Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC3433

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
AWB06/154
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft op grond van de Wob gevraagd om inzage in stukken betrekking hebbend op het project Meerstad. B&W Groningen weigeren de inzage omdat openbaarmaking de economische en/of financiele belangen van de bij Meerstad betrokken partijen zal kunnen schaden en onevenredige bevoor- en/of benadeling tot gevolg kan hebben. De rechtbank gaat hierin mee. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, meervoudige kamer

Zaaknummer: AWB 06/154 WOB

Uitspraak in het geschil tussen

[naam], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen, verweerder

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 6 januari 2006, kenmerk: DI 05.87073.

2. Zitting

Het beroep is gevoegd behandeld met twee andere beroepszaken van eiser (geregistreerd onder de zaaknummers AWB 06/1174 WOB en AWB 07/14 WOB) ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 6 december 2007. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Brink, M. van Maanen,

mr. L. de Vries en H. Zuidhof.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Feiten en procesverloop

Bij brief van 9 juli 2005 heeft eiser zich tot verweerder gewend met het verzoek hem op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) alle stukken te doen toekomen die betrekking hebben op de afspraken, controles, procedures inzake Meerstad.

Bij besluit van 22 juli 2005 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de stukken waarop eiser blijkbaar doelt met name betrekking hebben op de grondexploitatie van Meerstad (GREX). Het openbare gedeelte van de GREX heeft verweerder aan eiser toegezonden. Het andere deel maakt als bijlage onderdeel uit van de Samenwerkingsovereenkomst (SOK) tussen de overheden en de marktpartijen die samen (GEMM i.o.) Meerstad willen ontwikkelen. Dit onderdeel wordt door verweerder als zeer vertrouwelijk beschouwd en verweerder acht daarop de weigeringsgronden van artikel 10, aanhef, eerste lid onder c en het tweede lid onder b en g Wob van toepassing. Om deze reden zal verweerder die stukken niet openbaren.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 4 augustus 2005 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Eiser heeft gesteld dat verweerder zich ten onrechte heeft beroepen op artikel 10, eerste lid onder c en het tweede lid 2 onder b en g Wob. Het eerste lid onder c heeft betrekking op bedrijfsgegevens en fabricage gegevens, maar daarvan is hier geen sprake. De leden 2b en 2g schrijven een zorgvuldige belangenafweging voor, maar daarvan is in het besluit van 22 juli 2005 geen sprake. Indien deze afweging wel gemaakt zou worden, weegt het belang van openbaarheid zwaarder dan het door verweerder vermeende belang.

De verwijzing naar de inhoud van de overeenkomst met de huidige partijen wekt de indruk van kartelachtige afspraken die niet verenigbaar zijn met de transparantie die de mededinging vergt en waardoor de private partijen onevenredig bevoordeeld worden.

Na een op 10 november 2005 gehouden hoorzitting heeft de ambtelijke commissie voor de beroep- en bezwaarschriften verweerder op 16 december 2005 geadviseerd het besluit van 22 juli 2005 in stand te laten onder aanpassing van de rechtsgrondslag in die zin dat de uitzonderingsgrond van artikel 10, aanhef, eerste lid, onder c Wob niet van toepassing wordt geacht. Dit betekent dat het besluit van 22 juli 2005 is gebaseerd op grond van artikel 10, aanhef, tweede lid, sub b en g Wob.

Onder overneming van dit advies heeft verweerder op 6 januari 2006 beslist op het door eiser ingediende bezwaarschrift.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 januari 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 10 februari 2006 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld. Eiser voert primair aan bezwaar te hebben tegen de samenstelling van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften. Het betreft hier een ambtelijke commissie die niet de onafhankelijkheid heeft die mag worden verwacht. Voorts heeft eiser bezwaar tegen de afweging inzake artikel 10, tweede lid, onder b, Wob. Niet duidelijk is dat de gemeente daadwerkelijk nadeel ondervindt van openbaarmaking inzake grondtransacties. De controle is in een moderne maatschappij niet alleen voorbehouden aan organen, zoals gemeenteraden. Financiële belangen van een gemeente zijn uiteindelijk financiële belangen van de burger. Deze heeft belang bij openbaarheid omtrent besteding van belastinggelden en de aard van de investeringen. Eiser is dan ook van mening dat zijn Wob-verzoek gehonoreerd had moeten worden.

Bij brief van 23 maart 2006 heeft eiser nieuwe gronden geformuleerd. Eiser stelt dat het besluit van 6 januari 2006 niet stoelt op een zorgvuldige afweging van belangen, zoals voorgeschreven door artikel 10, aanhef, tweede lid, sub b en g Wob. Het belang van openbaarheid weegt zwaarder dan de belangen die door verweerder zijn aangevoerd. Het gaat om de besteding van publieke gelden, waarover het publiek geïnformeerd moet worden. Bovendien beoogt het project Meerstad te voorzien in behoeften van burgers nu en straks, namelijk woningbouw en leefbaarheid. De burgerij heeft er recht op te weten welke baten worden beoogd en welke kosten daarmee gepaard gaan. Tenslotte heeft eiser verwezen naar de (SOK). Daardoor worden bepaalde private partijen bevoordeeld ten koste van het publieke belang. Dit klemt te meer daar geen openbaarheid wordt gegeven over de financiering van het project, de rentepercentages van de leningen en de reeds nu te constateren overschrijdingen.

Bij brief van 11 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Verweerder stelt niet aan de door eiser gewenste openbaarmaking tegemoet te kunnen komen vanwege de grote economische schade die dat zou opleveren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ook openbaarmaking van slechts een deel van de exploitatiegegevens niet mogelijk is, omdat dat betekent dat in feite grote delen van de exploitatie openbaar worden.

Verweerder heeft op grond van artikel 8:29, eerste lid, Awb een stuk overgelegd onder de mededeling dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen.

Bij beslissing van 16 mei 2007 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:29, derde lid, Awb beslist dat de beperking van de kennisneming met betrekking tot vorenbedoeld stuk (genummerd A15) gerechtvaardigd is. Bij brief van 16 mei 2006 heeft de griffier eiser hiervan mededeling gedaan en hem verzocht binnen twee weken aan te geven of hij ermee kan instemmen dat de rechtbank mede op de grondslag van gedingstuk A15 uitspraak doet. Daarbij is medegedeeld dat de rechtbank ervan uitgaat dat hij daarmee niet instemt indien niet binnen genoemde termijn een reactie wordt ontvangen.

Bij brief van 18 november 2007 heeft eiser alsnog bedoelde toestemming verleend.

Op de voet van artikel 8:26 Awb is Grond Exploitatie Maatschappij Meerstad C.V. in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Ter zitting heeft eiser zijn grief gericht tegen de samenstelling van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften ingetrokken.

3.2 Beoordeling van het beroep

Op grond van artikel 3, eerste lid, Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Het vijfde lid van voornoemd artikel 3 bepaalt dat een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Artikel 10 Wob luidt als volgt:

1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;

b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

4. Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.

5. Het tweede lid, aanhef en onder b, is van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie voor zover deze handelingen betreft met een vertrouwelijk karakter.

6. Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie.

7. Het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;

b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage.

8. Voorzover het vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing is, wordt bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op milieu-informatie in aanmerking genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

De rechtbank heeft kennis genomen van de door verweerder overgelegde stukken, welke stukken gegevens bevatten betreffende de financiële exploitatie van het project Meerstad. Voorts heeft verweerder ter zitting uitleg gegeven dat openbaarmaking van de door eiser bedoelde stukken mogelijk grote financiële schade kan opleveren. Zo heeft verweerder ter zitting toegelicht dat openbaarmaking van de exploitatiegegevens de onderhandelingspositie van verweerder en de andere in GEMM i.o. deelnemende overheden en marktpartijen zodanig zou ondermijnen dat toekomstige contracten bij andere projecten alleen maar onder financieel nadeliger condities, tot stand kunnen komen. Zouden andere partijen die gronden bezitten in het plangebied van Meerstad op de hoogte raken van alle ins en outs van de overeenkomst zoals die nu tussen de huidige contractpartijen wordt gesloten, dan wordt daarmee de onderhandelingspositie van de huidige contractpartijen aangetast en die van de andere partijen versterkt. Openbaarmaking zou verder de economische en/of financiële belangen van de bij Meerstad betrokken overheden zodanig schaden en zou een zodanig onevenredige bevoordeling van de ene partij en een onevenredig nadeel voor de andere partijen opleveren dat het belang van openbaarmaking daarvoor moet wijken.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de gekozen beschermingsconstructie mogelijk is dat juist hogere prijzen betaald moeten worden en dat het belang van openbaarmaking groot is omdat ook leden van gemeenteraden en provinciale staten in het algemeen niet over de specifieke financiële deskundigheid beschikken om de exploitatiegegevens goed te kunnen beoordelen.

De rechtbank merkt voorts nog het volgende op.

Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verweerder bij achterwege blijven van het verstrekken van informatie in het onderhavige geval zwaarder te wegen dan het belang van eiser bij het verstrekken ervan. De rechtbank overweegt hiertoe in de eerste plaats dat eiser de onhoudbaarheid van verweerders stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt. Voorts dient het door eiser gestelde belang door de volksvertegenwoordiging in haar controlerende taak met behulp van de haar toekomende wettelijke bevoegdheden bij verweerder ter discussie en beoordeling te worden ingebracht.

Ter zitting is door verweerder betoogd dat de exploitatiegegevens in ieder geval op dit moment geheim moeten blijven. Later heeft verweerder ter zitting zelfs betoogd dat deze gegevens voor altijd geheim moeten blijven om de bedrijfsvoering van de deelnemende marktpartijen te beschermen.

De rechtbank overweegt dat de beoordeling van Wob-verzoeken onder Artikel 10, tweede lid, Wob een afweging vergt van de tegenwoordige belangen. Indien op een later tijdstip, bijvoorbeeld na verkrijging van alle benodigde grondposities, een nieuw Wob-verzoek zou worden ingediend, moet dat verzoek opnieuw worden beoordeeld op basis van de dan aanwezige belangen. Gewezen zij op het in artikel 2, eerste lid, Wob geformuleerde uitgangspunt dat een bestuursorgaan uit moet gaan van het algemeen belang van openbaarheid van informatie. De stelling die verweerder ter zitting heeft ingenomen dat de gegevens voor altijd geheim zullen moeten blijven, is daarmee op voorhand zeker niet juist.

Op grond van het in deze uitspraak overwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder bij het thans bestreden besluit op goede grond heeft geoordeeld dat sprake is van de weigeringsgrond genoemd in artikel 10, aanhef, tweede lid, sub b en g, Wob. Het bestreden besluit kan de rechtmatigheidstoets doorstaan zodat het beroep ongegrond verklaard dient te worden.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

verklaart het beroep ongegrond

Aldus gegeven door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mr. U. van Houten en mr. P. Mendelts, rechters en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2008, in tegenwoordigheid van M.J. ‘t Hart als griffier.

De griffier, de voorzitter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag

Afschrift verzonden op:

typ: HtH.