Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC5453

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
261667 / 05-5559
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexiazaak (WinstVerDriedubbelaar). Toepasselijkheid op Wck kan in het midden blijven. Beroep op dwaling, misbruik van omstandigheden, misleidende reclame en bedrog wordt verworpen. Wel is Dexia tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht, hetgeen leidt tot toepassing van het door de kantonrechter in Amsterdam ontwikkelde categoriemodel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 261667/05-5559

Vonnis d.d. 23 januari 2008

inzake

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland NV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, hierna Dexia te noemen,

gemachtigde Kroes & Partners, gerechtsdeurwaarders te Meppel,

tegen

[gedaagden],

beiden wonende te [adres],

gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, hierna [gedaagden] te noemen,

gemachtigde mr. G.A. Versteegh, advocaat te Groningen.

PROCESGANG

Dexia heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat [gedaagden] door de rechtbank Groningen, sector civiel worden veroordeeld tot betaling van € 25.298,68 vermeerderd met rente en kosten.

[gedaagden] hebben de vordering bestreden. In reconventie vorderen zij dat Dexia wordt veroordeeld tot betaling van € 10.617,00 vermeerderd met rente alsmede dat de tussen partijen op 27 april 2000 en 8 juli 1999 gesloten overeenkomsten primair nietig worden verklaard dan wel subsidiair worden ontbonden. Meer subsidiair, namelijk voor het geval de vordering van Dexia geheel of gedeeltelijk mocht worden toegewezen, vorderen zij Dexia te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de veroordeling in conventie en deze te compenseren met de vordering in conventie.

Dexia heeft in conventie gerepliceerd onder voorwaardelijke wijziging van haar eis, inhoudende dat [gedaagden] voor het geval de conventionele vordering wordt afgewezen en de reconventionele vordering wordt toegewezen worden veroordeeld tot betaling van het verschil tussen de aankoopwaarde van de aangekochte effecten en de waarde daarvan op de datum van de gehele of gedeeltelijke vernietiging of ontbinding van de op 27 april 2000 gesloten overeenkomst. Dexia heeft voorts geantwoord in reconventie.

[gedaagden] hebben geconcludeerd voor dupliek in conventie en voor repliek in reconventie, waarbij zij hun primaire vordering aldus hebben vermeerderd dat zij naast vernietiging tevens nietigverklaring van genoemde overeenkomsten vorderen.

Nadat Dexia had geconcludeerd voor dupliek in reconventie, heeft de rechtbank Groningen, sector civiel, zich bij vonnis van 11 mei 2005 onbevoegd verklaard om van het geschil kennis en de zaak in de stand waarin deze zich bevond (het wijzen van vonnis) verwezen naar de sector kanton van deze rechtbank.

Vervolgens heeft het Gerechtshof te Amsterdam op 25 januari 2007 de zogenaamde Duisenberg-regeling algemeen verbindend verklaard, waarna de procedure op de voet van artikel 1015 Rv is geschorst. De procedure is hervat nadat [gedaagden] hadden laten weten dat zij niet aan deze regeling gebonden willen zijn.

Het vonnis is (nader) bepaald op heden.

OVERWEGINGEN in conventie en in reconventie

De vaststaande feiten

1. Als gesteld en niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist kan van het volgende worden uitgegaan.

Dexia is de rechtsopvolgster van Bank Labouchere NV. Waar hierna wordt gesproken over Dexia wordt haar rechtsvoorganger daaronder begrepen.

Tussen Dexia enerzijds en [gedaagden] anderzijds is op 24 mei 1996 een overeenkomst (contractnummer 70900569) tot stand gekomen ten behoeve van het product WinstVerdubbelaar. Deze overeenkomst is, na ommekomst van de looptijd van 5 jaar, op of omstreeks 23 mei 2001 beëindigd met een (na verkoop van de aandelen) voor [gedaagden] positief resultaat van € 31.662,85.

Tussen partijen is voorts op 8 juli 1999 (contractnummer 74216932) een overeenkomst gesloten met betrekking tot het product WinstVerDriedubbelaar. Hierop zijn van toepassing de bijzondere voorwaarden effectenlease. De looptijd van de overeen komst bedraagt 36 maanden. Het totaalbedrag van de aankoopbedragen van de effecten bedraagt € 11.546,85, het totaalbedrag aan te betalen rente tijdens de looptijd van de overeenkomst € 2.422,76. De overeengekomen lease-som bedraagt derhalve in totaal € 13.969,61. Dat bedrag moest worden voldaan in 36 gelijke maandelijkse termijnen van € 67,30, een eenmalig bedrag van € 45,38 omstreeks de 35e maand en € 11.501,47 aan het einde van de looptijd. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagden] na betaling van al hetgeen zij krachtens de overeenkomst aan Dexia verschuldigd zijn, automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden zouden worden.

Deze overeenkomst is op 7 juli 2002 verlengd met 36 maanden. In de betreffende overeenkomst is bepaald dat naast het ongewijzigde totaalbedrag van de aankoopwaarden (€ 11.546,85), het totaalbedrag aan te betalen rente tijdens de looptijd van de verlengingsovereenkomst € 2.424,96 bedraagt, zodat de overeengekomen lease-som derhalve in totaal € 13.971,81 bedraagt. Dat bedrag moest worden voldaan in 36 gelijke maandelijkse termijnen van € 67,36, een eenmalig bedrag van € 50,00 omstreeks de 35e maand en € 11.496,85 aan het einde van de looptijd.

Tussen partijen is bovendien op 27 april 2000 nog een overeenkomst gesloten ten behoeve van het product WinstVerDriedubbelaar (contractnummer 74485942). Ook hierop zijn van toepassing de bijzondere voorwaarden effectenlease en de looptijd van de overeenkomst bedraagt eveneens 36 maanden. Het totaalbedrag van de aankoopbedragen van de effecten bedraagt € 39.056,82, het totaalbedrag aan te betalen rente tijdens de looptijd van de overeenkomst € 8.195,04. De overeengekomen lease-som bedraagt derhalve in totaal € 47.251,86. Dat bedrag moest worden voldaan in 36 gelijke maandelijkse termijnen van € 227,64, een eenmalig bedrag van € 45,38 omstreeks de 35e maand en € 39.011,44 aan het einde van de looptijd. Ook in dit geval zijn partijen overeengekomen dat [gedaagden] na betaling van al hetgeen zij krachtens de overeenkomst aan Dexia verschuldigd zijn, automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden zouden worden.

Na het verstrijken van de looptijd van deze overeenkomst zijn de effecten op of omstreeks 28 april 2003 door Dexia verkocht. De opbrengst bedroeg in totaal € 16.747,74. Dexia heeft [gedaagden] vervolgens een eindafrekening toegezonden, inhoudende dat zij nog € 22.536,72 verschuldigd zijn (het verschil tussen de opbrengst ad € 16.747,74 en het bedrag dat [gedaagden] in de ogen van Dexia nog verschuldigd waren, namelijk € 39.284,46).

Het geschil

2. Uit de processtukken volgt dat partijen er in essentie over verdeeld zijn of:

a. er sprake is van strijd met de Wet op het consumentenkrediet;

b. er sprake is van dwaling, misbruik van omstandigheden, misleidende informatie (reclame) en/of bedrog;

c. Dexia is tekortgeschoten in haar verplichting om de aandelen daadwerkelijk te werven en op naam van [gedaagden] in haar administratie te registreren;

d. op Dexia een zorgplicht rust en zo ja, of zij deze heeft geschonden;

e. of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door [gedaagden] de risicovolle producten aan te bieden zonder te informeren naar zijn financiële situatie, beleggingservaringen en zonder hem te wijzen op de risico's.

3. Voor zover van belang zal hierna op de stellingen van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

4. Gelet op de samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden behandeld.

5. Waar hierna wordt gesproken over de overeenkomsten, worden daarmee de overeenkomsten van 8 juli 1999 en 27 april 2000 bedoeld, tenzij anders is aangegeven. Het geschil heeft namelijk met name betrekking op deze overeenkomsten. De overeenkomst d.d. 24 mei 1996 speelt echter wel op onderdelen een rol in de stellingname van partijen en kan derhalve ook van belang zijn bij de beoordeling van het geschil.

6. Met betrekking tot de hiervoor onder 2. genoemde rechtsvragen overweegt de kantonrechter als volgt.

Het beroep op strijd met de Wet op het consumentenkrediet

7. In het geval van een nietige overeenkomst ontstaan daaruit voor beide partijen verplichtingen. Enerzijds zal Dexia de reeds geleverde prestaties ongedaan dienen te maken, omdat er dan sprake is van onverschuldigde betaling. Anderzijds zal in dat geval, op grond van art. 6:278 BW, de waardedaling van de geleasede effecten voor rekening van [gedaagden] komen. Beide verplichtingen dienen te worden beoordeeld en (zonodig) beperkt (eventueel tot nihil) met toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW). Die maatstaven van redelijkheid en billijkheid en de daarbij in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden van het individuele geval zijn dezelfde als die welke dienen te gelden zonder toepasselijkheid van de Wck. Het beroep op de Wck kan daarom in beginsel niet tot een ander oordeel leiden omtrent de (door elk van partijen te dragen) gevolgen van het aangaan van de betreffende overeenkomst, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep. De toepasselijkheid van de Wck kan naar het oordeel van de kantonrechter dan ook in het midden blijven.

Het beroep op dwaling

8. Naar het oordeel van de kantonrechter is het voor de beoordeling van het beroep op dwaling niet relevant of [gedaagden] al dan niet een advertentie en/of brochure hebben gezien. In beide gevallen (wel of geen brochure/advertentie) hadden [gedaagden] namelijk een nader onderzoek in moeten stellen naar hetgeen waartoe zij zich contractueel zouden verbinden. Gesteld noch gebleken is echter dat zij dat hebben gedaan.

9. Wanneer zij de brochure en/of advertentie wel hebben gelezen hadden zij naar het oordeel van de kantonrechter kunnen en moeten begrijpen dat er sprake was van leningen met renteverplichtingen voor de financiering ten behoeve van door hen gekochte effecten en van een verplichting tot het op enig moment voldoen van de aankoopbedragen. Los van het feit dat in de overeenkomsten het te betalen rentebedrag wordt genoemd (hetgeen een lening impliceert), blijkt uit de brochure en advertentie dat de aankoopbedragen van de effecten moeten worden terugbetaald en dat er sprake is van een renteverplichting. Verder staat zowel in de brochure als in de advertentie dat als de waarde van de aandelen op de einddatum van de overeenkomst lager is dan het aankoopbedrag, het verschil door de afnemer moet worden bijbetaald. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat koersen van effecten (aanzienlijk) kunnen dalen.

10. Wanneer [gedaagden], zoals zij stellen, geen advertentie en/of brochure hebben gezien en zij enkel naar aanleiding van een (telefonisch) advies van een medewerker van Dexia hebben besloten om een extra overeenkomst te sluiten, zijn zij naar het oordeel van de kantonrechter wel heel lichtzinnig tot dat besluit gekomen. Zij beschikten dan immers niet over informatiemateriaal. Juist in dat geval hadden zij naar het oordeel van de kantonrechter in beginsel een nog grotere onderzoeksplicht. Dat zou anders kunnen zijn indien de medewerker van Dexia hen zou hebben voorgehouden dat zij geen enkel risico liepen, maar daarvan is niet gebleken.

11. Nu [gedaagden] niet aan hun onderzoeksplicht hebben voldaan, kunnen zij zich niet met vrucht op dwaling beroepen.

Het beroep op misbruik van omstandigheden

12. Van misbruik van omstandigheden is sprake, zo is bepaald in artikel 3:44 lid 4 BW, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen zij weet of moet begrijpen haar daarvan zou behoren te weerhouden. Uit deze definitie volgt dat voor misbruik van omstandigheden onder andere vereist is dat er aan de zijde van [gedaagden] sprake was van bijzondere omstandigheden waarmee Dexia bekend was en waardoor [gedaagden] tot het aangaan van de overeenkomst zouden zijn bewogen. Het enkele feit dat [gedaagden] onervaren waren op het gebied van beleggingen brengt niet met zich mee dat Dexia door het aangaan van de overeenkomst misbruik heeft gemaakt van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 4 BW.

Het beroep op misleidende reclame

13. [gedaagden] stellen dat zij geen advertentie of brochure van Dexia hebben gelezen. Uitgaande van de juistheid van die stelling, hetgeen Dexia overigens betwist, kunnen de overeenkomsten dan ook niet tot stand zijn gekomen onder invloed van misleidende reclame. Ook dit verweer faalt derhalve.

Het beroep op bedrog

14. Uit de in artikel 3:44 lid 3 BW gegeven definitie van bedrog volgt dat er sprake moet zijn van een opzettelijk gedane onjuiste mededeling, het opzettelijk verzwijgen van een feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen of van een andere kunstgreep. Aangezien [gedaagden] ter zake van het door hen gestelde bedrog geen specifieke argumenten hebben aangevoerd, kan in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen naar het oordeel van de kantonrechter niet anders worden geoordeeld dan dat (ook) van bedrog geen sprake is.

Het beroep dat Dexia tekort is geschoten in haar verplichting om de aandelen daadwerkelijk te werven en op naam van [gedaagden] in haar administratie te registreren

15. Op geen enkele wijze is gebleken dat [gedaagden] hierdoor zouden zijn benadeeld. Zou Dexia op dit punt derhalve tekort zijn geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomsten, kan dit naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet het door [gedaagden] gewenste rechtsgevolg (ontbinding van de overeenkomsten) hebben.

De zorgplicht

16. Het voorgaande laat onverlet dat Dexia tekort kan zijn geschoten in de nakoming van haar zorgplicht.

17. Bij de beantwoording van de vraag in welke mate Dexia gehouden was onderzoek te doen naar de omstandigheden van [gedaagden] en daarmee rekening diende te houden, moet het volgende worden vooropgesteld. Doordat Dexia het aanbod heeft gedaan de effectenlease-overeenkomsten te sluiten en [gedaagden] te kennen hebben gegeven te overwegen dit aanbod te aanvaarden is tussen Dexia enerzijds en [gedaagden] anderzijds een rechtsverhouding ontstaan. Bij de beoordeling van de manier waarop Dexia in deze rechtsverhouding rekening diende te houden met de belangen van [gedaagden] moet als uitgangspunt worden genomen dat een instelling als Dexia - als bij uitstek professioneel en deskundig op dit terrein - jegens particuliere, niet professionele, cliënten tot een bijzondere zorgplicht is gehouden. Voorts is van belang dat een effecteninstelling volgens artikel 24, aanhef en onder b, Bte 95 in het belang van haar cliënten informatie inwint, onder meer omtrent hun financiële positie, hun ervaring met beleggen en hun beleggingsdoelstellingen, voor zover dit redelijkerwijs van belang is met het oog op het verrichten van haar diensten.

18. Aan effectenleaseovereenkomsten zoals hier gesloten zijn aanzienlijke financiële risico's verbonden. Indien de voor rekening en risico van de deelnemer gekochte effecten over de contractsperiode minder in waarde stijgen dan de rente die de deelnemer voor de lening heeft betaald levert de overeenkomst voor de deelnemer per saldo immers verlies op. Daarnaast loopt de deelnemer het risico dat, indien de waarde van de gekochte effecten bij verkoop lager is dan het bedrag van de voor aankoop gesloten lening, dit deel van de lening nog zal moeten worden terugbetaald. Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat de zorgplicht ook geldt bij het aangaan van overeenkomsten als de onderhavige.

19. De zorgplicht die op Dexia rust brengt mee dat zij zich ervan had dienen te vergewissen dat [gedaagden] inzicht hadden in het gevaar dat verbonden is aan dergelijke overeenkomsten, dat zij zich bewust waren van de risico's die zij namen en dat [gedaagden] naar verwachting over voldoende financiële middelen zouden beschikken om aan het einde van de contractsperiode aan hun eventuele financiële verplichtingen uit de overeenkomsten te voldoen. Zo nodig had Dexia hen tegen de eventuele risico's moeten beschermen. Gesteld noch gebleken is dat Dexia dat heeft gedaan. Weliswaar heeft Dexia de BKR-toets uitgevoerd, maar dat is in een geval als het onderhavige volstrekt ontoereikend. Dexia heeft derhalve niet aan haar zorgplicht voldaan.

20. Daarbij moet evenwel niet uit het oog worden verloren dat [gedaagden] ook een eigen verantwoordelijkheid dragen. Zij hebben zich immers laten overhalen om de overeenkomsten te tekenen, terwijl zij kennelijk - anders dan ter zake van de overeenkomst d.d. 24 mei 1999 - geen ervaring hadden met beleggen en zij niet over voldoende - voor hen begrijpelijke - informatie beschikten.

De consequenties

21. Het niet nakomen van de zorgplicht brengt mee dat Dexia aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [gedaagden] ondervonden negatieve gevolgen. Daarbij moet echter ook de eigen verantwoordelijkheid van [gedaagden] in aanmerking worden genomen. Het onverkort toepassen van alle tussen partijen geldende bedingen zal dan ook tot onaanvaardbare gevolgen leiden.

22. De kantonrechter merkt ter zake van de hiervoor bedoelde negatieve gevolgen nog op dat het haar niet bekend is wat de financiële consequenties van het op 8 juli 1999 gesloten contract (contractnummer 74216932) zijn geweest. Op het moment dat de laatste conclusie werd genomen, was de overeengekomen duur van de verlenging van het contract namelijk nog niet verstreken. Aangenomen moet echter worden dat Dexia inmiddels een eindafrekening aan [gedaagden] heeft toegezonden. Op de nader te bepalen comparitie (zie hierna) kan daarover nadere informatie worden verstrekt.

23. De vraag die vervolgens rijst is op welke wijze het nadeel tussen partijen dient te worden verdeeld. Het is evident dat het door ieder van partijen te dragen nadeel niet exact kan worden berekend. Daarom zal een inschatting van het nadeel moeten plaatsvinden. De kantonrechter te Amsterdam heeft hiervoor het zogenaamde categoriemodel ontwikkeld (vgl. de uitspraak van deze kantonrechter van 27 juni 2007 onder rolnummer DX 06-3229, LJN: BB1952), welk model naar het oordeel van de kantonrechter in een geval als het onderhavige passend is en daarom zal worden overgenomen.

24. In dat model zijn, zo is in genoemd vonnis overwogen, beleggingservaring, opleidingsniveau, vermogen (eigen huis en de daarop drukkende hypotheekschuld tellen hiervoor niet mee) en inkomen van de afnemer als indicatieve factoren verwerkt. Het model werkt met bandbreedtes per categorie, die ingevuld kunnen worden al naar gelang het model in meer of mindere mate van toepassing is op de afnemer. Daarnaast laat het model ruimte voor afwijking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid op grond van bijzondere omstandigheden in individuele gevallen, zowel van financiële aard als van persoonlijke aard, of bijvoorbeeld op grond van de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen.

25. Het model kent vier categorieën, waarbij Dexia de daarbij aangegeven percentages van het door de afnemer geleden nadeel dient te dragen. Voor zover de afnemer door hem verschuldigde termijnen of een restanthoofdsom nog niet heeft betaald, wordt hij gekweten voor die verplichtingen, behoudens tot het aan hem toe te rekenen percentage van het nadeel. Hierbij wordt opgemerkt dat de per categorie genoemde omstandigheden telkens cumulatief gelden, tenzij anders aangegeven. Voorts wordt vermeld dat onder netto gezinsinkomen mede wordt verstaan het inkomen van de echtgenoot dan wel de partner met wie de huishouding duurzaam wordt gedeeld.

26. Genoemde uitgangspunten hebben geleid tot de volgende categorie-indeling, waarbij de hierna genoemde gegevens hebben betrekking op de situatie ten tijde van de totstandkoming van de lease-overeenkomst.

Categorie 1: 75% tot 85% van het nadeel voor rekening van Dexia, en het resterend percentage voor rekening van de afnemer. Deze categorie geldt voor afnemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

- geen enkele beleggingservaring

- en geen of nagenoeg geen vermogen

- en netto gezinsinkomen minder dan € 15.000,00 per jaar (€ 1.250,00 per maand)

- en laag opleidingsniveau en geen voor beleggen relevante beroepservaring.

Categorie 2: 55% tot 65% van het nadeel voor rekening van Dexia, en het resterend percentage voor rekening van de afnemer.

Dit is de categorie voor een ieder die niet onder één van de andere categorieën valt.

Categorie 3: 30% tot 40% van het nadeel voor rekening van Dexia, en het resterend percentage voor rekening van de afnemer.

Deze categorie geldt voor afnemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

- geen relevante beleggingservaring

- en vermogen minimaal 1x de lease-som

- en/of het jaarlijks netto gezinsinkomen zowel meer dan € 15.000,00 als meer dan 2/3 deel van de lease-som.

Categorie 4: 5% tot 15% van het nadeel voor rekening van Dexia en het resterend percentage voor rekening van de afnemer. Deze categorie geldt voor afnemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

- redelijke beleggingservaring (open norm)

- en vermogen minimaal 1x de lease-som

- en/of het jaarlijks netto gezinsinkomen zowel meer dan € 15.000,00 als meer dan 2/3 deel van de lease-som.

27. De kantonrechter beschikt thans over onvoldoende gegevens om te kunnen vaststellen in welke categorie [gedaagden] valt. De kantonrechter acht het van belang dat partijen daarover mondeling nadere inlichtingen verschaffen. Daarom zal een comparitie van partijen worden gelast. Zoals hiervoor onder 22. is overwogen dient op de comparitie tevens nadere informatie te worden verstrekt over de financiële afwikkeling van het op 8 juli 1999 gesloten contract (contractnummer 74216932). Partijen (met name [gedaagden]) dienen alsdan de relevante stukken mee te brengen of tenminste één week voor de comparitie aan de kantonrechter en in afschrift aan de tegenpartij toe te sturen. De zitting zal ook kunnen worden gebruikt om te onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden. De kantonrechter wijst partijen erop dat zij uit een niet-verschijnen ter comparitie conclusies kan trekken die zij geraden acht en dat dit ten nadele van die partij kan strekken.

28. Alvorens een datum voor de comparitie zal worden bepaald, worden partijen in de gelegenheid gesteld hun verhinderdata op te geven.

29. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

gelast partijen, Dexia deugdelijk vertegenwoordigd en [gedaagden] in persoon, te verschijnen voor de kantonrechter voor het verstrekken van nadere inlichtingen en om te onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden en wel op een nader, in overleg met partijen, vast te stellen datum en tijdstip;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 20 februari 2008 te 11.00 uur; vóór of uiterlijk op die zitting kunnen beide partijen schriftelijk aan de sector kanton opgeven op welke dagen zij in de twee maanden volgende op die rolzitting verhinderd zijn, voor welke opgave geen nader uitstel zal worden verleend; op deze zitting zal dan worden bepaald wanneer en waar de comparitie van partijen zal plaatsvinden; na dagbepaling zal in beginsel geen uitstel meer worden verleend;

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.R. van Baak-Klijnsma, kantonrechter, en op 23 januari 2008 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: MH