] en daar [medeverdachte 2]:

Vertaling: [verdachte] zegt dat er veel fouten zijn gemaakt. [medeverdachte 3] vraagt wie de fouten heeft gemaakt, die kale? [verdachte] zegt nee, de man in de auto. Die man zegt eerst het een en dan doet hij iets anders.

Daarna komt [medeverdachte 2] aan de lijn:

J: He Poek wat is er aan de hand dan?

M: Acht die [medeverdachte 1] is gek man. Die man, die man die wil zeggen, moet … kijken in de auto, kan toch niet.

J: In die auto?

M: Ja man, kan toch niet.

J: Hoe gaan ze dingen doen in de auto…

M: Jaaa

J: Hij gaat fietsen tellen of zo?

M: Ja dat zei ik ook al weet je, ik zei [medeverdachte 1] kan toch niet man!

J: Waar is [medeverdachte 1] nu dan?

M: Hij is hier, in die auto bij die man.

J: Ga maar even praten met die man dan.

M: Poek, die man wil niet eens met mij praten, hij wil alleen met [medeverdachte 1] man.

J: O, wat moet je nou doen dan?

M: Ik word weet je, weet je, is niet leuk weet je, dit. Want je weet toch het gezichtsverlies en alles, je kan toch niet zo

J: Ga maar praten met de man dan.

M: Ja is goed man.

J: Oke, zie je zo.

Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met betrekking tot de uitvoering van het bevel pseudokoop in het onderzoek “Mus”, periode 4 april 2007 tot 25 juni 2007 nr. BT / 2007.0625 d.d. 26 juni 2007, opgenomen in het algemeen dossier / relaaspv van het zaaksdossier nr. RR0532 “Mus”, inhoudende:

op pagina 63, als verklaring van A-1763:

“Omstreeks 12.45 uur van die dag kwam [medeverdachte 1] weer naar het hotel en ik sprak met hem op het terras. [medeverdachte 1] smeekte mij bijna de levering toch door te laten gaan, Hij zei dat hij geen invloed had op de wijze van levering, omdat de cocaïne niet van hem was. Ik zei dat ik bereid was naar Almere te rijden, maar niet naar Amsterdam. [medeverdachte 1] telefoneerde en zei daarna dat de zaak alleen in Amsterdam kon plaatsvinden. Hij verontschuldigde zich opnieuw voor de gang van zaken en liet mij blijken boos op zijn partner te zijn. Hij bood mij aan, dat als ik naar Amsterdam zou rijden, ik zelf beslissen kon waar de levering zou plaatsvinden. Hij zei verder dat hij mij op de prijs van de beloofde 4 kilo cocaïne een korting van € 4000,- zou geven.”

op pagina 65, als verklaring van A-1763:

“Enige tijd later kwam [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weer met dezelfde auto op de parkeerplaats. Ik kon zien dat er nog een persoon in de auto zat. Ik kon deze persoon echter niet goed zien. Ik bleef in de auto zitten en [medeverdachte 2] kwam bij mij zitten. Hij zei mij op een beslissende wijze dat de zaak hier op de parkeerplaats niet plaats kon vinden. Hij zei dat ik mee moest rijden naar een woning. Daar kon ik de cocaïne […], waarna de levering en betaling kon plaatsvinden. Hij motiveerde dit door te zeggen, dat de personen waarvan zij de cocaïne zouden krijgen, het niet op een andere wijze wilden. Ik zei op een nogal heftige wijze, dat ik hierop zeker niet in zou gaan en stond erop, dat zij de cocaïne hier zouden brengen. [medeverdachte 2] werd behoorlijk kwaad. Wij spraken heel hard tegen elkaar. Ik deed of ik erg boos was en zette [medeverdachte 2] uit de auto. Ik had namelijk tijdens het gesprek gezien dat achter mijn auto een corpulente, vermoedelijk Zuid-Amerikaanse man stond. Ik voelde mij daarom niet meer op mijn gemak en zelfs bedreigd. Nadat [medeverdachte 2] was uitgestapt, liep hij met de grote man naar zijn auto. Ik stapte uit mijn auto en [medeverdachte 1] kwam naar mij toe. Ik zag dat [medeverdachte 2] en de grote man wegreden, terwijl zij [medeverdachte 1] gewoon lieten staan. [medeverdachte 1] schrok hiervan en begon op hen te schelden. Ik zei daarop dat ik geen interesse meer had en liep bij hem weg.”

Bewezen is, dat

1.

hij in de periode van 1 juni 2007 tot en met 25 juni 2007, in de gemeenten Groningen en Amsterdam en Hoorn, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, immers heeft verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, in voornoemde pleegperiode en in voornoemde pleegplaatsen

- contacten gelegd en/of onderhouden met elkaar en met (een contactpersoon van) de afzenders/leveranciers van die cocaïne, en

- besprekingen gevoerd en/of bijgewoond en/of afspraken gemaakt over aan wie en op welke plaats en op welk moment en op welke wijze die cocaïne zou worden overgedragen en afgeleverd;

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

1. Medeplegen van een feit als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden of bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, en om daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat de politie bij de verhoren van verdachte heeft gehandeld in strijd met het pressieverbod van artikel 29 Sv. Er is ontoelaatbare druk uitgeoefend op verdachte om hem tot een verklaring te brengen, door hem aanhoudend voor te houden dat de door hem verkozen proceshouding en het opvolgen van het advies van zijn raadsman hem zijn relatie met zijn vrouw en zelfs zijn verblijfspositie in Nederland zou kunnen kosten. Door zo te handelen is bovendien een wig tussen verdachte en zijn raadsman gedreven. Naar de mening van verdachte is hier sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv dat strafverlaging tot gevolg behoort te hebben.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft niet ontkend dat de politie in haar verhoren te ver is gegaan. Hij heeft aangevoerd dat hij tijdens het voorbereidende onderzoek naar aanleiding van een brief van de raadsman omtrent deze kwestie corrigerend heeft opgetreden in de richting van de politie.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is inderdaad sprake geweest van ontoelaatbare druk in de politieverhoren. Zo blijkt uit het proces-verbaal van het verhoor van verdachte van 3 juli 2007 dat verdachte aangeeft op advies van zijn advocaat van zijn zwijgrecht gebruik te willen maken. Verbalisanten vragen daarop aan verdachte of zijn advocaat hem heeft uitgelegd hoe het zit met voorlopige hechtenis. Verder delen zij mee dat zij zich kunnen voorstellen dat zij er alles aan zouden doen om hun onschuld te bewijzen; zij zouden wel verklaren en zo snel mogelijk naar hun kinderen willen. Uit het proces-verbaal van verhoor van 4 juli 2007 blijkt dat de verbalisanten verdachte voorhouden dat hij naar hun mening een behoorlijk risico neemt en dat zijn houding invloed zou kunnen hebben op het verliezen van zijn vrouw en dat als zijn relatie eindigt, zijn advocaat hem geen verblijfsvergunning gaat verlenen.

Ingevolge artikel 29 Sv dienen verhorende politie-ambtenaren zich te onthouden van alles wat de strekking heeft een verklaring te verkrijgen waarvan niet kan worden gezegd dat deze in vrijheid is afgelegd. Dit vormvoorschrift is in het voorbereidende onderzoek door de politie geschonden. Nu dit verzuim niet meer kan worden hersteld en de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, moet de rechtbank bepalen of en zo ja welke rechtsgevolgen aan het verzuim moeten worden verbonden.

Het belang van artikel 29 Sv, dat niemand verplicht kan worden aan zijn eigen veroordeling mee te werken, is naar het oordeel van de rechtbank wezenlijk in een strafproces. De ernst van het verzuim, zoals boven omschreven, is echter beperkt gebleven en op aangeven van de verdediging heeft de officier van justitie ingegrepen. Ten slotte is het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt beperkt gebleven. Verdachte is zich blijven beroepen op zijn zwijgrecht en hij is relatief korte tijd aan de ongeoorloofde druk onderworpen geweest.

Onder al deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met de constatering dát is gehandeld in strijd met artikel 29 Sv.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het rapport van de Reclassering van 12 oktober 2007, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Vrijheidsstraf

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf moet worden opgelegd.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hoogte hiervan in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ten laste van verdachte is het feit als hierboven weergegeven, bewezen verklaard.

Uit de stelselmatige observatie en de afgeluisterde telefoongesprekken, blijkt dat verdachte een rol heeft gespeeld met betrekking tot het onder 1 bewezenverklaarde; hij was degene die de cocaïne - blijkens het proces-verbaal van begeleiding van A-1763 van 25 juni 2007 zou het gaan om vier kilo - zou leveren.

Algemeen bekend is dat cocaïne een voor de volksgezondheid schadelijke stof is en dat met het verkrijgen van dit middel veelal zogenaamde verwervingscriminaliteit gepaard gaat.

Gelet op de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is, mede gelet op de doorgaans voor soortgelijke feiten opgelegde straffen.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de door de officier van justitie gestelde eis de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van verdachte, onder andere blijkende uit het uittreksel uit de justitiële documentatie, miskent. De rechtbank zal daarom een hogere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank is voorts van oordeel dat in dit kader geen plaats is voor een deels voorwaardelijke straf, nu verdachte in 2006 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor handelen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet. Ook een werkstraf acht de rechtbank, gelet hierop, niet passend.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF MAANDEN.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. E.W. van Weringh, voorzitter, G. Laman en A.F. Gerding, in tegenwoordigheid van D. van der Ploeg, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 maart 2008.