Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC3481

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/284 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor tandartskosten wegens (verwijtbaar) onderverzekerd zijn.

Stellen van eisen aan de aard en omvang van een aanvullende ziektekostenverzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 102 met annotatie van mr. Sacha Brakel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Zaaknummer: AWB 07/284 WWB V02

Uitspraak in het geschil tussen

[eiseres], wonende te Hoogezand, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 27 februari 2007.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit

van 7 december 2006, om haar aanvraag in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) om bijzondere bijstand voor tandartskosten af te wijzen, ongegrond verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 2 november 2007.

Eiseres is daar niet verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.I. Klok.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. feiten en procesverloop

Eiseres, geboren [datum], ontvangt een uitkering ingevolge de Wwb.

Op 1 december 2006 heeft zij zich tot verweerder gewend met een aanvraag voor bijzondere bijstand voor tandartskosten voor een bedrag van € 105,80 voor op 9 november 2006 gemaakte tandartskosten van in totaal € 387,--.

Eiseres is bij de FBTO verzekerd voor tandartskosten tot maximaal € 400,--. per jaar.

Het gevraagde bedrag valt niet onder de dekking, omdat eiseres in verband met eerder in 2006 ondergane behandelingen op de behandeldatum nog maar een dekkingsmarge had van € 281,20.

Bij besluit van 7 december 2006 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat haar aanvraag wordt afgewezen op de grond dat verweerder er vanuit gaat dat een ieder minimaal extra verzorgd 1 en tandverzorgd 3 verzekerd is voor ziektekosten. Als eiseres zodanig verzekerd zou zijn geweest, had zij de gemaakte kosten via haar zorgverzekering vergoed gekregen. Dit is een voorliggende voorziening en derhalve wordt voor de tandartskosten geen bijzondere bijstand verstrekt.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 8 december 2006 bezwaar gemaakt. Zij heeft aangevoerd dat zij voor tandartskosten verzekerd is. Om financiële redenen heeft zij gekozen voor een dekking van € 400,--. Zij acht dit een redelijke dekking voor iemand met een redelijk goed gebit.

De behandeling waarvoor zij een vergoeding heeft gevraagd, betrof een incidenteel geval.

Eiseres heeft haar bezwaren mondeling toegelicht op een hoorzitting op 17 januari 2007.

Op dezelfde datum heeft de Commissie voor bezwaar- en beroepschriften (de Commissie) advies uitgebracht.

Overeenkomstig het advies van de Commissie heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

In beroep heeft eiseres aangegeven dat haar vraag waarom er wel vergoed wordt in geval

van verzekering bij Menzis en niet bij FBTO, nog steeds niet is beantwoord door verweerder. Eiseres meent de gunstigste manier van verzekeren te hebben gekozen overeenkomstig verweerders verstrekkingenboekje.

Zonder daarbij expliciet het wettelijk kader aan te geven, heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat uit de inhoud van de voorliggende stukken, alsmede uit hetgeen door eiseres tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht, niet is gebleken dat er sprake is van feiten en/of omstandigheden die wijziging van het eerder ingenomen standpunt zouden kunnen rechtvaardigen.

In het verweerschrift heeft verweerder vervolgens aangegeven zijn besluit te hebben gebaseerd op de artikelen 18 en 35 van de Wwb en artikel 12, vijfde lid van de Afstemmingsverordening. Volgens verweerder voldoet eiseres aan de voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand: zij heeft bijzondere kosten (eigen bijdrage tandarts), heeft een bijstandsuitkering en geen in aanmerking te nemen vermogen of draagkracht.

Het recht op bijzondere bijstand van eiseres is echter met 100% verlaagd, omdat eiseres, zo meent verweerder, onvoldoende verzekerd is en als gevolg daarvan de eigen bijdrage van € 105,80 verschuldigd is.

3.2. wettelijk kader

In artikel 18 van de Wwb is -voorzover hier van belang- bepaald dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In artikel 35, eerste lid, van de Wwb is voorts bepaald:

Onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Ingevolge artikel 12, vijfde lid, van de Afstemmingsverordening verlaagt het college de bijzondere bijstand overeenkomstig hetgeen het college proportioneel acht, indien de belanghebbende als gevolg van een verwijtbare gedraging een beroep doet of blijft doen op bijzondere bijstand.

3.3. rechtsoverwegingen

Verweerder heeft in beleidsregels vastgelegd dat hij er vanuit gaat dat in ieder geval de volgende verzekeringen gebruikelijk zijn:

-de wettelijk verplichte verzekeringen en

-aanvullende ziektekostenverzekering tot aan het niveau van de EV1 (extra verzorgd 1) en Tv3 (tandartsverzorgd 3) verzekering. Voor andere zorgverzekeraars dan Menzis geldt dat er een aanvulling moet zijn op minimaal gelijk niveau als genoemde aanvullende verzekeringen.

In zijn verstrekkingenboek heeft verweerder opgenomen:

"Als u minstens een Tandverzorgd 3 verzekering heeft van Menzis, krijgt u bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage die u van uw zorgverzekeraar moet betalen. Dit geldt ook als u vergelijkbare aanvullende verzekeringen heeft van een andere zorgverzekeraar.

Hoogte van de bijstand:

* voor de eigen bijdrage krijgt u bijzondere bijstand."

De rechtbank merkt allereerst op dat het de duidelijkheid (omtrent de gestelde eis) niet ten goede komt als de éne keer (in de beleidsregels) gesproken wordt van een niveau tot en de andere keer (in onder meer het verstrekkingenboek) van minstens of minimaal.

Hetzelfde geldt voor het gebruik van het begrip: eigen bijdrage.

Hoewel verweerder consequent spreekt over de eigen bijdrage tandartskosten, gaat het naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet om een eigen bijdrage, althans niet in de zin als verwoord in verweerders verstrekkingenboek, maar om kosten die niet worden vergoed, omdat het bedrag waarvoor eiseres maximaal is verzekerd, wordt overschreden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder het hoe en waarom van de hierboven weergegeven beleidsregels in het geheel niet inzichtelijk heeft gemaakt. Dat verweerder (ook) kijkt naar omliggende gemeenten, die -volgens verweerders verklaring ter zitting- alle voor een zelfde aard van verzekeringen gekozen zouden hebben, acht de rechtbank volstrekt onvoldoende als onderbouwing voor het oordeel dat het hier gaat om een 'in redelijkheid op te leggen verplichting'. Temeer daar verweerder -eveneens ter zitting- heeft aangegeven dat het om 'een vrij zware verzekering' gaat en het bovendien -blijkens het verslag van de hoorzitting- een verplicht gekoppelde verzekering betreft, zodat de vraag gerechtvaardigd is of de kosten daarvan redelijkerwijs uit een inkomen op bijstandsniveau kunnen worden voldaan.

Verder -en niet in de laatste plaats- wordt eiseres verweten dat zij 'onderverzekerd' is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten aanzien van de gestelde verwijtbaarbaarheid geen (begin van) motivering heeft gegeven. Het komt de rechtbank voor dat indien iemand in het geheel geen (aanvullende) verzekering voor tandartskosten heeft afgesloten, mogelijk gesteld zou kunnen worden dat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Maar ook dan zullen de individuele omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden.

Hoewel verweerder ter zitting heeft gesteld dat naar het individuele geval is gekeken, blijkt hiervan niet(s) uit de overgelegde stukken.

Overigens kan hierbij naar het oordeel van de rechtbank de vraag worden gesteld waarom er ingeval van redelijk beleid en het ontbreken van bijzondere omstandigheden, zoals verweerder meent, niet volstaan kan worden met een afwijzing wegens het niet voldoen aan de gestelde eis van verzekering.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd moet worden.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, dient op grond van artikel 8:74, eerste lid van de Awb, te worden bepaald, dat het door eiseres betaalde griffierecht van € 39,-- door de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan eiseres wordt vergoed.

De rechtbank acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Beslist wordt daarom als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer eiseres het betaalde griffierecht

van € 39,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A. Houtman en door haar in het openbaar uitgesproken

op 25 januari 2008 in tegenwoordigheid van L. Smidt als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.