Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC5960

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
92460 FA RK 07-400
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf en omgang.

Geen grond voor wijziging van het hoofdverblijf.

Toetsing ex artikel 1:253a BW. Omgang op korte termijn niet in het belang van de kinderen.

Het recht op omgang is geschorst voor de duur van een jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 92460 /FA RK 07-400

beschikking d.d. 19 februari 2008

in de zaak van:

verzoekster,

hierna te noemen de vrouw,

procureur voorheen mr. M.I. van Horssen-Bok,

en

verweerder,

hierna te noemen de man,

procu

PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 3 juli 2007 een beschikking gegeven.

Op 8 augustus 2007 is ter griffie van de rechtbank een brief d.d. 7 augustus 2007 met als bijlage een rapport d.d. 6 augustus 2007 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) binnengekomen.

Op 8 januari 2008 is ter griffie van de rechtbank een brief met bijlage van de procureur van de man binnengekomen.

De rechtbank heeft de zaak behandeld op 24 januari 2008 ter zitting met gesloten deuren, in aanwezigheid van partijen, de procureur van de man en mevrouw A.I. van Dijk, namens de raad.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank neemt hier over hetgeen is overwogen en beslist in voornoemde beschikking.

In die beschikking is de beslissing over het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen A en B, de omgangsregeling tussen de niet-verzorgende ouder en de kinderen en de kinder- en partneralimentatie aangehouden.

Standpunt van de vrouw

Het hoofdverblijf van het jongste kind moet bij de vrouw zijn. De man heeft haar en de kinderen mishandeld. Zij beschikt over een rapport van het ziekenhuis waar dat uit blijkt. Zij is een goede moeder voor de kinderen. Naar haar mening is de man geen goede vader. Zij zal zich tot de Poolse ambassade wenden om er voor te zorgen dat het jongste kind bij haar terugkomt. Zij heeft voorts gesteld dat zij niet aan een omgangsregeling wil meewerken omdat zij gewoon [B.] bij zich wil hebben. De keuze van [A.] zal de vrouw accepteren.

Standpunt van de man

Het hoofdverblijf van de kinderen moet bij de man moet zijn. Het gaat goed met de kinderen, zowel bij hem thuis als op school. Er is geen reden om het hoofdverblijf te veranderen.

Er is bijna een jaar geen contact geweest tussen de vrouw en de kinderen. Het oudste kind wil geen contact met haar en het jongste kind heeft vervelende ervaringen met haar. De man is niet tegen omgang tussen de vrouw en de kinderen, wanneer het zeker is dat de kinderen na het omgangsweekend ook weer terugkomen.

Standpunt van de raad

De kinderen zijn bij de man gebleven nadat de vrouw was vertrokken. De man heeft zich ingezet om vanaf dat moment de zorg voor de kinderen zo goed mogelijk op zich te nemen. Omdat de man werkt is er oppas wanneer hij 's middags en 's nachts werkt. De vrouw wil alleen contact met het jongste kind en vindt dat zij in de toekomst bij haar moet komen wonen. Er is bij de kinderen veel weerstand tegen contact met de vrouw. Het oudste kind heeft daar een uitgesproken mening over en het jongste kind heeft afstand tot de vrouw genomen. Er is jarenlang sprake geweest van een problematische relatie tussen de man en de vrouw. De man en de vrouw uiten zich nu over en weer zeer negatief over elkaar. De kinderen zijn op de man en op elkaar gericht en er is rust in het gezin gekomen. Het jongste kind is zich na het vertrek van de vrouw op school beter gaan ontwikkelen. De raad is van mening dat het in het belang van de kinderen is om bij de man te blijven wonen.

Het is moeilijk te bepalen welke omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen kan worden vastgesteld. Er is sprake van een ernstig verstoorde verhouding tussen de ouders en zij uiten zich negatief ten opzichte van elkaar. De kinderen staan afwijzend ten opzichte van contact met de vrouw. De man is nog niet bereid om de kinderen te stimuleren tot contact met de vrouw. Naar de mening van de raad is het niet acceptabel dat er in het geheel geen contact komt tussen de vrouw en de kinderen en dat zij geen band met de vrouw kunnen onderhouden. Hulp zal eerst vooral gericht moeten zijn op verbetering van de communicatie tussen de ouders en acceptatie van de vrouw van het hoofdverblijf van de kinderen bij de man. De man zal gestimuleerd moeten worden om de kinderen de ruimte te geven tot contact met de vrouw. Daarna zal hulp geboden moeten worden bij het stimuleren van de kinderen tot contact met de vrouw. Ook deze contacten zullen begeleid moeten worden. Deze begeleiding kan het beste door Lentis/Jonx worden verleend. Aan de hand van de resultaten van deze hulp kan bepaald worden welke omgangsregeling mogelijk is.

Op 16 augustus 2007 heeft de raad de rechtbank nader schriftelijk geïnformeerd over het feit dat inmiddels is gebleken dat Lentis geen verwijzingen meer accepteert voor begeleiding van een omgangsregeling zodat een deel van het advies niet meer uitvoerbaar is. De raad geeft aan dat nagegaan zal moeten worden of een verwijzing naar het BOR-project van Bureau Jeugdzorg mogelijk is.

Beoordeling van het verzoek

Bij faxbericht van 8 oktober 2007 heeft de procureur van de vrouw zich aan de zaak onttrokken, omdat zij geen contact met de vrouw kon krijgen. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat zij contact met mr. U.R. Slangenberg heeft gehad, maar dat zij nog geen nieuwe procureur heeft.

De rechtbank ziet geen aanleiding de beslissingen rondom het hoofdverblijf van, en een omgangsregeling met de kinderen aan te houden in verband met het feit dat de vrouw geen procureur heeft. Daartoe wordt overwogen dat de vrouw bijna vier maanden de gelegenheid heeft gehad een nieuwe advocaat/procureur te zoeken en dat het in het belang van de kinderen moet worden geacht dat er op korte termijn een beslissing wordt genomen inzake hun hoofdverblijf en een omgangsregeling.

Hoofdverblijf

In navolging van het advies van de raad is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat zij hoofdverblijf bij de man hebben. Zij wonen al ongeveer een jaar bij de man en hebben aangegeven bij hem te willen blijven wonen. Zij zijn op elkaar en op de man gericht en het gaat goed met hen. De man heeft de combinatie van zijn werkzaamheden en de zorg voor de beide kinderen met een oppas voldoende geregeld.

Omgangsregeling

Gezamenlijk gezag brengt in beginsel mee dat de met gezag beklede ouder bij wie het kind niet verblijft recht op omgang heeft, nu dat recht een wezenlijk onderdeel van ouderlijk gezag uitmaakt. Onder verwijzing naar onder andere de uitspraken van de HR van 18 november 2005, LJN AT8247, 23 maart 2007 LJN AZ5443, en 14 september 2007, LJN BA5198, toetst de rechtbank het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een omgangsregeling, nu dit door de man wordt bestreden, in het kader van artikel 253a Boek I BW. Daarbij is van belang of de door de vrouw gevraagde omgangsregeling in het belang van de minderjarigen moet worden geacht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Blijkens het advies van de raad kan omgang tussen de vrouw en de beide minderjarige kinderen gezien de complexe verhoudingen tussen de man en de vrouw, maar ook tussen de vrouw en de kinderen, in eerste instantie alleen begeleid plaatsvinden. [A.] heeft aangegeven in het geheel geen contact met haar moeder te willen hebben. Blijkens het raadsrapport staat ook [B.] niet onverkort open voor contact met haar moeder. De vrouw heeft ter zitting bij herhaling aangegeven dat zij alleen maar wil dat [B.] bij haar komt wonen en dat er verder niet over begeleide omgang te praten valt. De rechtbank leidt hieruit af dat zij een hoofdverblijf van [B.] bij de man niet accepteert en dat zij evenmin open staat voor een begeleide opbouw van omgang met [B.], of met [A.]. De rechtbank heeft hierbij ook betrokken dat de vrouw zowel voor de raad, als ook voor haar voormalige procureur langdurig onbereikbaar was om -onder andere- aangelegenheden met betrekking tot haar beide kinderen te bespreken. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank omgang met de vrouw op de korte termijn niet in het belang van de beide minderjarige kinderen. De rechtbank is met de raad van mening dat contact tussen de vrouw en de kinderen op zich in het belang van de kinderen is, maar acht een rustperiode, met name voor de beide kinderen aangewezen om alle onrust van de afgelopen periode een plaats te kunnen geven. Deze periode kunnen de man en de vrouw gebruiken om de echtscheiding af te wikkelen en te werken aan verbetering van hun onderlinge verhouding. De vrouw kan zich bezinnen op de vraag of zij, gegeven het hoofdverblijf van [B.] bij de man, toch niet wil meewerken aan een begeleide omgangsregeling. De man kan werken aan zijn bereidheid omgang tussen de vrouw en de kinderen te stimuleren.

De rechtbank ziet dan ook aanleiding het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een omgangsregeling af te wijzen en onder toepassing van artikel 253a Boek I BW het recht van de vrouw op omgang met [A.] en [B.] te schorsen voor de duur van één jaar.

Kinderalimenatie

Nu het hoofdverblijf van de beide minderjarige kinderen is bepaald bij de man dient het verzoek van de vrouw om haar in aanmerking te brengen voor kinderalimentatie om die reden te worden afgewezen.

Partneralimentatie

De beslissing inzake de partneralimentatie wordt aangehouden nu de vrouw zonder procureur geen reactie heeft kunnen geven op de door de man bij brief van 19 september 2007 overlegde tweede draagkrachtberekening en de daarop bij monde van zijn procureur ter zitting gegeven toelichting.

Gelet hierop zal de vrouw in de gelegenheid worden gesteld om binnen een maand een (nieuwe) procureur te vinden en zal de verdere behandeling van dit verzoek plaatsvinden op donderdag 1 april 2008 om 10.30 uur.

Met betrekking tot het ter zitting zijdens de man gedane verzoek tot het vaststellen van een voorlopige partneralimentatie overweegt de rechtbank als volgt.

Bij beschikking van 19 februari 2007 heeft de rechtbank in het kader van een voorlopige voorziening de door de man te betalen partneralimentatie voorlopig bepaald op euro 1250,- per maand. Ter zitting is door partijen aangegeven dat de man feitelijk euro 1159,- per maand betaalt, welk bedrag overeenkomt met de door de man overlegde eerste draagkrachtberekening van 30 mei 2007.

Door de man is op 7 januari 2008 een nieuwe draagkrachtberekening overgelegd, waarin onder andere de kosten van de kinderen op een andere wijze worden opgevoerd, en welke zou leiden tot een partneralimentatie van euro 636,- per maand.

Naar het oordeel van de rechtbank dient deze tweede draagkrachtberekening aan de orde te komen op de nadere zitting van 1 april 2008. De rechtbank wil bij een eventuele vaststelling van een voorlopige partneralimentatie niet op de beoordeling van deze tweede draagkrachtberekening vooruitlopen en legt om die reden deze niet ten grondslag aan een voorlopige partneralimentatie.

In verband met het feit dat de man reeds gedurende langere periode feitelijk betaalt hetgeen voortkomt uit de eerste door hem overlegde draagkrachtberekening ziet de rechtbank op dit moment geen aanleiding een voorlopige partneralimentatie vast te stellen.

BESLISSING

bepaalt dat het hoofdverblijf van de minderjarige kinderen

* [A.], geboren op 24 oktober 1994 in de gemeente Groningen en

* [B.], geboren op 15 mei 2000 in de gemeente Delfzijl

bij de man is;

wijst af het verzoek met betrekking tot een omgangsregeling tussen de vrouw en de kinderen en schorst het recht van de vrouw op omgang met [A.] en [B.] voor de duur van één jaar;

wijst het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen af;

wijst het verzoek van de man tot vaststelling van voorlopige partneralimentatie af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere overige beslissing aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op dinsdag 1 april 2008 om 10.30 uur.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.J. Klijn en uitgesproken door deze, ter openbare zitting van 19 februari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.