Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB9121

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
03-12-2007
Zaaknummer
97038/JE RK 07-797
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing kennis te nemen. Weliswaar heeft het kind zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat, maar er is sprake van een spoedeisend geval in de zin van artikel 20 van de Verordening Brussel II bis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 97038 / JE RK 07-797

beschikking kinderrechter d.d. 17 oktober 2007

inzake de minderjarige A.,

kind van:

B., de biologische vader,

en

C. , beiden ingeschreven op een adres in Spanje.

PROCESGANG

Op 27 september 2007 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, locatie Den Haag (de Raad) een verzoekschrift met bijlagen ingediend, gedateerd 27 september 2007 en verzocht dat:

1. de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige wordt uitgesproken voor de duur van een jaar;

2. de voorlopige ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige wordt uitgesproken voor de duur van 3 maanden.

De Raad heeft daarbij verzocht een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing te verlenen in een dag en nacht crisisopvang voor de duur van 3 maanden.

Op dit verzoekschrift heeft de kinderrechter op 27 september 2007 een beschikking gegeven.

Op 10 oktober 2007 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij: de ouders, bijgestaan door mr. A.M. Crouwel, raadsvrouw, mevrouw A.I. van Dijk, vertegenwoordigster van de Raad te Den Haag, werkzaam bij de Raad te Groningen, en mevrouw A. Ritsema, vertegenwoordigster van Stichting Bureau Jeugdzorg Den Haag Centrum/Scheveningen (BJZ), werkzaam bij het bureau jeugdzorg te Groningen. Tevens is verschenen mevrouw A. Boere, tolk in de Deense taal.

OVERWEGINGEN

Bij beschikking van 27 september 2007 is [A.], met ingang van 27 september 2007, voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Tevens is daarbij een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing in een dag en nacht crisisopvang van [A.] afgegeven, met ingang van 27 september 2007 voor de duur van vier weken. De beslissing over de langer verzochte duur van de machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing en de definitieve ondertoezichtstelling is daarbij aangehouden.

Standpunt van de Raad

De Raad handhaaft voornoemde verzoeken. Ter onderbouwing van de verzoeken is met name gewezen op de voorgeschiedenis van de moeder. In het verleden is de moeder met haar twee andere kinderen en hun vader doelbewust naar Spanje vertrokken, waarbij de stellige indruk was ontstaan dat dit uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel diende te voorkomen. Aldaar hebben zij de kinderen blootgesteld aan seksueel geweld en mishandeling ter productie van kinderporno. Naar aanleiding hiervan zijn de ouders ontzet uit het gezag.

Inmiddels wordt steeds duidelijker hoezeer de kinderen zijn beschadigd in hun ontwikkeling als gevolg van seksuele mishandeling, als ook door de jarenlange ernstige verwaarlozing, het leven onder abominabele hygiënische omstandigheden, maar bovendien een groot gebrek aan opvoedings- en verzorgingsvaardigheden aan de kant van de moeder.

Gelet hierop en gelet op de omstandigheden, waaronder [A.] momenteel met zijn ouders in een camper verblijft en het feit dat de huidige partner van de moeder in aanraking is gekomen met de Deense Raad voor de Kinderbescherming, bestaat er grote vrees over het welzijn van [A.].

Standpunt van BJZ

BJZ onderschrijft het standpunt van de Raad.

Standpunt van de ouders

De raadsvrouw heeft, namens de ouders, primair gesteld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is onderhavige zaak te behandelen. Uit overgelegde stukken blijkt dat de ouders en [A.] staan ingeschreven op een adres in Spanje en daarnaast hebben zij verzekeringsbewijzen overgelegd, waaruit blijkt dat zij in Spanje zijn verzekerd voor ziektekosten. Daarnaast is een familieboekje overgelegd, afgegeven door de Spaanse autoriteiten, waaruit de geboortedatum en -plaats van [A.] blijkt. De ouders zijn momenteel voor kortdurend verblijf in Nederland en hebben hun gewone verblijfplaats in Spanje. Gelet op artikel 5 Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 12 Verordening Brussel II bis en artikel 1 van het Haags Kinderschermingsverdrag komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe.

Subsidiair heeft de Raad de zorgen onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de moeder strafrechtelijk wordt vervolgd door de Nederlandse dan wel de Spaanse autoriteiten wegens (vermoedelijk) seksueel misbruik van haar kinderen en dat zij destijds doelbewust naar Spanje is vertrokken met haar kinderen. Voorts is van belang dat de moeder momenteel een andere partner heeft dan destijds. Dat de moeder thans in een camper verblijft, wat niet de meest ideale verblijfplaats is met een klein kind, is onvoldoende grond om [A.] onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen.

Beoordeling kinderrechter

Voordat de kinderrechter eventueel kan toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van onderhavige zaak, dient de kinderrechter te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van deze zaak. De bevoegdheid van de kinderrechter om kennis te nemen van de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (verder te noemen: Verordening Brussel II bis).

Op grond van artikel 8 Verordening Brussel II bis zijn in zaken met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid, waaronder mede wordt begrepen de uitoefening van het gezagsrecht, de gerechten bevoegd van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfsplaats heeft op het moment dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Echter, op grond van artikel 20 Verordening Brussel II bis vormt deze verordening in spoedeisende gevallen voor de gerechten van een lidstaat geen beletsel om met betrekking tot personen of goederen die zich in die staat bevinden, voorlopige en bewarende maatregelen te nemen waarin de wetgeving van die lidstaat voorziet, zelfs indien krachtens deze verordening een gerecht van een andere lidstaat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen.

De kinderrechter is van oordeel dat in onderhavige zaak sprake is van een dergelijke spoedeisende situatie en dat de Nederlandse rechter derhalve bevoegd is te beslissen op het verzoek van de Raad.

De kinderrechter overweegt hiertoe als volgt.

Er is sprake van ernstige zorgen omtrent de veiligheid en ontwikkeling van [A.], mede gelet op de voorgeschiedenis van de moeder, die maken dat ingrijpen dringend en onverwijld noodzakelijk was en is.

De moeder wordt gezien als een psychisch zeer beschadigde vrouw met een problematische partnerkeuze, wat tot (ernstige) beschadiging van haar kinderen heeft geleid. De moeder is ontzet uit het gezag over haar twee andere kinderen, omdat zij hen in Spanje heeft blootgesteld aan seksueel geweld en mishandeling ter productie van kinderporno. Er was sprake van grof misbruik van het ouderlijk gezag alsmede van ernstige verwaarlozing van verantwoordelijkheden. Dat de raadsvrouw heeft gesteld dat niet is gebleken dat de moeder strafrechterlijk wordt vervolgd, doet niet af aan het feit dat de moeder uit het gezag van haar beide andere kinderen is ontzet. De kinderrechter merkt daarbij op dat de ontzetting berust op moedwillig plichtsverzuim of op onwaardigheid de taak als opvoeder en verzorger te vervullen; er is sprake van schuld aan de zijde van de ouders.

Momenteel verblijft de moeder met haar huidige partner in een camper, waar de hygiënische omstandigheden slecht zijn. Uit informatie van een wijkagent is gebleken dat de camper smerig zou zijn, vervuild, rommelig en enorm stinkt naar sigarettenrook, zodat zorgen bestaan over de leefomgeving van [A.]. De kinderrechter acht dit met de Raad zorgwekkend, mede bezien in het licht van het bovenstaande. Dat het slechts zou gaan om een tijdelijk verblijf, maakt dat niet anders. Daarnaast zijn de observaties over de huidige partner niet positief en is bekend dat hij in Denemarken te maken heeft gehad met de Raad voor de Kinderbescherming.

Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat de beschikking van 27 september 2007 op de juiste gronden is gegeven en dat deze beschikking dient te worden bekrachtigd, met dien verstande dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [A.] in een dag en nacht crisisopvang wordt verleend, met ingang van 27 september 2007 voor de duur van drie maanden. De beschadiging van de andere kinderen van de moeder is dusdanig dat geen enkel risico genomen kan worden dat [A.] van hetzelfde slachtoffer wordt.

Het verzoek van de Raad om [A.] definitief onder toezicht te stellen zal de kinderrechter aanhouden tot de hierna vermelde zittingsdatum, in afwachting van het uit te brengen rapport door de Raad. De kinderrechter verzoekt de Raad het rapport en advies ter zake de definitieve ondertoezichtstelling uiterlijk tot twee weken voorafgaand aan deze zittingsdatum aan de kinderrechter over te leggen.

BESLISSING

bekrachtigt de beschikking van 27 september 2007, met dien verstande dat een machtiging tot (spoed) uithuisplaatsing in een dag en nacht crisisopvang van [A.] wordt verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, derhalve tot 27 december 2007 en draagt de ondertoezichtstelling op aan het bureau jeugdzorg Haaglanden, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing omtrent de definitieve ondertoezichtstelling aan en bepaalt dat de zaak verder zal worden behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van woensdag 12 december 2007 om 09.00 uur in één van de zalen van het gerechtsgebouw aan het Guyotplein 1;

verzoekt belanghebbenden zonder nadere oproep daartoe ter zitting te verschijnen;

de Raad dient uiterlijk tot twee weken voorafgaand aan de hierboven vermelde zittingsdatum aan de kinderrechter rapport en advies ter zake de definitieve ondertoezichtstelling over te leggen.

Deze beslissing is gegeven te Groningen op 17 oktober 2007 door mr. B.J.H. Hofstee, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.