Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC4334

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
AWB 06/923 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Indien een cliënt aandringt op overleg met zijn behandelaar, dan legt de verzekeringsarts uit waarom hij dit contact niet noodzakelijk vindt. Blijft de cliënt aandringen op overleg, dan dient de verzekeringsarts contact op te nemen met de behandelaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 06/923 ZW V12

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. L.J. van der Veen

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

kantoor Groningen, verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 mei 2006.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van

10 april 2006, waarbij verweerder heeft geweigerd om aan eiser per 18 april 2006 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen, ongegrond verklaard en het besluit van 10 april 2006 gehandhaafd.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 24 mei 2007.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.S. Venema, kantoorgenoot van mr. L.J. van der Veen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.T. Dieters.

De rechtbank heeft het onderzoek in deze procedure geschorst om de bezwaarverzekeringsarts in de gelegenheid te stellen om aan de huisarts van eiser informatie te vragen.

Op 7 juni 2007 is een brief van verweerder ontvangen met daarbij een reactie van de bezwaarverzekeringsarts. De verzekeringsarts motiveert in een aanvullende rapportage waarom hij de huisarts van eiser niet heeft geraadpleegd om informatie.

Vervolgens heeft eiser getracht medische informatie over zijn gezondheidstoestand van zijn huisarts te krijgen.

Door de gemachtigde van eiser medegedeeld dat ondanks diverse verzoeken om informatie de huisarts niet heeft gereageerd.

Het geschil is vervolgens behandeld op de zitting van 24 januari 2008.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.J. van der Veen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Klaver.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. feiten en procesverloop

Eiser, geboren op [geboortedatum], is op 25 mei 2003 uitgevallen voor zijn werk als schoonmaker/algemeen medewerker bij een horecabedrijf vanwege chronische veneuze insufficiëntie (CVI) en vochtophoping aan beide benen.

Bij besluit van 10 maart 2005 heeft verweerder aan eiser met ingang van 23 mei 2004 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidongeschiktheid van

15 tot 25%. Eiser werd ongeschikt geacht voor zijn eigen functie.

Bij de WAO-beoordeling werden de functies papierwarenmaker, lederbewerker, productiemedewerker papier, karton, drukkerij en sorteerder en controleur voor geschikt geacht. Eiser heeft naast zijn WAO-uitkering een WW-uitkering.

Op 13 oktober 2005 heeft eiser zich ziek gemeld.

In verband met de toekenning van een uitkering op grond van de ZW is eiser op 7 april 2006 gekeurd door een primaire verzekeringsarts. Naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek heeft verweerder bij besluit van 10 april 2006 aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen omdat eiser in staat wordt geacht twee functies te verrichten van de bij de WAO-beoordeling passend geachte functies.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Eiser heeft gebruik gemaakt om zijn bezwaren mondeling toe te lichten op de hoorzitting van 10 mei 2005. De bezwaarverzekeringsarts was daarbij aanwezig en heeft na de hoorzitting eiser onderzocht. Eiser heeft bij de hoorzitting erop aangedrongen medische informatie bij de huisarts op te vragen waardoor er een goed beeld ontstaat van zijn situatie.

Na rapportage door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft verweerder het bezwaar van eiser bij het bestreden besluit van 31 mei 2006 ongegrond verklaard.

3.2. Standpunt eiser

Eiser heeft in beroep de bezwaargronden herhaald. Eiser heeft aangegeven dat hij door

30 jaar heroïnegebruik veel klachten ervaart. Hij heeft last van vochtophoping aan beide benen waardoor hij niet goed kan lopen en staan. Hij heeft een bacterie-infectie aan zijn lever en hepatitis C. Ook heeft hij spataderen in de slokdarm en in zijn maag.

De functie lederbewerker is vanwege de hepatitis C ongeschikt. Als hij zich prikt en gaat bloeden is er voor zijn collega's besmettingsgevaar. Hij is meer beperkt dan de (bezwaar)verzekeringsarts heeft vastgesteld. Zijn huisarts is ook van mening dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Zijn huisarts wil dat echter niet schriftelijk verklaren. Waarschijnlijk wel aan een collega arts. Eiser dringt er daarom (nogmaals) op aan dat de bezwaarverzekeringsarts contact opneemt met zijn huisarts.

3.2. Standpunt verweerder.

Verweerder wijst op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige en stelt zich op het standpunt dat het besluit op goede gronden is genomen.

3.4. Rechtsoverwegingen

Onderwerp van geschil is of eiser met ingang van 18 april 2006 recht heeft op een uitkering op grond van de ZW.

Op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW, heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medische vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde.

Volgens vaste jurisprudentie dient onder "zijn arbeid" te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit geldt ook in de gevallen waarin een verzekerde zich ziek meldt vanuit de WW.

Op de regel dat onder "zijn arbeid" wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichtte arbeid wordt een uitzondering gemaakt indien er -zoals in het onderhavige geval- sprake is van blijvende ongeschiktheid voor dat werk.

In dat geval is doorslaggevend of een betrokkene in staat is één van de in het kader van de WAO-beoordeling geschikt geachte functies te verrichten. Is een betrokkene daartoe in staat dan is er geen sprake van ongeschiktheid tot werken in de zin van de ZW.

Eiser werd bij de WAO-beoordeling in staat geacht de functies productiemedewerker papier, karton, drukkerij en lederbewerker te verrichten.

De rechtbank heeft na de behandeling ter zitting op 24 mei 2007 het onderzoek geschorst om de bezwaarverzekeringsarts in de gelegenheid te stellen de huisarts van eiser om informatie te vragen.

De bezwaarverzekeringsarts heeft hiervan afgezien.

Op grond van de Standaard "de communicatie tussen bedrijfs- en verzekeringsartsen met behandelaars" van het UWV onder 2.1.2 dient, indien een cliënt aandringt op overleg met de behandelaar en de cliënt persisteert bij zijn verzoek dat de verzekeringsarts contact opneemt met de behandelaar, de verzekeringsarts contact op te nemen met de behandelaar.

In het onderhavige geval heeft eiser bij verweerder er meerdere malen op aangedrongen dat de verzekeringsarts contact opneemt met zijn huisarts. Eiser heeft ook genoegzaam aangegeven waarom hij denkt dat die informatie van belang is.

Uit oogpunt van zorgvuldigheid had de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de rechtbank daarom aanleiding moeten zien om met de betreffende arts contact op te nemen.

Aangezien de bezwaarverzekeringsarts hiervan heeft afgezien, is naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen en is het besluit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank zal daarom het besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de overweging in deze uitspraak.

De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst het UWV aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 849,20, zoals aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

Gelet op het bovenstaande beslist de rechtbank als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw een besluit op bezwaar zal nemen, met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank in deze zaak;

- bepaalt dat het UWV eiser het betaalde griffierecht van € 39, - dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, welke zijn vastgesteld op € 849,20 en bepaalt dat deze kosten aan de griffier dienen te worden betaald.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge en in het openbaar door haar uitgesproken op

5 februari 2008 in tegenwoordigheid van mr. A.J. Flik als griffier.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na

de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: ajf