Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2008:BC2574

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-01-2008
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
18/653408-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte staat terecht op verdenking van een zedenmisdrijf. De slachtoffertjes (meisjes van ong. 10 jaar) zijn gehoord onder verre van ideale omstandigheden. Nagelaten is de meisjes een tweede keer te horen, waardoor de consistentie van hun verhaal niet te toetsen is. Ook overigens is het politieonderzoek onvoldoende adequaat geweest. De politierechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de opschudding of onrust die door de zaak is ontstaan in de betrokken gezinnen, in de buurt en op school, de beleving van de ouders en de getuigen omtrent wat er feitelijk is gebeurd, heeft beïnvloed. Volgt vrijspraak wegens gebrek aan bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/653408-07

datum uitspraak: 23 januari 2008

tegenspraak (raadsman gemachtigd)

raadsman: mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch

Vonnis van de politierechter in de rechtbank te Groningen, in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 januari 2008.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

hij op of omstreeks 9 mei 2007, te Winschoten, althans in de gemeente Winschoten, zich oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten in de deuropening van een woning en/of flatgebouw, althans op een voor enig publiek zichtbare plaats, gelegen aan of nabij de Jan van Galenlaan, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vrijspraak

De politierechter acht niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Daarbij zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Op 9 mei 2007, omstreeks 20:07 uur, heeft de vader van [slachtoffer 1] aan de meldkamer van de politie bericht dat een buurtbewoner zojuist had geprobeerd twee meisjes van 9 en 11 jaar het huis in te lokken. Toen de meisjes bij de voordeur stonden, stond de buurtbewoner daar in zijn blote piemel, aldus de melding.

Meteen daarop zijn [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk hoofdagent en agent van Regiopolitie Groningen, naar het adres van de melder gegaan, waar zij om 20:17 uur aankwamen.

In het strafdossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 mei 2007, opgesteld door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voornoemd. Blijkens dat proces-verbaal hebben beide verbalisanten, na aankomst op het adres van de melder, aldaar gesproken met de kinderen [slachtoffer 1] (geb. in 1997) en [slachtoffer 2] (geb. in 1996), in het bijzijn van de vader van [slachtoffer 1] en de beide ouders van [slachtoffer 2]. Omdat de ouders zich bemoeiden met het gesprek van verbalisanten met de kinderen, hebben verbalisanten aan de ouders gezegd dat zij met de kinderen wilden spreken, zónder de ouders erbij. Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 2] gesproken met [slachtoffer 1], en verbalisant [verbalisant 1] met [slachtoffer 2]. Tijdens deze gesprekken zaten de kinderen aan dezelfde (eet)tafel. In het proces-verbaal is omtrent de setting van deze gesprekken vermeld: "Het was waarschijnlijk wel mogelijk voor de kinderen om elkaars gesprek te horen, of de ouders het gesprek hebben gevolgd is voor ons, verbalisanten, onduidelijk."

De politierechter stelt vast dat tussen de - in voormeld proces-verbaal gerelateerde - verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opvallende verschillen zijn betreffende wat er die avond zou zijn gebeurd. In elk geval hebben beide meisjes wél min of meer gelijkluidend verklaard, daar waar zij aangeven dat verdachte - nadat zij bij verdachte hadden aangebeld omdat zij een knikker terugwilden - de deur opendeed, slechts gekleed in een t-shirt of hemd en verder naakt. Volgens [slachtoffer 2] zou verdachte vervolgens hun vriendinnetje [slachtoffer 3] hebben vastgepakt, waarna zij (de kinderen) [slachtoffer 3] weer hebben losgetrokken, aldus [slachtoffer 2]. [slachtoffer 1] heeft hierover verklaard dat [slachtoffer 3] een klein stukje bij verdachte naar binnen is gelopen, waarna verdachte [slachtoffer 3] heeft vastgepakt. Vervolgens hebben [getuige 1] en ene [getuige 2], [slachtoffer 3] weer losgetrokken, aldus [slachtoffer 1].

Gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over [slachtoffer 3], zijn verbalisanten vervolgens naar het adres van [slachtoffer 3] gegaan.

In meervermeld proces-verbaal is omtrent de omstandigheden waaronder [slachtoffer 3] die avond is gehoord en hetgeen zij heeft verklaard, het volgende vermeld:

"(..) De moeder van [slachtoffer 3] deed de deur open en had in eerste instantie niet door waarvoor wij kwamen. Op het moment dat wij, verbalisanten, aangaven dat het om de knikker ging, vertelde zij dat haar vriend al bij de man aan de deur was geweest, maar dat er niet open gedaan werd en dat ze de knikker morgen wel weer terugkrijgen.

Daarop hebben wij, verbalisanten, de moeder medegedeeld dat wij, verbalisanten, toch nog even met [slachtoffer 3] wilden praten.

Daarop is de moeder de trap opgegaan en heeft [slachtoffer 3] van bed gehaald. Wij, verbalisanten, stonden in de hal en de moeder kwam weer beneden en bleef in de deuropening van de hal naar de keuken staan. [slachtoffer 3] kwam naar beneden en bleef halverwege staan op de trap.

Wij, verbalisanten, hebben [slachtoffer 3] toen verteld dat we met haar wilden praten over het spelen die avond en wilden graag van haar weten wat er gebeurd was.

V: vraag verbalisant,

A: antwoord [slachtoffer 3].

V: Wat is er vanavond gebeurd tijdens het spelen?

A: Wij waren vanavond aan het knikkeren en toen heeft een man een knikker afgepakt en wou die niet teruggeven.

Ze verklaart dan dat ze naar de deur gaan van de woning van de man en dan aanbellen. Ze krijgen dan de knikker niet terug en de deur gaat dan dicht. Ze bellen daarna weer aan en dan gaat de deur weer open en dan ziet [slachtoffer 3] ook dat de man alleen in zijn t-shirt staat en verder helemaal naakt is. De man wou nog steeds met hen spelen.

V: Is er verder nog wat gebeurd?

A: Nee.

V: Heeft de man je nog aangeraakt?

A: Nee.

V: Heeft hij je bijvoorbeeld niet vastgepakt, aan je haar of arm of ergens anders?

A: Nee.

Wij, verbalisanten, hoorden toen dat de moeder zei: "[slachtoffer 3] weet dat ze niet met vreemde mannen mee mag en dat ze niet in een vreemd huis mag komen."

Wij, verbalisanten, kregen duidelijk de indruk dat het gesprek door de aanwezigheid van moeder werd beïnvloed. Mede gezien het tijdstip en de informatie, die al in ons bezit was, hebben we het gesprek met [slachtoffer 3] niet verder voortgezet."

Vervolgens is verdachte nog diezelfde avond, om 21:55 uur, in zijn woning aangehouden. De volgende dag is verdachte in verzekering gesteld. In het bevel tot inverzekeringstelling is vermeld dat verdachte ervan wordt verdacht op 9 mei 2007 in Winschoten iemand van zijn vrijheid te hebben beroofd althans heeft gepoogd dit te doen. Voorts is in dat bevel vermeld: "Tevens heeft verdachte gepoogd seksueel contact te hebben met een minderjarige althans een poging daartoe en heeft daarbij zijn mannelijk lid laten zien."

Verdachte is twee maal verhoord, te weten op 10 en 11 mei 2007. Verdachte heeft ontkend zich aan enig strafbaar feit te hebben schuldig gemaakt. Op 11 mei 2007, om 14:18 uur, is verdachte heengezonden.

Ter zake van het gebeuren op 9 mei 2007 zijn op 15 mei 2007 drie aangiftes tegen verdachte gedaan, respectievelijk door de vader van [slachtoffer 1], de vader van [slachtoffer 2] en de moeder van [slachtoffer 3] (geb. in 1997). Voorts zijn op 15 mei 2007 twee getuigenverklaringen afgenomen, te weten een getuigenverklaring van [getuige 2] (roepnaam [getuige 2]) (geb. in 1994) (dit is de [getuige 2] over wie [slachtoffer 1] op 9 mei 2007 heeft verklaard) en

een getuigenverklaring van [getuige 3], de zuster van [slachtoffer 2].

De politierechter overweegt als volgt.

Met de raadsman heeft de politierechter gerede twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], de aangiftes van de ouders en de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 3].

Deze twijfel is door onder meer het volgende ontstaan.

[slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn op 9 mei 2007 's avonds één maal gehoord, onder omstandigheden die voor het horen van kinderen verre van ideaal zijn te noemen, en waarbij de kinderen relatief kort hebben verklaard. Doordat is nagelaten de kinderen na korte tijd opnieuw en uitvoeriger te horen is de consistentie van hun verhaal niet te toetsen.

Verder zijn er tussen de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] enerzijds en die van [getuige 2], als getuige, anderzijds opmerkelijke verschillen. Zo heeft - bijvoorbeeld - [getuige 2] verklaard dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 3] bij verdachte binnen in de woning waren, terwijl [slachtoffer 1] zelf, en ook [slachtoffer 2], louter verklaren dat [slachtoffer 3] bij verdachte binnen in de woning was. [slachtoffer 3] zelf heeft het er in het geheel niet over dat zij (of iemand anders) bij verdachte binnen in de woning was (of waren).

Die verschillen komen de overtuigingskracht van de verklaringen van de kinderen en, in het verlengde daarvan, de overtuigingskracht van de aangiftes (die immers behelzen wat de ouders - direct dan wel indirect - van de kinderen zouden hebben vernomen) niet ten goede.

Van alle verdenkingen jegens verdachte die er kennelijk bij de politie waren op het moment van zijn inverzekeringstelling, resteert thans - gelet op de tenlastelegging - de verdenking van overtreding van artikel 239 (schennis van de eerbaarheid).

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [getuige 2], bezien in onderlinge samenhang en voorts in het licht van hetgeen de ouders en [getuige 3] hebben verklaard, in elk geval in zoverre eensluidend zijn dat (bewezen kan worden dat) verdachte met ontbloot geslachtsdeel in de deuropening van zijn woning heeft gestaan. Naar het oordeel van de politierechter is er evenwel, om redenen als hierboven genoemd, evenzeer aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen op dit punt te twijfelen.

Daar komt nog bij dat [getuige 2] op 15 mei 2007 heeft verklaard:

"Even later zijn we weer teruggegaan en hebben de meisjes weer aangebeld. De man deed weer open. Ik werd toen even afgeleid omdat de buurvrouw de deur opendeed om waarschijnlijk te kijken wat er aan de hand was. Toen ik weer terugkeek, zag ik dat de twee meisjes [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] binnen waren. [slachtoffer 2] hield de deur tegen dat hij niet dicht zou vallen. Ik ben er heen gelopen en heb mijn voet tussen de deur gedaan. Ik keek naar binnen en heb de deur verder opengeduwd. Ik zag dat de man binnen stond en dat de beide meisjes ook binnen in de hal stonden. De man had nu alleen een t-shirt aan en verder niet."

Met betrekking tot deze verklaring van [getuige 2] heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting benadrukt dat - nog daargelaten welke waarde überhaupt is toe te kennen aan deze verklaring - [getuige 2] in elk geval niet heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte in de deuropening van zijn woning met ontbloot geslachtsdeel heeft gestaan, zoals is ten laste gelegd. [getuige 2] heeft louter verklaard dat hij verdachte, met alleen een t-shirt aan, heeft zien staan binnen in de woning, waardoor er in elk geval geen sprake van is dat verdachte zich oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd of op een voor enig publiek zichtbare plaats bevond, aldus de raadsman. In het verlengde hiervan heeft de raadsman er op gewezen dat [getuige 3], de zuster van [slachtoffer 2], heeft verklaard dat zij ([getuige 3]) op de bewuste avond, samen met haar vader, bij verdachte op de stoep heeft gestaan en dat zij, toen verdachte op aanbellen niet opendeed, door een spleetje het huis van verdachte in heeft gekeken en toen zag dat verdachte in zijn woning liep "met alleen een T-shirt aan". De raadsman heeft aangevoerd dat ook mogelijk is dat het volgende is gebeurd: Verdachte heeft een knikker van de kinderen. De kinderen willen die knikker terug. De kinderen bellen bij verdachte aan, die de deur niet opent. Daarop kijken de kinderen door een spleetje en zien verdachte, in de woning, in een t-shirt of hemd lopen, zonder onderbroek. Varianten hierop zijn ook mogelijk, aldus de raadsman, zoals, bijvoorbeeld, dat één van de kinderen door het spleetje kijkt, verdachte ziet (of denkt te zien) zonder onderbroek, en dit aan de andere kinderen vertelt.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat ook mogelijk is dat het verhaal van de kinderen, dat zij verdachte zonder broek hebben gezien, al snel uit zijn verband is gerukt en een heel eigen leven is gaan leiden door de heftige emotionele reactie van, in elk geval, de vader van [slachtoffer 1]. Daartoe heeft de raadsman gewezen op de aangifte van de vader van [slachtoffer 1], in het bijzonder op de volgende passage:

"Afgelopen woensdag was ik in mijn woning toen de zus van [slachtoffer 2], mijn dochter [slachtoffer 1] thuisbracht. Deze zus vertelde mij het volgende: [slachtoffer 1] is bij een deur geweest van een man die van onderen helemaal naakt was geweest. Ik sloeg eigenlijk gelijk dicht en werd erg boos. Daarom heb ik ook een gedeelte van het verhaal niet helemaal meegekregen. Ik heb vervolgens direct met de politie gebeld. Tijdens het gesprek heb ik beetje bij beetje uit [slachtoffer 1] getrokken [opmerking van de politierechter: hier ontbreekt een woord of zinsnede] en ik heb de telefoon aan [slachtoffer 1] gegeven. Toen [slachtoffer 1] aan de telefoon was hoorde ik ook dat het verhaal om een knikker ging van 20 euro."

Voorstelbaar is dat de kinderen, geschrokken van de emotionele reacties van de ouders, een draai aan het verhaal hebben gegeven die niet overeenstemt met wat er feitelijk is gebeurd, en waar de kinderen vervolgens niet op hebben durven terugkomen, aldus de raadsman.

Aangaande het betoog van de raadsman overweegt de politierechter dat zij niet kan uitsluiten dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent wat er (mogelijk) feitelijk is gebeurd, juist is. Daarbij heeft de politierechter betrokken hetgeen verdachte zelf heeft verklaard ten overstaan van de politie tijdens de verhoren op 10 en 11 mei 2007.

Zo heeft verdachte bij de politie onder meer verklaard dat hij in ploegendienst werkt en in de week waarin hij ochtenddienst heeft, vroeg naar bed gaat. Op de avond van 9 mei 2007 was verdachte om ongeveer half acht, acht uur naar bed gegaan. Eerder die avond hadden kinderen, die met knikkers aan het spelen waren, verdachte geklierd. Dit klieren bestond uit deurtje bellen en tegen de deur spugen. Verdachte had een knikker van de kinderen gepakt. Nadat verdachte naar bed was gegaan, hoorde verdachte opnieuw gestommel en deurtje bellen. Verdachte is toen van bed af gegaan en via de woonkamer naar de voordeur gelopen. Verdachte was toen naakt, omdat hij naakt slaapt. Verdachte heeft daarop het overgordijn van de voordeur dichtgedaan. Vervolgens is verdachte weer naar bed gegaan. Op een gegeven moment werd verdachte wakker van gebons. Eerst dacht verdachte dat het de klierende kinderen weer waren. Daarop hoorde verdachte een zware stem, waarna verdachte zich heeft aangekleed en de deur heeft geopend. Verdachte zag twee agenten staan, die hem vervolgens hebben aangehouden.

Naar het oordeel van de politierechter passen deze verklaringen van verdachte binnen het door de raadsman geschetste scenario van wat er mogelijk feitelijk is gebeurd.

De politierechter merkt in dit verband verder nog op dat verdachte, over het klieren door de kinderen op 9 mei 2007, bij de politie onder meer heeft verklaard dat de kinderen, tijdens het deurtje bellen, een plastic tuinstoel van verdachte over de balustrade naar beneden hebben gegooid. Hierover heeft verdachte toen nog gesproken met zijn onderbuurman, aldus verdachte bij de politie.

De politierechter is van oordeel dat deze verklaring van verdachte in lijn is met hetgeen onderbuurman [getuige 4] op 11 mei 2007 heeft verklaard tegenover verbalisant [verbalisant 3], te weten dat hij ([getuige 4]) zijn bovenbuurman (verdachte dus) er op opmerkzaam had gemaakt dat zijn (verdachtes) stoel beneden stond. Overigens is deze verklaring van [getuige 4] niet neergelegd in een afzonderlijke getuigenverklaring, maar gerelateerd in het overzichtsproces-verbaal d.d. 29 mei 2007.

Bij al het voorgaande komt dat, naar het oordeel van de politierechter, het politieonderzoek in deze zaak op een aantal wezenlijke punten niet of onvoldoende adequaat is geweest.

Zo is daar allereerst het provisorische horen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op 9 mei 2007 's avonds, vrijwel onmiddellijk gevolgd door de aanhouding, diezelfde avond, van verdachte.

Voorts is nagelaten buurtonderzoek te verrichten. Hierover is in het overzichtsproces-verbaal vermeld dat dat niet is gebeurd omdat er inmiddels in de buurt verschillende verhalen over verdachte de ronde deden en verdachte bovendien reeds was heengezonden, waardoor er "vermoedelijk geen aanvullende gegevens uit dit onderzoek zouden komen".

Ook is nagelaten [getuige 1] te horen, de jongen over wie [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij had meegeholpen [slachtoffer 3] los te trekken nadat verdachte [slachtoffer 3] had vastgepakt. Volgens [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige 2] was verdachte van onderen naakt toen dit voorval plaatshad. Daarom was het horen van [getuige 1] naar het oordeel van de politierechter aangewezen geweest.

Overigens blijkt uit het overzichtsproces-verbaal dat de politie zich wel heeft ingespannen om de vriend van de moeder van [slachtoffer 3] als getuige te horen. Deze vriend, ene [getuige 5], zou op 9 mei 2007 's avonds, omstreeks 20:00 uur, bij verdachte hebben aangebeld nadat [slachtoffer 3] hem ([getuige 5]) had verteld dat verdachte een knikker had afgepakt. Deze [getuige 5] is niet verschenen op een afspraak (op 24 mei 2007) met de politie om over de zaak te worden gehoord. In het overzichtsproces-verbaal is hierover nog vermeld dat de moeder van [slachtoffer 3] enige dagen later aan de politie heeft laten weten dat noch [getuige 5] noch zijzelf bereid waren om (nader) in de zaak te getuigen.

Van belang is voorts - de raadsman heeft daar met nadruk op gewezen - dat in het overzichtsproces-verbaal is vermeld dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] klasgenoten van elkaar zijn en dat op school, in een kringgesprek, over het gebeuren is gesproken. Ook is in het overzichtsproces-verbaal vermeld dat de ouders, vóórdat zij op 15 mei 2007 zijn gehoord in het kader van hun aangifte, onderling contact hebben gehad over het gebeuren.

Gelet op de inhoud van de aangiftes en de getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 2], kan de politierechter zich niet aan de indruk onttrekken dat de opschudding of onrust die als gevolg van de zaak was ontstaan in de betrokken gezinnen, in de buurt en op school, de beleving van de ouders en de getuigen omtrent het gebeuren mede heeft beïnvloed. Niet kan derhalve worden uitgesloten dat zij, in hun contact met de politie op 15 mei 2007, als gevolg van die beïnvloeding gedragingen hebben toegeschreven aan verdachte die feitelijk niet (op die wijze) hebben plaatsgevonden.

De politierechter acht dus niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BESLISSING

De politierechter:

- verklaart het aan verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R. Depping, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Mulder als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2008.