Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BC0001

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
18/699210-05 en 18/699039-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestrijding overlast stadsduiven op grond van APV gemeente Groningen. Verdachten strafbaar geoordeeld. Beroep op afwezigheid materiele wederrechtelijkheid en overmacht verworpen.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 2
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 36
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2008, 34
JM 2008/27 met annotatie van Boerema
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector kanton

Locatie Groningen

Parketnummers: 18/699210-05 en 18/699039-06

vonnis d.d. 12 december 2007

In de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [datum] 1944 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Bij vonnis van 11 juli 2006 heeft de kantonrechter het onderzoek heropend onder gelijktijdige schorsing daarvan voor onbepaalde tijd. Daarbij zijn de processtukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken van deze rechtbank gesteld teneinde de zaak in volle omvang te doen onderzoeken. Naar aanleiding van voormelde beslissing heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 4 april 2007 dr. M.J.L. Kik, dierenarts en pathaloog bijzondere dieren, en prof. dr. J.M. Tinbergen, ecoloog, tot deskundigen benoemd. Voormelde deskundigen hebben vervolgens ieder een rapportage uitgebracht, naar de inhoud waarvan ten deze wordt verwezen. Het voortgezette onderzoek ter openbare terechtzitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 29 november 2007. Aldaar zijn verschenen verdachte, bijgestaan door diens raadsman mr. O.G. Schuur alsmede de getuige-deskundige Prof. Dr. J.M. Tinbergen voornoemd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is in de zaak onder parketnummer 18/699210-05 ten laste gelegd dat:

hij, te en in de gemeente Groningen, op of omstreeks 10 augustus 2005, op een (voor het openbaar verkeer openstaande) weg, het Hereplein, althans in de openbare ruimte, (stads-) duiven of andere overlastveroorzakende vogels heeft gevoerd en/of gelegenheid heeft geboden deze te voeren.

Aan de verdachte is in de zaak onder parketnummer 18/699039-06 ten laste gelegd dat:

hij, te en in de gemeente Groningen, op of omstreeks 31 oktober 2005, op een (voor het openbaar openstaande) weg, de Stationsweg, althans in de openbare ruimte, (stads-)duiven of andere overlastveroorzakende vogels heeft gevoerd en/of gelegenheid heeft geboden deze te voeren.

De vordering van de officier van justitie

Met betrekking tot de zaak onder parketnummer 18/699210-05 heeft de officier van justitie gevorderd verdachte een geldboete op te leggen van € 60,-- subsidiair 1 dag vervangende hechtenis.

Met betrekking tot de zaak onder parketnummer 18/699039-06 heeft de officier van justitie gevorderd verdachte een geldboete op te leggen van € 50,-- subsidiair 1 dag vervangende hechtenis.

De bewezenverklaring

Op grond van de ambtsedige processen-verbaal die hebben geleid tot bovenvermelde zaken en de door verdachte ter zitting afgelegde verklaring acht de kantonrechter bewezen dat:

inzake parketnummer: 18/699210-05:

hij in de gemeente Groningen op 10 augustus 2005 op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Hereplein, (stads-)duiven of andere overlastveroorzakende vogels heeft gevoerd;

inzake parketnummer: 18/699039-06:

hij in de gemeente Groningen op 31 oktober 2005 op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Stationsweg, (stads-)duiven of andere overlastveroorzakende vogels heeft gevoerd.

Voormelde feiten leveren een overtreding op van artikel 2.4.20 van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2005 en zijn strafbaar gesteld bij artikel 6.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2005.

Bepreking verweren.

1. Verdachte heeft allereerst betoogd dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, daartoe stellende dat artikel 2.4.20 van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2005 onverbindend dient te worden verklaard aangezien deze verordening in strijd is met een hogere regeling, te weten artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren (GWD).

Teneinde de gestelde overlast te beperken zijn er minder vergaande alternatieven voorhanden zoals de tillenmethode. Deze methode wordt bovendien ondersteund door beide deskundigen. Voorts blijkt uit de conclusie van het door de gemeente ingestelde SOVON- onderzoek dat deze methode werkzaam is. De tillenmethode wordt bovendien maatschappelijk breder gedragen dan de huidige door de gemeente gehanteerde methode.

Uit de rapportages van de deskundigen blijkt voorts dat het voederverbod tot pijn leidt en ook tot benadeling van de gezondheid en/of het welzijn van de duiven.

2. Voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat de betreffende APV niet onverbindend is doet verdachte primair een beroep op overmacht in de zin van een conflict van plichten. Kiezend tussen de bepalingen van de GWD en de APV heeft hij ervoor gekozen de APV te overtreden teneinde de GWD na te kunnen leven, dan wel in de geest van de GWD te handelen dan wel te voorkomen dat anderen de GWD zouden overtreden, doch in ieder geval om het door de GWD te beschermen belang te dienen.

3. Meer subsidiair doet verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Enerzijds als aanvulling op het primaire verweer en de opvatting dat een dergelijk beroep op deze grond hem toekomt indien in juridische zin geen sprake is van overmacht in de zin van artikel 40 Sr., maar er toch een rechtvaardiging bestaat voor het overtreden van de APV. Anderzijds komt hem een dergelijk beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid toe omdat een overtreding van de APV in het onderhavige geval geen overtreding van de bedoeling van de norm oplevert.

4. De vraag die de kantonrechter primair ter beoordeling voor ligt is of artikel 2.4.20 van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2005 onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren.

5. Daarnaast heeft de rechter-commissaris in haar vraagstelling aan de benoemde deskundigen meegenomen of voormelde verordening mogelijk in strijd is met artikel 2 lid 1 van de Flora- en faunawet (FFW). Met betrekking tot dit laatste is de kantonrechter in navolging van de conclusie in het deskundigenbericht van dr. Kik van oordeel dat de stadsduif moet worden aangemerkt als een gedomesticeerde diersoort en derhalve in het kader van de FFW geen bescherming geniet. De zorgplicht van artikel 2 van de FFW staat aan het door de gemeente Groningen ingestelde voederverbod derhalve niet in de weg.

6. Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of bovenvermelde bepaling in de APV van de gemeente Groningen in strijd is met artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren is het navolgende van belang.

Artikel 36, lid 1 van deze wet luidt als volgt:

“Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.”

7. Het bestrijden van overlast in de openbare ruimte door (stads)duiven vormt naar het oordeel van de kantonrechter op zich een zwaarwichtig belang voor de gemeente dat geleid heeft tot de onderhavige bepaling. Met deze bepaling in de onderhavige verordening beoogt de gemeente Groningen die ernstige overlast te beperken door de (stads)duivenpopulatie te reguleren.

Het is onvermijdelijk dat een voerverbod leidt tot nadeel van de gezondheid of welzijn van deze populatie. Een dergelijk voerverbod dient niettemin een redelijk doel, namelijk bestrijding dan wel voorkoming van overlast in de openbare ruimte. Het als gevolg daarvan aan de (stads)duiven te veroorzaken leed of nadeel in de gezondheid is, ter bereiking van dat doel toelaatbaar. Op grond van de door de deskundigen uitgebrachte rapporten en de daarop ter zitting gegeven toelichting valt immers niet zonder meer in te zien dat een voerverbod als een disproportionele sanctie moet worden gezien in het licht van het zwaarwichtig belang dat voormelde bepaling beoogt na te streven. De gemeente komt namelijk in het kader van de op haar rustende bevoegdheid een ruime beleidsvrijheid toe met betrekking tot de keuze van middelen ter bereiking van eerder gemeld doel. Een dergelijke beleidsvrijheid kan slechts marginaal worden getoetst.

8. Het beleid van de gemeente in deze kan naar het oordeel van de kantonrechter die marginale toets doorstaan. Te meer, nu aan de hand van de uitgebrachte deskundigenberichten niet eenduidig kan worden vastgesteld welk middel ter bestrijding van overlast als het meest effectieve kan worden aangemerkt – de zogenaamde tillenmethode waarborgt geen hoog welzijn en eimanipulatie draagt niet zonder meer bij tot een goede gezondheid, terwijl bijvoeren kan leiden tot een verhoogd risico op infectie dan wel een verslechtering van de eigenschappen om ‘natuurlijk voedselaanbod’ te exploiteren – is de kantonrechter van oordeel dat in het kader van een dergelijke toetsing het voederverbod een inbreuk oplevert op het welzijn van de duiven die ter bereiking van het hiervoor vermelde doel toelaatbaar is. Op grond daarvan dient te worden geoordeeld dat de onderhavige bepaling van artikel 2.4.20 APV Groningen niet onverbindend is. Het daarop betrekking hebbende verweer wordt daarom verworpen.

9. De raadsman van verdachte heeft verder betoogd, dat verdachte behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien het tenlastegelegde feit materiële wederrechtelijkheid ontbeert.

Daaromtrent oordeelt de kantonrechter als volgt.

Naast de wettelijk geregelde strafuitsluitingsgronden kent de rechtspraak twee gevallen van een buitenwettelijke strafuitsluitingsgrond, te weten afwezigheid van alle schuld en het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Het gegeven dat die strafuitsluitingsgronden hun basis niet vinden in enig wettelijk voorschrift, noopt tot terughoudendheid bij de toepassing daarvan.

10. Het begrip ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid kan dus als een soort verzamelbegrip van een aantal verschillende verweren worden gezien dat niet onder het wettelijk begrip overmacht kan worden gebracht.

In de onderhavige strafzaak wordt door verdachte de nadruk gelegd op het feit dat bestrijding van onnodig dierenleed van zodanig hogere orde is dat daarmee zelfs de schending van strafbepalingen gerechtvaardigd is. Naar het oordeel van de kantonrechter komt de strafbaarheid niet te ontbreken door de enkele omstandigheid dat de overtredingen zijn begaan met de bedoeling om daarmee eigenmachtig aan een streven als dat van verdachte kracht bij te zetten. Niet valt in te zien dat de onderhavige bepalingen zouden moeten wijken voor een beter (rechts)inzicht van verdachte. Het onderhavige verweer, inclusief het beroep op afwezigheid van alle schuld, behoort derhalve te worden verworpen.

Waar het gaat om alternatieve keuzes of alternatieve, diervriendelijker bestrijdingsmethodieken van de onderhavige overlast, dient verdachte zich naar het oordeel van de kantonrechter te wenden tot de politiek. In het kader van deze procedure kan daarover geen uitspraak worden gedaan.

11. Het beroep op overmacht wordt door en namens verdachte gemotiveerd met de stelling dat hij zou hebben moeten kiezen tussen twee conflicterende belangen. Enerzijds zijn opvatting dat (onnodig) leed bij dieren achterwege behoort te blijven en anderzijds het zich houden aan het bij voormelde verordening opgelegde voederverbod hetwelk als leedtoevoegend kan worden aangemerkt. Hiervoor is geoordeeld dat het voederverbod in het licht van het zwaarwegend belang van de gemeente en de onduidelijkheid van het effect van andere bestrijdingsmethodieken op lange termijn als een redelijk doel mag worden aangemerkt. Die afweging is ook voor wat betreft de beoordeling van het onderhavige verweer van belang. Niet gezegd kan worden dat verdachte door het voerverbod te overtreden een gerechtvaardige keuze heeft gemaakt. Het onderhavige beroep wordt verworpen.

12. De verdachte is op grond van het eerder overwogene strafbaar.

13. Bij de bepaling van de straf die aan verdachte zal worden opgelegd, heeft de kantonrechter rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen feit en strafbaar verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Tevens is rekening gehouden met de vordering van de officier van justitie en de persoon van de verdachte, zoals naar voren gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting.

14. De kantonrechter heeft verder gelet op de artikelen 1 en 2 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2.4.20 en 6.1 van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2005.

BESLISSING:

De kantonrechter:

verklaart wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder parketnummer 18/699210-05 en parketnummer 18/699039-05 is ten laste gelegd;

kwalificeert het feit telkens als overtreding van artikel 2.4.20 van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2005;

verstaat dat deze feiten strafbare feiten zijn en dat verdachte deswege strafbaar is;

veroordeelt verdachte in de zaak onder parketnummer 18/699210-05 tot een geldboete van

€ 60,-- subsidiair 1 dag vervangende hechtenis;

veroordeelt verdachte in de zaak onder nummer 18/699039-06 tot een geldboete van € 50,--, subsidiair 1 dag vervangende hechtenis.

Aldus gewezen door mr. J.P. Evenhuis, kantonrechter, en uitgesproken ter terechtzitting van woensdag 12 december 2007, in tegen¬woordigheid van de griffier.

Typ: gv