Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB9879

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
AWB 05/184
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Van rechtswege verleende bouwvergunning. Geen bevoegdheid meer van het bestuursorgaan om op de aanvraag te beslissen. Reformatio in peius.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 05/184

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser] en [eiseres], wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde: mr.ing. A.E. Noordhuis,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Marne,

verweerder.

1. Onderwerp van geschil

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 december 2004. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder de bezwaren van derden, gericht tegen het besluit van 25 juni 2004 tot verlening van een bouwvergunning aan eisers, gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 18 december 2006.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer W.K. de Wind en de heer F.A. Rozema.

3. Rechtsoverwegingen

3.1. Feiten en standpunten van partijen

Op 2 april 2004 hebben eisers een aanvraag om een bouwvergunning ingediend. De vergunning is gevraagd voor het oprichten van een windturbine bij het agrarisch bedrijf van eisers, gelegen aan de [adres] te [woonplaats].

Bij besluit van 25 juni 2004, verzonden op 28 juni 2004, heeft verweerder de aangevraagde bouwvergunning verleend.

Tegen dit besluit hebben derden bij brieven van 20 juli 2004, 4 augustus 2004 en 5 augustus 2004 bezwaar aangetekend.

Op 10 augustus 2004 heeft Libau Welstands- en Monumentenzorg Groningen (hierna: Libau) een welstandsadvies uitgebracht. Bij brief van 23 augustus 2004 heeft Libau dit advies aangevuld.

Op 9 september 2004 is door de commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie) een hoorzitting gehouden. Bij deze gelegenheid zijn eiser en een aantal bezwaarmakers gehoord.

Bij uitspraak van 16 september 2004 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek van derden tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

In een advies van 9 november 2004 heeft de commissie geadviseerd één bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren, de overige vijf bezwaarschriften gegrond te verklaren, het besluit van 25 juni 2004 te herroepen en de bouwvergunning alsnog te weigeren.

In het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de commissie, één bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard en de overige vijf bezwaarschriften gegrond verklaard. Voorts heeft verweerder het besluit tot van rechtswege verlening van een reguliere bouwvergunning herroepen en opnieuw een reguliere bouwvergunning verleend voor het oprichten van een windturbine, met toevoeging van het welstandsadvies.

Eisers voeren in beroep het volgende aan.

De bezwaarmakers hebben geen dan wel onvoldoende belang gezien de aanmerkelijke afstand tussen hun woonpercelen en de geprojecteerde windturbine.

De bezwaren waren gericht tegen de op 25 juni 2004 verleende bouwvergunning en niet tegen de van rechtswege op 24 juni 2004 verleende vergunning.

Subsidiair voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte in de bezwaarfase ambtshalve heeft getoetst aan eisen van welstand. Dit houdt een reformatio in peius in. Het welstandsadvies is door bezwaarmakers niet middels een contra-advies bestreden.

Verweerder stelt ten onrechte dat een nieuwe bouwvergunning is verleend. Er is slechts sprake van nieuwe motivering van een bestaande vergunning.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. Tevens heeft verweerder op 23 maart 2005 een verweerschrift toegezonden.

3.2. Beoordeling van het beroep

Eisers nemen het primaire standpunt in dat de tegen het besluit van 25 juni 2004 ingediende bezwaren door verweerder niet-ontvankelijk verklaard hadden moeten worden.

De rechtbank overweegt dat één van de bezwaarschriften niet-ontvankelijk is verklaard omdat het directe zicht van de indieners op het perceel van eisers ontbreekt. Ter terechtzitting hebben partijen en verscheidene van de bezwaarmakers zich uitgelaten over de vraag in hoeverre de overige bezwaarmakers wel zicht hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is het voldoende aannemelijk geworden dat de overige bezwaarmakers, na realisatie, op enigerlei wijze zicht zullen hebben op het geprojecteerde bouwwerk. Nu de windturbine bovendien een grote ruimtelijke uitstraling heeft, zal de woon- en leefomgeving van deze bezwaarmakers beïnvloed worden. De rechtbank deelt om die reden niet het standpunt van eisers dat de ontvankelijk verklaarde bezwaarmakers geen of onvoldoende belang hebben. De rechtbank verwijst in dit verband naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 9 februari 2005, LJN: AS5498, JM 2005, 33 en van 17 mei 2006, LJN: AX2075, AB 2006, 212.

Artikel 46, eerste lid, aanhef en onder b, Woningwet bepaalt dat burgemeester en wethouders binnen twaalf weken na ontvangst van een aanvraag om een reguliere bouwvergunning beslissen. Het vierde en vijfde lid van dit artikel bepalen dat, indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het eerste lid, de bouwvergunning van rechtswege is verleend en dat deze verlening dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Tussen partijen is niet in geschil dat in de onderhavige zaak de termijn van twaalf weken is geëindigd op 24 juni 2004 en dat op die datum de gevraagde vergunning van rechtswege is verleend. De rechtbank deelt deze opvatting. De verlening van rechtswege heeft tot gevolg dat de bevoegdheid van verweerder om primair op de aanvraag te beslissen, is komen te vervallen. Dit betekent dat het besluit van 25 juni 2004 onbevoegd is genomen. Bezwaarmakers gingen evenwel uit van de rechtsgeldigheid van het besluit van 25 juni 2004 en hebben daartegen bezwaar aangetekend. Verweerder heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de AbRS van 30 augustus 1999, LJN: AN6183, AB 2000, 16, gesteld dat de bezwaarschriften aangemerkt konden worden als gericht tegen de van rechtswege verleende vergunning. De rechtbank deelt dit standpunt.

Uit het bovenstaande volgt dat verweerder terecht vijf van de zes bezwaarschriften ontvankelijk heeft verklaard. De daartegen gerichte beroepsgronden falen.

Artikel 7:11 Awb bepaalt dat indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaatsvindt. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Eisers stellen dat het bij de heroverweging ambtshalve uitvoeren van de welstandstoets door verweerder een zogenaamde reformatio in peius inhoudt. De rechtbank overweegt dat het verbod van reformatio in peius inhoudt dat de bezwaarmaker niet als gevolg van het instellen van bezwaar in een slechtere positie komt te verkeren. Deze situatie doet zich in de onderhavige zaak niet voor nu de bezwaren niet door eisers maar door derden zijn ingesteld. Voorts overweegt de rechtbank, in navolging van de AbRS in een uitspraak van 15 december 2004, LJN: AR7569, AB 2005, 431, dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Awb blijkt dat de bezwaarprocedure is bedoeld voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Verweerder heeft aldus niet in strijd met artikel 7:11 Awb gehandeld.

Hetgeen eisers voor het overige ten aanzien van de welstandstoets aanvoeren, komt aan de orde in de uitspraak van heden van deze rechtbank met als registratienummer Awb 04/185.

De rechtbank stelt ten slotte vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bestreden besluit een besluit op bezwaar en niet een primair besluit is. Eisers stellen terecht dat de formulering van het bestreden besluit op dit punt onduidelijkheid schept, doch dit vormt onvoldoende aanleiding om het beroep gegrond te verklaren.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr.drs. A. Houtman, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 12 januari 2007, in tegenwoordigheid van mr.drs. H.A. Hulst als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op, dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.