Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC3486

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
14-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/382 WVG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WVG weigering verhuiskostenvergoeding wegens 'doorwerking', omdat de voorlaatste verhuizing een verhuizing van een adequate woning naar een niet adequate woning betrof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/382 WVG

Uitspraak in het geschil tussen

[eiseres],, wonende te [woonplaats], eiseres

gemachtigde: E.Rademaker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haren, verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 maart 2007, verzonden 5 maart 2007.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van

13 oktober 2006, verzonden 17 oktober 2006, om haar aanvraag voor een verhuis- en herinrichtingsvergoeding op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) af te wijzen, ongegrond verklaard en het besluit van 13 oktober 2006 gehandhaafd.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 2 november 2007.

Eiseres is daar verschenen bij gemachtigde E. Rademaker.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G.A. Rouffaer.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. feiten en procesverloop

Eiseres, geboren [datum], lijdt aan myasthenia gravis (MG). Zij heeft hierdoor krachtverlies van beide armen en benen, een verstoord evenwicht en ziet altijd dubbel.

Zij woonde aanvankelijk te [plaats] in een woning met traplift. Met name vanwege de werkzaamheden -in wisselende diensten- van haar partner (huismeester in een multifunctioneel gebouw te [woonplaats]) en diens gezondheid, is eiseres in 2005 verhuisd naar een ongelijkvloerse eengezinswoning in [woonplaats].

Een aanvraag om de traplift over te zetten werd door verweerder afgewezen.

Eiseres zegt er niet voor gekozen te hebben om de traplift op eigen kosten over te (laten) zetten, omdat haar gezondheidstoestand ten tijde van de verhuizing naar [woonplaats] als gevolg van medicijngebruik zodanig stabiel was geworden dat zij al een tijdje nauwelijks gebruik van de traplift hoefde te maken. Kort na de verhuizing naar [woonplaats] namen haar klachten echter in ernst toe en moest worden besloten tot verhuizing naar een gelijkvloers en grotendeels rolstoelgeschikt appartement.

In verband hiermee heeft zij op 17 maart 2006 verweerder verzocht om een vergoeding van verhuis- en inrichtingskosten.

Verweerder heeft de Hulpverleningsdienst Groningen gevraagd terzake te adviseren.

Eiseres is op 4 april 2006 en 4 juli 2006 bezocht door fysiotherapeut M. Vos. Na intern overleg met de arts B. van der Blij is aanvankelijk geadviseerd de aanvraag te honoreren, maar op 9 augustus 2006 werd dit advies herzien door de genoemde arts, omdat eiseres in 2005 naar een niet adequate woning was verhuisd.

Bij besluit van 13 oktober 2006, verzonden 17 maart 2006, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat eiseres bij de verhuizing van [plaats] naar [woonplaats] rekening had kunnen houden met haar omstandigheden en (te verwachten) berperkingen. Door te verhuizen naar een niet adequate woning heeft eiseres zichzelf volgens verweerder in een positie gebracht dat er problemen zouden ontstaan, terwijl dit niet nodig was geweest.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 23 november 2006 -aangevuld op 21 december 2006- bezwaar gemaakt.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld haar bezwaren mondeling toe te lichten op de hoorzitting van 10 januari 2007.

Vervolgens heeft de commissie bezwaarschriften (de commissie) op 23 januari 2007 verweerder geadviseerd.

De commissie heeft geconcludeerd dat het bezwaar gegrond is en verweerder geadviseerd het besluit van 13 oktober 2006 te herroepen, primair omdat hetgeen eiseres wordt tegengeworpen -een verhuizing van een vermeend adequate naar een niet adequate woning- . geen steun vindt in de tekst van (artikel 2.5, onder a van) de Verordening voorzieningen gehandicapten (VVG) gemeente Haren.

In afwijking van het advies van de commissie heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich -kort gezegd- op het standpunt gesteld dat de eerste woning in [woonplaats] -een woning met een trap- geen adequate woning voor eiseres was en dat zij dus bij deze verhuizing onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden die voortvloeien uit de handicap.

In beroep heeft eiseres aangegeven dat ze het onterecht vindt dat verweerder op basis van een voorgaande verhuizing bepaalt dat zij -eiseres- niet in aanmerking komt voor een verhuiskostenvergoeding. Wanneer zij vanuit [plaats] verhuisd was naar een woning met een traplift in [woonplaats], had zij alsnog moeten verhuizen naar een gelijkvloerse woning, omdat de beperkingen in die tijd fors zijn toegenomen. Eiseres heeft bij de verhuizing van [plaats] naar [woonplaats] niet gekozen voor een gelijkvloerse woning aangezien zij op dat moment weinig tot geen gebruik van de traplift maakte.

3.2. wettelijk kader

-voorzover ten tijde in dit geding en hier van belang-

Ingevolge artikel 2 van de WVG draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening.

Blijkens het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder c, van de WVG wordt -voorzover hier van belang- onder woonvoorziening verstaan: elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt.

In artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de VVG is bepaald:

De door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting.

In artikel 2.5 van de VVG is voorts bepaald dat de aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 2.1 wordt geweigerd indien de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was.

3.3. rechtsoverwegingen

Eiseres is van [plaats] naar [woonplaats] verhuisd om redenen die niet primair met haar gezondheidssituatie te maken gehad zouden hebben. Zij heeft in [woonplaats] een ongelijkvloerse woning, zonder traplift, betrokken. Hoewel verweerder geen (medische) gegevens heeft overgelegd betreffende die periode, lijkt de rechtbank de keus voor een woning met trap, gezien de ziekte van eiseres, niet de meest verstandige. Zelfs als haar situatie op dat moment stabiel was. Eiseres heeft voor die verhuizing dan ook geen vergoeding(en) gekregen, omdat zij volgens verweerder van een adequate naar een niet adequate woning is verhuisd.

Wat hier ook van zij, uitgaande van de medische situatie ten tijde van de onderhavige aanvraag, moet vastgesteld worden dat het thans gaat om een verhuizing van een niet adequate woning naar een adequate woning. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

Partijen worden verdeeld gehouden door de vraag of in verband met deze verhuizing een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten verstrekt kan worden.

Verweerder meent van niet op grond van -vrij vertaald- 'doorwerking': éénmaal verhuisd van een adequate woning naar een niet adequate woning, sluit voor (een) volgende verhuizing(en) vergoeding uit. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat 'doorwerking' volgt uit artikel 2.5 van de VVG.

De rechtbank stelt voorop dat als verweerder een aanvraag beoordeelt op 'doorwerking', het op z'n zachtst gezegd vreemd is dat niet alle stukken met betrekking tot eerdere aanvragen worden overgelegd en -sterker nog- bij herhaling wordt gesteld dat bepaalde zaken uit het verleden (bijvoorbeeld in hoeverre eiseres beperkingen ondervond) "nu" niet meer te beoordelen zijn.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

Voorzover de tekst van artikel 2.5 van de VVG al te begrijpen is, zet de rechtbank -evenals de commissie in bezwaar- vraagtekens bij de uitleg die verweerder aan dit artikel geeft.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de commissie verweerder om begrijpelijke redenen de vraag voorgelegd of eiseres als ze in 2005 -toen ze niets heeft gekregen- vanuit [plaats] direct naar de huidige gelijkvloerse (of soortgelijke) woning was verhuisd, wel een vergoeding zou hebben gekregen. Verweerder heeft die vraag beantwoord met

een kort: daar gaat het nu niet over.

In het licht van de gehanteerde afwijzingsgrond acht de rechtbank dit een bizar antwoord.

Dit antwoord impliceert immers dat verweerder feitelijk zegt een aanvraag van geval tot geval te bekijken (lees: van verhuizing tot verhuizing) en dat zou in deze naar het oordeel van de rechtbank betekenen dat in het onderhavige geval in strijd met het eigen 'beleid' is gehandeld.

De rechtbank acht het voorts opmerkelijk dat verweerder ter zitting heeft gesteld dat als eiseres van een huis met traplift naar haar huidige woning zou zijn verhuisd, de hardheidsclausule zou zijn toegepast. Hoewel geheel terzijde, vermag de rechtbank niet in te zien hoe dit valt te rijmen met het hierboven weergegeven wettelijk kader.

Wel van belang is dat verweerder met betrekking tot het onderhavige geschil niet heeft onderzocht of de hardheidsclausule had moeten worden toegepast gelet op de individuele omstandigheden van dit geval.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd moet worden.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel 8:74, eerste lid van de Awb, te worden bepaald, dat het door eiseres betaalde griffierecht van € 39,-- door de gemeente Haren aan eiseres wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid van de Awb, te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de gemeente Haren aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 644,-- zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

Beslist wordt daarom als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Haren eiseres het betaalde griffierecht van € 39,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, welke zijn vastgesteld op

€ 644,-- en bepaalt dat de gemeente Haren eiseres deze kosten dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. A. Houtman en door haar in het openbaar uitgesproken

op 14 januari 2008 in tegenwoordigheid van L. Smidt als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op, dat belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de

Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: ls