Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB9114

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
03-12-2007
Zaaknummer
96774/JE RK 07-765
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Nederlandse rechter is ingevolge de artikelen 8 en 16 van de Verordening Brussel II bevoegd van het OTS-verzoek kennis te nemen, omdat de minderjarige kinderen op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend in Nederland hun gewone verblijfplaats hadden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 96774 / JE RK 07-765

beschikking kinderrechter d.d. 17 oktober 2007

inzake

de minderjarige kinderen A. en B.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over A.

De moeder is belast met het gezag over B.

PROCESGANG

Op 13 september 2007 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen (de Raad) een verzoekschrift met bijlagen ingediend, gedateerd 11 september 2007, daartoe strekkende dat de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen wordt uitgesproken, voor de duur van een jaar.

Op 10 oktober 2007 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn daarbij: de moeder, bijgestaan door mr. J.F. Rouwé-Danes, raadsvrouw, de vader, bijgestaan door mr. H.A. Jonker-van Dijk, raadsvrouw, mevrouw A.I. van Dijk, namens de Raad en mevrouw A. Ritsema, namens het bureau jeugdzorg (bjz) te Groningen.

OVERWEGINGEN

Standpunt van de Raad

De Raad acht een ondertoezichtstelling geïndiceerd, omdat de ontwikkeling van de kinderen wordt bedreigd. Er zijn sterke aanwijzingen dat [A.] seksueel is mishandeld. [B.] kent een psycho-motorische functiestoornis. De ouders verschillen van mening over de aard, de ernst en de oorzaak van deze problemen bij de kinderen. Voorts worden de kinderen belast door en betrokken bij de echtscheidingsproblemen van de ouders. De kinderen zijn betrokken op hun vader en hij op hen, maar de vader is fysiek en emotioneel te weinig beschikbaar voor hen. [A.] toont zich ambivalent ten opzichte van de vader. [B.] wordt door de vader teveel aan zijn lot overgelaten. Voorts vormt de onbegeleide omgang met de vader een bedreiging voor de kinderen. De ouders zijn niet in staat gebleken doeltreffende hulpverlening te organiseren en vrijwillige hulpverlening bleek onvoldoende in staat de ouders en de kinderen te helpen.

Binnen de ondertoezichtstelling dienen de volgende doelen te worden gerealiseerd:

- opheffen van de bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen;

- zorg dragen voor een onbelaste leefsituatie van de kinderen;

- het organiseren van alle noodzakelijk geachte hulp. Voor de ouders in verband met hun echtscheidingsproblematiek en voor [A.] in verband met het seksueel misbruik. Hulp voor [B.] in verband met zijn functiestoornis;

- het organiseren, begeleiden en ondersteunen van het contact van de kinderen met de vader, mede in het kader van de omgangsregeling.

Standpunt van bjz

Bjz onderschrijft het standpunt van de Raad.

Standpunt van de moeder

De raadsvrouw heeft, namens de moeder, bezwaar gemaakt tegen de ondertoezichtstelling, omdat er geen sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderen niet veilig zijn bij de vader en dat er daarom begeleide omgang dient plaats te vinden. Het is echter vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat een ondertoezichtstelling niet enkel mag worden uitgesproken met het oog op de omgang. Het verzoek van de Raad dient dan ook te worden afgewezen.

Standpunt van de vader

De raadsvrouw heeft, namens de vader, gesteld dat hij geen bezwaar heeft tegen de ondertoezichtstelling. Het is van belang dat er hulpverlening komt en de vader is bereid hieraan mee te werken.

Beoordeling kinderrechter

Voordat de kinderrechter eventueel kan toekomen aan de inhoudelijke beoordeling van onderhavige zaak, dient de kinderrechter ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van deze zaak, gelet op het feit dat de moeder met de minderjarige kinderen zeer recent is verhuisd naar Duitsland. De bevoegdheid van de kinderrechter om kennis te nemen van de onderhavige zaak dient te worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (verder te noemen: Verordening Brussel II bis).

Op grond van artikel 8 Verordening Brussel II bis zijn in zaken met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid, waaronder mede wordt begrepen de uitoefening van het gezagsrecht, de gerechten bevoegd van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfsplaats heeft op het moment dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Ingevolge artikel 16 Verordening Brussel II bis wordt een zaak bij een gerecht geacht aanhangig te zijn gemaakt op het tijdstip waarop het stuk waarmee het geding wordt ingeleid of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft gelaten de vereiste stappen te nemen teneinde het stuk aan de verweerder te doen betekenen of mede te delen.

Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is te beslissen op het verzoek van de Raad, nu dit verzoek op 13 september 2007 bij de rechtbank is ingediend en de moeder nog maar sinds kort in Duitsland woont.

De kinderrechter komt aldus toe aan een inhoudelijke beoordeling.

Uit de overgelegde bescheiden en het verhandelde ter zitting blijkt naar het oordeel van de kinderrechter, dat de voorwaarde, in artikel 254, lid 1, Boek 1, Burgerlijk Wetboek, voor ondertoezichtstelling gesteld, is vervuld. Vast is komen te staan dat andere middelen in vrijwillig kader hebben gefaald om te voorkomen dat de minderjarigen in hun zedelijke en geestelijke belangen worden bedreigd.

Na psychologisch onderzoek van [A.] is aangegeven dat haar psychoseksuele ontwikkeling reden tot zorg geeft. Het is aannemelijk dat zij te maken heeft gehad met grensoverschrijdend gedrag van mannen, mogelijk van de kant van vreemden, mede gelet op haar eigen uitspraken. Daarnaast vertoont [A.] een niet leeftijdsadequate angst voor vreemden. Door de conflicterende ouders wordt [A.] niet in staat gesteld de gescheiden situatie als veilig en betrouwbaar te ervaren, waarbij beide ouders emotioneel beschikbaar voor haar zijn. Er is sprake van een dreiging met betrekking tot haar bestaanszekerheid. [A.] heeft last van angsten en heeft zorgen vanwege haar ouders.

Uit het psychologisch onderzoek van [B.] is gebleken dat er voor hem vanwege de echtscheidingsproblematiek een grote dreiging bestaat, omdat zijn ontwikkelingsproblematiek daardoor in negatief opzicht versterkt wordt. Voorts is bij hem sprake van een psychomotorische functiestoornis.

Beide kinderen hebben behoefte aan een veilige en voorspelbare opvoedingssituatie, waarbij met name voor [B.] een gestructureerde en zeer overzichtelijke opvoedingssituatie nodig is. De ouders zijn niet voldoende in staat gebleken om de kinderen een veilige en voorspelbare opvoedingssituatie te bieden, hetgeen mede het gevolg is van de echtscheidingsproblematiek. De ouders zijn door hun relatieproblematiek niet goed in staat om elkaar adequaat als ouders aan te spreken. De ouders verschillen van mening over het seksueel misbruik van [A.] en zij verschillen van opvatting over hoe zij de kinderen ervaren, alsmede over de gesignaleerde problematiek. Gelet op deze meningsverschillen is (vrijwillige) hulpverlening uitgebleven.

De kinderrechter ziet, gelet op het vorenstaande, aanleiding om de ondertoezichtstelling uit te spreken.

BESLISSING

stelt de minderjarigen [A.] en [B.] met ingang van heden onder toezicht en draagt de ondertoezichtstelling op aan het bureau jeugdzorg (bjz) te Groningen, p/a Postbus 1203 voor een termijn van 1 jaar.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven te Groningen door mr. B.J.H. Hofstee, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2007.