Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BC0127

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
13-12-2007
Datum publicatie
13-12-2007
Zaaknummer
18/670363-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee jaar en TBS met dwangverpleging voor doodslag op huisgenoot

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670363-07

datum uitspraak: 13 december 2007

op tegenspraak (raadsman gemachtigd)

raadsman: mr. C. Eenhoorn

V O N N I S

van de rechtbank Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in Huis van Bewaring.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

29 november 2007.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

hij in of omstreeks de nacht van 12 op 13 augustus 2007, althans in of

omstreeks de periode van 12 augustus 2007 tot en met 15 augustus 2007 in de

gemeente Groningen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere mes(sen), althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam gestoken en/of geprikt en/of gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de nacht van 12 op 13 augustus 2007, althans in of

omstreeks de periode van 12 augustus 2007 tot en met 15 augustus 2007 in de

gemeente Groningen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten meerdere steek- en/of snijwonden), heeft toegebracht, door opzettelijk genoemde [slachtoffer 1] met een of meerdere mes(sen), althans een of scherp en/of puntig voorwerp, meermalen op meerdere plekken in het lichaam te steken en/of te snijden, terwijl het feit de dood tengevolge heeft gehad;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 15 juli 2007 in de gemeente Groningen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de arm heeft gestoken en/of (met kracht) een of meerdere vuistslag(en) in het gezicht heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

EN/OF

hij op of omstreeks 15 juli 2007 in de gemeente Groningen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes, althans een scherp en/of

puntig voorwerp gehouden in de richting van en/of getoond aan genoemde

[slachtoffer 2];

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde:

- wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest;

- ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege zal worden verpleegd.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank als volgt.

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Zij heeft dit oordeel gegrond op de omstandigheid dat verdachte bewapend met een mes achter het slachtoffer aan is gegaan en dienaangaande heeft verklaard dat hij het slachtoffer sowieso wat wilde aandoen.

De rechtbank volgt de officier van justitie daarin niet, aangezien hieruit niet kan worden afgeleid dat bij verdachte sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg. Veeleer is naar het oordeel van de rechtbank, dat zij baseert op alle verklaringen van verdachte in onderlinge samenhang bezien, sprake geweest van een opeenvolgende reeks van gebeurtenissen, gepaard gaande met veel geschreeuw en opwinding waarbinnen tijd en mogelijkheden voor kalm beraad en rustig overleg hebben ontbroken.

Ten aanzien van feit 2 overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte bewust met het mes heeft gestoken, zodat hij van dit onderdeel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de nacht van 12 op 13 augustus 2007, in de gemeente Groningen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen met messen in het lichaam gestoken en geprikt en gesneden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden.

2.

hij op 15 juli 2007 in de gemeente Groningen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), met kracht vuistslagen in het gezicht heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

EN

hij op 15 juli 2007 in de gemeente Groningen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes gehouden in de richting van en getoond aan genoemde [slachtoffer 2].

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het/de volgende strafbare feit(en) op:

1. primair doodslag

2. mishandeling

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Strafbaarheid van het feit en van de dader

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweer-exces en dat hij daarom ter zake van dit feit moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nu verdachte niet ter terechtzitting is geweest om een toelichting op zijn verklaring te geven, gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit verweer uit van de volgende - door de verdachte ten overstaan van de politie - geschetste gang van zaken.

Tussen verdachte en het slachtoffer ontstaat op zondagavond 12 augustus 2007 in de huiskamer van de woning van verdachte aan de [adres] ruzie over medicijnen en over rommel die het tijdelijk bij verdachte inwonende slachtoffer in diens woning had gemaakt. Beiden zitten op een bank en verdachte is cocaïne aan het snijden met een groot mes. Verdachte ziet dat het slachtoffer een mes pakt dat naast hem op de bank ligt. Het slachtoffer gaat staan met het mes wijzend in de richting van verdachte en geeft aan dat iedereen bang is voor verdachte, maar hij niet. Verdachte pakt ook een mes en gaat ook staan. Verdachte en het slachtoffer lopen op elkaar toe waarop verdachte tevergeefs probeert het mes uit de hand van het slachtoffer te schoppen. Verdachte loopt daarbij een snijwond in zijn linker been op. Vervolgens draait het slachtoffer zich om en loopt met het mes nog in zijn hand naar zijn slaapkamer. Verdachte rent met zijn mes nog in de hand direct achter het slachtoffer aan. Komend in de slaapkamer springt verdachte direct op het slachtoffer en er ontstaat een worsteling, waarbij verdachte, naar later blijkt, het slachtoffer met diverse messteken om het leven heeft gebracht.

Uit het technisch onderzoek leidt de rechtbank af dat verdachte hierbij meer messen heeft gebruikt.

De raadsman heeft onder meer aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweer- exces en baseert zich daarbij onder meer op de psychologische rapportage van M. Verkade, d.d. 19 november 2007. De psycholoog acht het namelijk waarschijnlijk dat de lichamelijke en mentale kwetsbaarheid en verminderde impulscontrole van verdachte, in combinatie met de dreigende situatie veroorzaakt door het slachtoffer, bij verdachte een toestand van dissociatie, derealisatie of ten minste een verminderd bewustzijn teweeg heeft gebracht waarbij hij vanuit angst impulsgestuurd heeft gehandeld.

De raadsman heeft verder aangegeven dat verdachte, toen het slachtoffer naar zijn kamer liep, achter het slachtoffer aan is gerend, met de gedachte dat er overal in huis messen lagen en hij niet wist wat het slachtoffer daarvan zou kunnen pakken en waarmee hij terug zou kunnen komen.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Het bepalende moment voor de beoordeling van de noodweersituatie is het moment waarop het slachtoffer met een mes in de hand in de kamer staat en verdachte het mes uit zijn hand wil schoppen. Over hetgeen voor en tijdens die gebeurtenissen in verdachte is omgegaan, heeft hij verschillende verklaringen afgelegd. In dit verband wijst de rechtbank op de volgende, door de verdachte op 16 en 17 augustus 2007 afgelegde verklaringen, afwisselend weergegeven op de pagina's 46, 57 en 58 van het onderhavige politiedossier.

Er werden door hem (het slachtoffer) weer medicijnen aan mij gevraagd en toen knapte er wat, omdat hij al vaker medicijnen had gestolen (pagina 46).

Ik zag dat hij een mes pakte dat naast hem op de bank lag. Volgens mij was het ook een keukenmes. Ik dacht dat hij mij wilde steken (pagina 57).

Ik vroeg aan hem: "Wat denk je wel niet". Ik zag dat hij op mij afkwam, zichzelf op de borst kloppend en ik hoorde dat hij zei: "Ik ben voor niemand bang". We stonden dicht tegenover elkaar. Ik denk dat we naar elkaar liepen, omdat niemand voor elkaar onder wil doen (pagina 46).

Ik zag dat de punt van het mes in mijn richting wees. Ik zag dat hij aanstalten maakte om naar mij toe te komen. Ik ben toen ook gaan staan. Ik heb vanaf de bank ongeveer 2 stappen schuin links naar voren gezet. We hadden allebei een mes in de hand. Ik had het mes in mijn rechter hand met de punt in de richting van [slachtoffer 1]. Op het moment dat ik zag dat [slachtoffer 1] een stekende beweging in mijn richting maakte, heb ik geprobeerd deze te ontwijken door de arm van [slachtoffer 1] met het mes weg te schoppen (pagina's 57 en 58).

We gingen staan met zijn tweeën en er werd geschreeuwd. Ik zag dat hij het mes in zijn hand had. Hij had het lemmet in mijn richting. Ik wilde het mes wegschoppen met mijn rechter been. Doordat ik dat wilde doen, voelde ik dat het mes in mijn rechteronderbeen kwam. Ik werd daardoor nog kwader en begon nog harder te schreeuwen (zie pagina 46 van het politiedossier).

Over hetgeen in verdachte is omgegaan voor en tijdens het moment dat hij de achtervolging op het slachtoffer vanuit de woonkamer naar de slaapkamer heeft ingezet, heeft hij verschillende verklaringen afgelegd. In dit verband wijst de rechtbank op de volgende, door de verdachte op 16, 17 en 19 augustus 2007 afgelegde verklaringen, afwisselend weergegeven op de pagina's 46, 57, 58, 69 en 70 van het onderhavige politiedossier.

Ik zag dat hij naar de slaapkamer liep en ik liep achter hem aan, omdat ik weet dat hij nog meer dingen in zijn slaapkamer had. (...) Ik heb van alles geroepen en geschreeuwd. Dat zullen de buren ook wel gehoord hebben. Als ik kwaad ben heb ik een hele luide stem. (...) Ik wou hem sowieso pakken voor wat hij had gedaan (pagina 46).

Ik zag nadat ik had geschopt dat hij het mes nog in zijn hand had.

Ik zag dat [slachtoffer 1] zich omdraaide en ik zag dat hij rechtstreeks niet hard maar ook niet zacht naar zijn slaapkamer liep. Hij heeft namelijk een afwijking aan zijn been. Hij heeft het mes nog in zijn hand op dat moment (pagina 58).

Op de vraag van de politie waarom verdachte bang was dat het slachtoffer een mes zou pakken, omdat het slachtoffer al een mes in zijn hand had, antwoordt verdachte:

Omdat mijn mes veel groter was, neem ik aan. (...) Of hij schrok dat ik hem een schop gaf en dacht dat hij weg moest wezen. Maar dat heeft ook geen zin, want er zit geen slot op zijn slaapkamer deur (pagina 59).

Op de vraag waarom verdachte achter het slachtoffer is aangerend heeft verdachte geantwoord:

Uit woestheid. Je kunt niet zomaar in 1 keer ruzie hebben en dat er dan niets meer aan de hand is. Ik blijf lange tijd kwaad, dat is mijn karakter. (...)

Hij was nog niet uitgeschakeld. Hij heeft het mes nog in de hand. Hij rent naar de slaapkamer en daar ligt toch van alles, ook messen. (...)

Uit kwaadheid en uit onmacht, noem het maar. Ik kan niet zomaar omslaan. Dat doe ik op straat ook niet, dan wacht ik ook niet tot iemand weer staat. Ik weet toch ook niet waar [slachtoffer 1] weer mee terug komt. Voor hetzelfde geld komt hij terug met een mes in de hand (pagina 69).

Ik was kwaad en liep achter hem aan. Als je goed hebt gekeken naar mijn verleden, dan houd ik niet zo snel op. Dan houd ik op tot ze rustig liggen. Dat is de aard van het beestje, dat doe ik buiten ook, doorgaan tot ze knockout liggen. In dit geval ook denk ik. Ik sta bekend als een opgefokt iemand. Ik weet moeilijk van stoppen. (...) Voor de slaapkamer was ik nog niet zo kwaad dat ik bloed voor de ogen had (pagina 70).

De rechtbank leidt uit deze verklaringen het volgende af.

Uit een aantal elementen in de verklaringen zou kunnen blijken dat verdachte zich bedreigd heeft gevoeld. Echter, zijn handelen lijkt veeleer ingegeven door boosheid, een element dat veelvuldig aanwezig is en herhaaldelijk naar voren komt en bij de verdachte al was ontstaan voordat het slachtoffer een mes had gepakt. Er was immers al wat bij verdachte geknapt toen het slachtoffer hem weer om medicijnen vroeg. Uit zijn verklaring daarnaast dat hij dacht dat ze naar elkaar liepen, omdat niemand voor elkaar onder wilde doen en zijn verklaring dat hij bekend staat als een opgefokt iemand die moeilijk van stoppen weet, leidt de rechtbank af dat verdachte met zijn handelen ook zelf de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en dat ook het schoppen tegen het mes niet voortkwam uit angst.

Hoewel de rechtbank daarbij nog wel van oordeel is dat verdachte zich mocht verdedigen tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer in de woonkamer moet de rechtbank constateren dat het uiteindelijke, fatale, geweld niet meer was geboden ter verdediging tegen die aanranding. De vraag of verdachte door die aanranding in een hevige gemoedstoestand is geraakt die heeft gemaakt dat hij achter het slachtoffer is aangegaan en alsnog de confrontatie heeft gezocht, beantwoordt de rechtbank ontkennend. Uit de aangehaalde verklaringen van verdachte leidt de rechtbank af dat verdachte, toen hij het slachtoffer volgde naar zijn slaapkamer, niet handelde onder invloed van met angst samenhangende impulsen, maar meer vanuit boosheid. Verder is de rechtbank van oordeel dat de boosheid die heeft gemaakt dat verdachte, ondanks het feit dat het slachtoffer al was weggelopen, toch nog een confrontatie aanging niet zozeer het gevolg is van de aanval door het slachtoffer, maar veel meer van de persoonlijkheid van verdachte zelf.

Dat de verdachte al op het moment dat hij de achtervolging op het slachtoffer inzette niet meer wist wat hij deed en in een toestand van dissociatie verkeerde, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte heeft immers nog waargenomen dat het slachtoffer zich omdraaide en rechtstreeks - niet hard maar ook niet zacht - naar zijn slaapkamer liep, vanwege een afwijking aan zijn been, hetgeen een mate van opmerkzaamheid weergeeft die niet past bij een dergelijk toestand.

Dat verdachte achter het slachtoffer aan is gerend, met de gedachte dat er overal in huis messen lagen en hij niet wist wat het slachtoffer daarvan zou kunnen pakken en waarmee hij terug zou kunnen komen, acht de rechtbank niet aannemelijk. Het slachtoffer had immers al een mes in zijn hand toen hij de woonkamer verliet en daarom lijkt de angst voor een ander mes niet voor de hand te liggen.

Het beroep op noodweer of noodweer-exces faalt derhalve.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank ook gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage d.d. 12 november 2007, opgemaakt door B.E. Bakker, psychiater in opleiding, en B.T. Takkenkamp, psychiater, en de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 19 november 2007, opgemaakt door M. Verkade, psycholoog.

De conclusies van deze nog nader te noemen rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke storing der geestvermogens en dat het tenlastegelegde hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportages, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Vrijheidsstraf

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf moet worden opgelegd.

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hoogte hiervan in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft met gebruik van zeer excessief geweld, met diverse messteken, zijn huisgenoot naar aanleiding van een ruzie over medicijnen en rommel van het leven beroofd. Hij heeft daarmee op een zeer grove wijze het leven van het slachtoffer beëindigd. Gelet op de kennelijke aanleiding van de confrontatie is het voor de rechtbank onbegrijpelijk en buiten alle proporties dat verdachte ertoe is gekomen een conflict met zoveel geweld te beslechten.

Daarnaast heeft verdachte ongeveer een maand daaraan voorafgaand, naar aanleiding van een ruzie over een DVD-speler, een man in diens eigen woning met een mes bedreigd en nadat deze zijn huis uit was gevlucht bij een andere woning een aantal vuistslagen in het gezicht gegeven.

De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan en acht in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd.

Daarbij is verdachte eerder, in 1991 en 1992 voor het plegen van geweldsmisdrijven veroordeeld.

Daarnaast neemt de rechtbank bij het opleggen van de vrijheidsstraf in aanmerking de conclusies van voormelde psychiatrische en psychologische onderzoeksrapportages, dat het bewezenverklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

In de psychiatrische onderzoeksrapportage wordt tevens aangegeven dat verdachte een zeer zwakke fysieke en mentale gezondheid heeft en dat zijn levensverwachting beperkt lijkt te zijn tot een aantal jaren. De verwachting is dat verdachte daardoor mentaal niet opgewassen zal zijn tegen een langdurige detentie.

De rechtbank zal daarom, ondanks hetgeen hier voor is overwogen, de duur van de gevangenisstraf beperken tot 24 maanden. Hoewel de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, verdachte niet voor moord maar voor doodslag zal veroordelen en de officier van justitie 24 maanden eiste, zal de rechtbank niet minder dan die eis opleggen. Dat zou onverenigbaar zijn met de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

Motivering maatregel

Terbeschikkingstelling

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, bij wie tijdens het begaan van het bewezenverklaarde gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond, ter beschikking moet worden gesteld omdat het onder 1 primair en 2 bewezen en strafbaar verklaarde misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel eist.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte tevens van overheidswege moet worden verpleegd omdat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen de verpleging eist.

De rechtbank heeft hierbij de rapporten en adviezen in aanmerking genomen die over de persoonlijkheid van verdachte zijn uitgebracht, alsmede de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde.

Het advies d.d. 12 november 2007, opgemaakt door B.E. Bakker en B.T. Takkenkamp, houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

Betrokkene heeft een antisociale persoonlijkheidsstoornis, mede ontstaan door ernstige pedagogische en affectieve verwaarlozing in zijn vroege jeugd. Hierdoor heeft hij een slechte impulscontrole en frustratie-tolerantie. Zijn brein werd steeds kwetsbaarder door het ouder worden bij een uiterst ongezonde levensstijl met veelvuldig gebruik van alcohol, cocaïne en cannabis, wat schadelijk is voor de hersencellen. Dit leidt uiteindelijk tot diffuse schade in het gehele brein. Dit geeft cognitieve problemen zoals persoonlijkheidsveranderingen, geheugenproblemen, moeite met planning, concentratieproblemen, gebrek aan controle over emoties zoals boosheid en verdriet. Alcohol verlaagt de impulscontrole. Van cocaïne is dit ook bekend. Mogelijk heeft een doorgemaakte hersenvliesontsteking dit proces versterkt.

Een ander complicerende factor is het voortschrijden van een levercirrose geweest. Dit kan rechtstreeks, maar zal ook indirect hersenschade hebben gegeven.

Onder invloed van alcohol en cocaine, (...) kon zijn steeds verder aangetaste brein de agressieve impulsen niet meer beheersen toen hij zich bedreigd voelde door zijn huisgenoot.

Bij het opnieuw terugvallen in alcohol en drugsverslaving acht ik de kans op recidive van nieuwe delicten groot. Hoe groot de kans is dat betrokkene opnieuw iemand zou kunnen doden, is moeilijk in te schatten. Er zijn geen aanwijzingen dat betrokkene zijn levensstijl wil veranderen.

Betrokkene is in zeer slechte fysieke en mentale toestand. Er is geen motivatie om te stoppen met middelengebruik. De kans op terugval in middelengebruik en alcoholmisbruik na detentie is groot.

Wij adviseren aan betrokkene een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen. Dit zowel ter beveiliging van de maatschappij als ook in het belang van betrokkene. Betrokkene is door zijn organisch psychosydroom mentaal in een slechte conditie. Hij is affectief zeer labiel. Hij heeft een slechte controle over zijn emoties. Mijn inschatting is dat hij daardoor mentaal niet opgewassen is tegen een langdurige detentie. In een tbs kliniek zou hij hiervoor begeleid en behandeld kunnen worden. In de waarschijnlijk beperkt aantal jaren dat betrokkene nog te leven heeft, zal hij waarschijnlijk een toenemende mate van zorg nodig hebben die in een tbs kliniek beter te geven lijkt dat in een penitentiaire inrichting.

Gezien de ernst van het delict en het recidivegevaar is het begeleidingsniveau op een forensische psychiatrische afdeling in een psychiatrisch ziekenhuis of een forensische psychiatrische kliniek onvoldoende.

Het advies d.d. 19 november 2007, opgemaakt door M. Verkade, voornoemd, houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in:

Gezien de gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke storing des geestesvermogens en de voorgeschiedenis in combinatie met zijn verslechterende lichamelijke toestand en de risicovolle omstandigheden van zijn instabiele woon- en leefsituatie lijkt het niet waarschijnlijk dat betrokkene zich voortaan behoorlijk zal gedragen. Hoewel de kans op een verandering ten goede niet groot lijkt, is er van een poging in die richting middels psychiatrische behandeling nog nooit een poging geweest.

Uitgaande van het recidiverisico (...) lijkt behandeling en bescherming van betrokkene noodzakelijk. Daarbij zijn complienceproblemen echter te verwachten, hetgeen een verplicht kader nodig maakt. Aangezien de nadruk m.i. op zowel behandelen en beschermen van betrokkene als op het beschermen van de maatschappij ligt, adviseer ik een TBS-dwang.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting zijn twijfels geuit omtrent de behandelbaarheid van de verdachte en in het verlengde daarvan de opportuniteit van de oplegging van de maatregel.

B.T. Takkenkamp heeft ter terechtzitting dienaangaande aangegeven dat behandeling van de verdachte binnen het kader van een TBS mogelijk is in de vorm van goede zorg en verpleging, die hij naar verwachting in toenemende mate nodig zal hebben. Het instellen van de verdachte op de juiste medicatie teneinde hem zo lang mogelijk stabiel te houden, zal daarbij een belangrijk deel van de behandeling kunnen vormen.

De rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van de adviezen, alsmede met de door B.T. Takkenkamp ter terechtzitting gegeven toelichting, verenigen en neemt die over.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierboven is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 primair en 2 meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen en strafbaar verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd, die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast dat de veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de terbeschikking-gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. M.J.B. Holsink, voorzitter, F.J. Agema en E.W. van Weringh, in tegenwoordigheid van W. Brandsma, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 december 2007.