Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BC3158

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
AWB 06/1123
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen een van rechtswege verleende bouwvergunning is gegrond verklaard omdat B&W het bezwaarschrift ten onrechte ontvankelijk hebben geacht. Toenmalig bezwaarmaker heeft naar het oordeel van de rechtbank niet zo spoedig als redelijkerwijs van hem verlangd mocht worden bezwaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 06/1123

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde: mr. B. Hamburger,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder,

gemachtigde: mr. T.C.A. Hofman-Aupers.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 juni 2006. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van derden gegrond verklaard en de aan eiser van rechtswege verleende bouwvergunning voor het plaatsen van een dakkapel ingetrokken.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 30 augustus 2007.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

3. Rechtsoverwegingen

3.1 Feiten en standpunten van partijen

Op 4 november 2004 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een lichte bouwvergunning voor het plaatsen van een dakkapel op de woning [adres] te Groningen.

In een advies van 9 november 2004 heeft de Commissie voor de Welstandszorg van de gemeente Groningen geoordeeld dat het bouwplan strijdig is met redelijke eisen van welstand.

In maart 2005 heeft eiser een dakkapel geplaatst op de woning [adres] te Groningen.

In een brief van 9 december 2005 aan eiser deelt verweerder mee tot de conclusie te zijn gekomen dat eiser voor zijn bouwaanvraag van 4 november 2004 van rechtswege een bouwvergunning heeft gekregen.

Op 22 november 2005 heeft de heer [derde belangh[derde belanghebbende] bezwaar aangetekend tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning. Bijgevoegd heeft hij een lijst met handtekeningen van acht andere personen.

Op 3 januari 2006 heeft [derde belanghebbende] het bezwaarschrift schriftelijk ingetrokken. In een brief van 9 januari 2006 aan [derde belanghebbende] heeft verweerder erop gewezen dat het bezwaarschrift door meerdere personen is ondertekend en dat het bezwaarschrift pas als ingetrokken kan worden beschouwd als ook de intrekking door al deze personen is ondertekend. In reacties van 12 januari 2006 heeft [derde belanghebbende] gesteld dat hij na contact met de buren de intrekking als niet verzonden wil laten beschouwen.

In een schrijven van 28 maart 2006 heeft de gemachtigde van eiser betoogd dat het bezwaar niet-ontvankelijk diende te worden verklaard en een afschrift bijgevoegd van een schrijven gedateerd 3 februari 2006, naar eiser stelt van de hand van [derde belanghebbende].

Bij advies van 10 april 2006 heeft de ambtelijke commissie voor de beroep- en bezwaarschriften (hierna: de commissie) geadviseerd het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. In afwijking van dit advies heeft verweerder in het bestreden besluit van 26 juni 2006 het bezwaar gegrond verklaard en de van rechtswege aan eiser verleende bouwvergunning ingetrokken. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat de weigeringsgrond van strijd met redelijke eisen van welstand zich voordoet.

Eiser heeft op 3 augustus 2006 beroep aangetekend en de volgende gronden aangevoerd.

Na de intrekking van het bezwaarschrift door [derde belanghebbende] was er geen bezwaarprocedure meer aanhangig.

Subsidiair hadden bezwaarmakers niet-ontvankelijk verklaard moeten worden omdat er geen sprake is van een niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Verweerder heeft op 22 augustus 2006 een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden.

3.2 Beoordeling van het beroep

Artikel 46, eerste, vierde en vijfde lid, Woningwet luidt als volgt:

1. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag:

a. om een lichte bouwvergunning: binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag;

b. (…);

c. (…).

4. Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid is de bouwvergunning van rechtswege verleend.

5. Verlening van de bouwvergunning ingevolge het vierde lid wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 57, eerste lid, Woningwet bepaalt:

Burgemeester en wethouders stellen een openbaar register in, waarin aantekening wordt gehouden van:

a. aanvragen om bouwvergunning;

b. verleende bouwvergunningen;

c. bouwvergunningen die van rechtswege zijn verleend.

Artikel 58 Woningwet luidt:

De eigenaar of hoofdgebruiker van een naburig ander gebouw wordt, overeenkomstig bij de bouwverordening gegeven voorschriften, door burgemeester en wethouders binnen twee weken na de dag waarop een bouwvergunning van rechtswege is verleend, schriftelijk van deze verlening in kennis gesteld.

Het dossier bevat een besluit van verweerder gedagtekend 15 december 2004, met begeleidend schrijven van dezelfde datum, waarin de aangevraagde bouwvergunning wordt geweigerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat verweerder desondanks heeft geconcludeerd dat eiser voor zijn bouwaanvraag van 4 november 2004 van rechtswege een bouwvergunning heeft gekregen omdat was gebleken dat niet aangetoond kon worden dat dit besluit, met begeleidende brief, daadwerkelijk was verstuurd.

Tussen partijen is aldus niet in geschil dat de bouwvergunning van rechtswege is verleend doordat verweerder niet heeft beslist binnen de in artikel 46, eerste lid, aanhef en onder a, Woningwet genoemde termijn. Evenmin is in geschil dat verweerder niet heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de artikelen 57 en 58 Woningwet.

Voorts is van belang dat artikel 6:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. De bouwvergunning is van rechtswege verleend op 16 december 2004. Het staat vast dat niet binnen zes weken na deze datum een bezwaarschrift is ingediend.

Artikel 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dient een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, die van het verlenen van een vergunning niet schriftelijk op de hoogte is gesteld terwijl daarvan geen publicatie heeft plaatsgevonden, binnen twee weken nadat hij van het bestaan van het besluit op de hoogte is geraakt, zijn bezwaren kenbaar te maken. De rechtbank verwijst naar uitspraken van de Afdeling van 13 juli 2005, LJN: AT9275, van 28 augustus 2002, AB 2003/289, LJN: AE6964, van 22 mei 2002, JB 2002/189, LJN: AE2801 en van 15 mei 2001, AB 2001/294, LJN: AN6754.

Ter zitting heeft eiser onweersproken gesteld dat de bouw van de dakkapel in maart 2005 is begonnen en dat deze twee dagen later is afgerond. Meer exacte data kon eiser niet noemen. Gezien de omstandigheden van het geval dient naar het oordeel van de rechtbank als moment waarop een belanghebbende van het bestaan van een besluit tot verlening van een bouwvergunning op de hoogte is geraakt, aangemerkt te worden het moment waarop de bouw is afgerond. In deze zaak merkt de rechtbank 2 april 2005 aan als bedoeld moment.

De rechtbank stelt vast dat er binnen twee weken na 2 april 2005 geen bezwaarschrift is ingediend. Evenmin is door een eventuele belanghebbende in deze periode bij verweerder informatie ingewonnen over de geplaatste dakkapel. Bijzondere omstandigheden om van genoemde termijn van twee weken af te wijken acht de rechtbank niet aanwezig. Dat, zoals verweerder stelt, in het geval een eventuele belanghebbende in deze periode inlichtingen had opgevraagd hij foutief zou zijn geïnformeerd, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake nu een dergelijk verzoek niet is gedaan.

Op grond van bovenstaande acht de rechtbank de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Verweerder heeft ten onrechte het bezwaarschrift van 22 november 2005 ontvankelijk verklaard.

Gelet op het bovenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard wegens strijd met artikel 6:11 Awb en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Doende wat verweerder had behoren te doen, zal de rechtbank het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Voorts is er grond verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

- wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die het betaalde griffierecht ad € 141,- aan eiser dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 654,32, onder aanwijzing van de gemeente Groningen als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. L.W. Janssen, rechter en in het openbaar door hem uitgesproken op 18 oktober 2007 in tegenwoordigheid van mr. drs. H.A. Hulst als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Afschrift verzonden op: