Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC4451

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/848 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

UWV weigert overname op grond van hoofdstuk IV van de WW van roostervrije dagen uit 2005. Rechtbank vernietigt besluit omdat sprake is van een bedrag dat in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is (artikel 64, eerste lid, aanhef en sub c, WW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 07/848 WW V12

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. A. Reitsma,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 juli 2007.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van

15 januari 2007 (alsmede het besluit van 6 februari 2007), waarbij verweerder niet is overgegaan tot het vergoeden van een bedrag voor 7.32 roostervrije dagen, ongegrond verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 4 februari 2008.

Eiser en zijn gemachtigde zijn daar niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door P. Hofman.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. feiten en procesverloop

Eiser was werkzaam bij [naam werkgever], hierna te noemen de werkgever, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Bij vonnis van 27 september 2006 is de werkgever in staat van faillissement verklaard.

Bij brief van 28 september 2006 heeft de curator in het faillissement de dienstbetrekking van eiser met de failliete vennootschap opgezegd tegen de eerst mogelijke datum.

Aan eiser is tot en met 8 september 2006 loon doorbetaald. In aansluiting op de aankondiging van zijn ontslag is eiser vanaf 29 september 2006 voltijds in dienst getreden van Teambouw Groningen B.V.

Met ingang van 1 januari 2006 is het Tijdspaarfonds in werking getreden. In de CAO Bouwnijverheid is in artikel 19a, lid 8 een overgangsregel vastgesteld inhoudende dat het restant ATV-dagen van 2005 niet verloren gaat.

De werkgever had toegezegd dat de waarden van het restant ATV-dagen van eiser zijnde 7,32 dagen, zou worden gestort op de rekening van het Tijdspaarfonds. Er is dus volgens eiser gekozen voor optie b van het betreffende CAO-artikel.

Op 5 oktober 2006 heeft de buitendienst WW een onderzoeksrapport opgemaakt.

Bij besluit van 15 januari 2007 heeft verweerder een uitkering WW toegekend wegens blijvende betalingsonmacht van de werkgever bij faillissement.

Vastgesteld is dat eiser recht op uitkering kan krijgen op uitkering met betrekking tot:

a) achterstallig loon over ten hoogste 13 weken direct voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking;

b) het loon over de voor eiser geldende opzegtermijn, maximaal 6 weken vanaf de opzegdatum;

c) de vakantierechtwaarden, de vakantietoeslag en de bedragen die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over maximaal 52 weken direct voorafgaande aan de dag waarop de opzegtermijn is geëindigd.

Bij nader besluit van 6 februari 2007 heeft verweerder eiser meegedeeld dat de roostervrije dagen, waarop eiser in zijn brief van 18 januari 2007 doelt, betrekking hebben op 2005. Verweerder kan slechts de dagen overnemen gedurende 13 weken voorafgaande aan de opzegging door de curator. In het geval van eiser begint de periode van opzegging met ingang van 28 juni 2006. Hierdoor is het volgens verweerder niet mogelijk de roostervrije dagen (uit 2005) uit te betalen.

Eiser heeft tegen de besluiten van verweerder van 15 januari 2007 en 6 februari 2007 bezwaar aangetekend. Het bezwaar richt zich tegen het standpunt van verweerder dat de 7,32 roostervrije dagen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Hij meent dat hier de 13- weken periode van artikel 64, eerste lid, aanhef en sub a, WW niet van toepassing is. Eiser stelt dat het in dit geval gaat om een bedrag dat de werkgever in verband met de dienstbetrekking aan derden verschuldigd is, zodat artikel 64, eerste lid, aanhef en sub c, WW van toepassing is.

Van de gelegenheid te worden gehoord heeft eiser afgezien.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

3.2. Standpunt eiser

In beroep stelt eiser dat verweerder ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van het restant ATV-dagen 7,32 dagen over 2005. Eiser verwijst daarvoor naar artikel 19a, achtste lid van de CAO Bouwnijverheid. Voorts blijft eiser van mening dat artikel 64, eerste lid, aanhef en sub c, WW van toepassing is in zijn zaak.

3.3. Standpunt verweerder

Verweerder is van mening dat de door eiser geclaimde component van 7,32 vrij op te nemen roostervrije dagen niet voor vergoeding in aanmerking komt. De vordering dient te worden toegerekend aan artikel 64, eerste lid, aanhef en sub a, WW, zijnde 13 weken voorafgaande aan 28 juni 2006, terwijl de vordering van eiser betrekking heeft op de periode die is gelegen voor 31 december 2005. In verweer is nog aangevoerd dat het gaat om loon dat de werkgever verschuldigd is, waarmee artikel 64, eerste lid, aanhef en sub c, WW niet van toepassing is.

3.4. Beoordeling

Partijen verschillen niet van opvatting over het feit dat eiser nog recht had op 7.32 roostervrije dagen uit 2005.

Evenmin is in geschil dat aan eiser door zijn werkgever is toegezegd dat, mede gelet op de betrekkelijke CAO-bepalingen, een vergoeding in het Tijdspaarfonds zou worden gestort.

Eiser heeft gesteld dat de voorgenomen storting in het Tijdspaarfonds moet worden gezien als een bedrag dat de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden is verschuldigd.

De rechtbank onderschrijft die opvatting van eiser en overweegt daarbij het volgende.

In beginsel vervallen roostervrije dagen indien niet ze niet zijn opgenomen in het tijdvak waarop zij betrekking hebben. Dat is in het onderhavige geval niet zo, omdat in artikel 19a, lid 8, van de CAO Bouwnijverheid met het oog op de invoering van het Tijdspaarfonds is bepaald dat het restant van roostervrije dagen over 2005 naar keuze kan worden meegenomen, uitbetaald in geld of bij wijze van een storting in het Tijdspaarfonds. Nu onbetwist is dat eiser voor die laatste mogelijkheid heeft gekozen is een financiële verplichting voor de werkgever ontstaan jegens het Tijdspaarfonds. Van een rechtstreekse verplichting aan eiser is geen sprake, ook al zou de storting wel ten behoeve van eiser zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is er dus sprake van een verplichting aan derden te betalen, zoals bedoeld in artikel 64, eerste lid, aanhef en sub c, WW.

Dit leidt tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd over te gaan tot overname op grond van hoofdstuk IV van de WW.

Het bestreden besluit is strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en behoort te worden vernietigd.

Verweerder zal met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak opnieuw op bezwaar dienen te beslissen.

Nu het beroep gegrond verklaard zal worden ziet de rechtbank aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Verweerder dient bovendien het griffierecht te vergoeden.

UWV wordt aangewezen als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

4.

Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 3 juli 2007;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met inachtneming van de overwegingen van deze uitspraak;

- bepaalt dat UWV aan eisers gemachtigde het betaalde griffierecht ad € 39,= dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, welke zijn vastgesteld op een bedrag van € 322,=, en bepaalt dat UWV deze kosten dient te vergoeden aan eisers gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken

op 15 februari 2008 in tegenwoordigheid van W.J.C. Pije als griffier.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: WP