Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB6506

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
18/635245-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tekortschieten van eigenaar/opdrachtgever en uitvoerder ten aanzien van werkzaamheden op een gasbehandelingsinstallatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/635245-05

datum uitspraak: 25 oktober 2007

op tegenspraak

raadsman: mr. J. Italianer

V O N N I S

van de rechtbank te Groningen, meervoudige economische strafkamer, in de zaak tegen:

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (NAM),

Schepersmaat 2,

9405 TA Assen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 oktober 2007.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat

zij,

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 mei 2005, althans in of omstreeks de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 mei 2005,

althans in of omstreeks de maand mei 2005, althans op of omstreeks 31 mei 2005,

in de gemeente Eemsmond, in ieder geval in Nederland,

als werkgeefster, als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

tezamen en in vereniging met één of meer andere werkgever(s), althans alleen,

handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met voornoemde wet en/of de daarop berustende bepalingen,

aangezien zij toen aldaar (telkens)in of op de gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum

gelegen aan de Westervalge in of nabij Warffum, op of aan tank T-3

in of op die gasbehandelinsinstallatie op de locatie Warffum

zijnde een arbeidsplaats, door één of meerdere van haar werknemer(s) en/of

één of meerdere werknemer(s) van haar mededader(s), te weten (onder andere) [slachtoffer 1] [geboortedatum][geboorteplaats]

en/of [slachtoffer 2], [geboortedatum][geboortplaats]

en/of [slachtoffer 3]geboortedatum] [geboorteplaats], arbeid deed verrichten,

bestaande uit las- en/of slijp- en/of constructie- en/of reconstructie-

en/of renovatie- en/of (overige) werkzaamheden,

terwijl (telkens) niet was voldaan aan één of meer van de voorschriften,

gesteld bij en/of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

te weten de/het voorschrift(en) vastgelegd in:

- artikel 3 lid 1 onder a en/of onder b van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

immers,

- werd door verdachte en/of haar mededader(s)de arbeid niet zodanig georganiseerd,

dat daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en/of de gezondheid

van de werknemer(s)

en/of

- werden de gevaren en/of risico's voor de veiligheid en/of gezondheid

van de werknemer(s) van verdachte en/of haar mededader(s), niet zoveel mogelijk in eerste

aanleg bij de bron daarvan voorkomen en/of beperkt, aangezien,

niet en/of onvoldoende (kritisch) was beschouwd, of de inhoud van de tanks T-2 en/of T-3

en/of de vaten V-9 en/of V-19 binnen de bundwall (ook) geledigd en/of gereinigd waren of

moesten worden om veilig binnen de bundwall te kunnen werken en/of tank T-3 niet buiten

gebruik was gesteld, en/of tank T-3 niet was ontdaan van aardgascondensaat

en/of niet was geledigd en/of gereinigd,

en/of

- artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, immers,

had verdachte er niet voor gezorgd, dat de werknemer(s) van verdachtes mededader(s),

te weten de voorman van de lasser(s) en/of de lasser(s), althans voornoemde bij naam

genoemde werknemers, doeltreffend werden/waren ingelicht over de te verrichten

werkzaamheden en/of de daaraan verbonden risico's,

aangezien (onder andere) die werknemer(s) niet op de hoogte waren van

of niet geïnformeerd waren over de inhoud van tank T-3, te weten (onder andere)

aardgascondensaat, en/of die werknemer(s) niet op de hoogte waren gesteld

van het feit dat op of nabij tank T-3 geen heet werk was toegestaan,

en/of die werknemer(s) niet geïnformeerd was/waren welke risico's er waren met het lassen

op of aan tank T-3,

en/of

- artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, immers, werd niet - voldoende -

toegezien op de naleving van de instructies en/of voorschriften gericht op het voorkomen

en/of beperken van de in het eerste lid - van artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet

1998 - genoemde risico's, aangezien (onder andere) het toezicht op de arbeidsplaats

door verdachte was toegewezen aan iemand die niet over de/het, door verdachte

voorgeschreven, althans juiste, diploma('s) beschikte en/of onervaren was en/of die niet of

minimaal werd gecoached, en/of werd, door (de) daarvoor aangewezen perso(o)n(en),

te weten (onder andere) de he(e)r(en)[medewerker 1] en/of [medewerker 2],

onvoldoende toezicht gehouden,

en/of

- artikel 19 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, immers, werkte(n) verdachte en/of

verdachtes mededader(s) in het bedrijf en/of de inrichting, althans in of op de

gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum, zijnde een bedrijf en/of inrichting

waar verschillende werkgevers arbeid lieten verrichten,

niet onderling op doelmatige wijze samen teneinde de naleving van het bij of krachtens

de Arbeidsomstandighedenwet 1998 bepaalde te verzekeren, aangezien

(onder andere) een medewerker van verdachte, die belast was met (onder andere) het toezicht

op de veiligheid en die - vrijwel continu - op de arbeidsplaats aanwezig was,

niet op de hoogte was van het feit dat er op tank T-3 werd gelast of zou worden gelast

door één of meer medewerker(s) van verdachtes mededader(s),

en/of

- artikel 2.41 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers, werd in of op de

gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum, zijnde - toen - een in gebruik zijnde

bemande arbeidsplaat, in de winningsindustrie, geen toezicht uitgeoefend door een

verantwoordelijk persoon, althans werd door de heer van [medewerker 3] en/of de heer [medewerker1]

en/of de heer[medewerker 2], geen - adequaat - toezicht op de heer [medewerker 4] uitgeoefend,

en/of werd door en/of op [medewerker 4], die - onder dispensatie - was belast met

het toezicht op de gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum, geen of onvoldoende - adequaat - toezicht gehouden,

en/of

- artikel 2.41 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers, werden werkzaamheden

waaraan een bijzonder gevaar was verbonden niet uitsluitend opgedragen aan vakbekwaam

personeel met voldoende ervaring en uitgevoerd overeenkomstig de verstrekte instructies,

aangezien de/een verantwoordelijk(e) medewerker van verdachte – [medewerker 4] -

op de arbeidsplaats, niet over de/het, door verdachte voorgeschreven,

althans juiste, diploma('s) beschikte en/of onervaren was,

en/of

- artikel 2.41 lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers, werd op de arbeidsplaats

niet op een te begrijpen wijze gecommuniceerd, aangezien

tanks T-1 en T-3 met bouwhekken waren afgescheiden van de andere tanks (T-2, V-9 en

V-19) binnen de bundwall, waardoor bij werknemer(s) van verdachte

en/of de werknemer(s) van haar mededader(s), ter plekke het onjuiste beeld ontstond,

dat de onveilige tanks achter bouwhekken 'veiliggesteld waren' en de overige tanks (T-1 en

T-3) 'veilig' waren, en/of aangezien bij één of meer werknemer(s) geen of onvoldoende

duidelijkheid bestond over de daadwerkelijke inhoud van (onder andere) tank T-3,

en/of

- artikel 3.34 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers,

hebben op 30 en/of 31 mei 2005 er op tank T-3 (in zone 0), laswerkzaamheden

plaatsgevonden, in een zone waar gevaar voor verstikking en/of bedwelming en/of

vergiftiging danwel brand en/of explosie bestond, zonder dat (op de werkvergunning)

de benodigde, explosievoorkomende, maatregelen, overeenkomstig artikel 4.6 van het

Arbeidsomstandighedenbesluit, werden/waren (op-)genomen om dat gevaar te voorkomen,

en/of

- artikel 8.12 lid 1 onder a en b van de Arbeidsomstandighedenregeling immers,

waren de reservoirs, die gebruikt werden bij opslag

- van gevaarlijke enkelvoudige stoffen, als omschreven in de richtlijn nr. 67/548/EEG van

de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge

aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling,

de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196)

en/of

- van gevaarlijke meervoudige stoffen, als omschreven in de richtlijn nr. 1999/45/EG van

het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de

onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid-staten

inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten

(PbEG L 200) alsmede de zichtbare leidingen die de hiervoor bedoelde

enkelvoudige en/of meervoudige stoffen bevatten en/of waardoor deze stoffen werden

getransporteerd, niet voorzien van de in bovenbedoelde richtlijnen voorgeschreven

gevaarssymbolen, aangezien de reservoirs en/of leidingen (alleen) waren voorzien van

de - diamantvormige - (Amerikaanse) NFPA-codering,

terwijl naar verdachte wist of redelijkerwijs moest weten, dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meerdere werknemer(s) van haar, verdachte, en/of van verdachtes mededader(s) ontstond of te verwachten was,

immers is op 31 mei 2005 bij voornoemd las- en/of slijp- en/of constructie- en/of reconstructie-

en/of renovatie- en/of (overige) werkzaamheden op of aan tank T-3 een brand en/of een explosie ontstaan, tengevolge waarvan twee werknemers zijn overleden en één werknemer (ernstig) gewond is geraakt;

art 32 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet 1998

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van 150.000 euro.

Nadere motiveringen

Rechtspersoon

Door de officier van justitie is de NAM als rechtspersoon gedagvaard. Volgens de wetgeving en jurisprudentie kan een rechtspersoon worden aangemerkt als dader indien de gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Een gedraging is redelijkerwijs aan een rechtspersoon toe te rekenen, wanneer de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van deze rechtspersoon. Dit is onder meer het geval wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf.

De gedragingen die in de dagvaarding staan omschreven zijn gedragingen die voortvloeien uit de normale werksfeer van de NAM en vallen onder haar normale bedrijfsvoering.

Deze gedragingen omvatten met name organisatorische en procesmatige fouten die zijn gemaakt, waardoor de explosie zich op 31 mei 2005 heeft kunnen voordoen. Dit zijn fouten die de rechtspersoon in zijn geheel kunnen worden toegerekend. De NAM heeft ter zitting en in het door de NAM en GTI opgestelde onderzoeksrapport welke zich in het procesdossier bevindt, ook aangegeven de volledige verantwoordelijkheid te nemen voor deze fouten. De rechtspersoon NAM kan dan ook als dader worden aangemerkt.

Medeplegen

Het onderhavige feit is tenlastegelegd in de vorm van medeplegen van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1994 (Hierna genoemd Aw 1998). Uit de processtukken kan worden opgemaakt dat door de NAM samen met ingenieursbureau [X] en onder meer GTI een consortiumcontract was gesloten, te weten het contract Landelijke Onshore Projecten (LOP). Uit dit contract vloeide voort dat door de NAM een aannemingsopdracht aan ingenieursbureau [X] werd verstrekt. De feitelijke uitvoering (zoals o.a. constructie- en laswerkzaamheden) werd door [X] uitbesteed aan GTI.

Uit bovengenoemde contractuele verhouding kan worden afgeleid dat de NAM en medeverdachte GTI opzet hebben gehad op een nauwe en bewuste samenwerking. Derhalve is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen.

Verweren met betrekking tot subonderdelen in tenlastelegging

Door de raadsman zijn met betrekking tot de afzonderlijke onderdelen van de tenlastelegging enkele verweren gevoerd. De rechtbank zal de gevoerde verweren hieronder nader spreken. Eveneens zal de rechtbank ambtshalve ten aanzien van enkele subonderdelen haar standpunt hieronder nader motiveren.

Subonderdeel artikel 3 lid 1 a en/of b Aw 1998

Ten aanzien van het onderdeel artikel 3 lid 1 a en/of b Aw heeft de raadsman het verweer gevoerd dat in de tenlastelegging staat vermeld dat, om veilig te kunnen werken, in dit concrete geval het reinigen en gasvrij maken van tank 3, verder aan te duiden met T-3,

de enige juiste maatregel zou zijn geweest.

Uit het dossier blijkt, aldus de raadsman, dat wanneer op T-3 positieve isolatie zou zijn aangebracht of een stikstofdeken over het watercondensaat zou zijn gelegd, er ook veilig gewerkt had kunnen worden. Het enkel leegmaken en gasvrij maken brengt niet mee dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten, dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meerdere werknemers te verwachten was, omdat er nog andere opties waren.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat er mogelijk andere beschermende maatregelen denkbaar waren, op grond waarvan het reinigen en gasvrij maken van T-3 niet noodzakelijk zou zijn geweest. Echter in het onderhavige geval zijn deze maatregelen door de NAM noch GTI genomen. Noch de NAM noch GTI heeft positieve isolatie aangebracht of een stikstofdeken over het watercondensaat gelegd. Derhalve kan aan dit verweer van de raadsman voorbij worden gegaan.

Subonderdeel artikel 8 lid 4 Aw 1998

Met betrekking tot artikel 8 lid 4 Aw 1998 heeft de raadsman aangevoerd dat in de laatste zin van dit onderdeel het verwijt wordt geformuleerd dat [medewerker 1] en/of [medewerker 2] onvoldoende toezicht zouden hebben gehouden. Naar de mening van de raadsman wordt [medewerker 2] hier ten onrechte genoemd omdat hij alleen in de periode maart 2005 in Warffum is geweest om toezicht te houden op de spoelwerkzaamheden van de [firma 1].

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Uit de verklaring van [medewerker 2] d.d. 4 november 2005, (map 3), blijkt dat hij vanaf maart 2005 tot 23 of 24 maart 2005 betrokken was bij de zesjaarlijkse inspectiestop van Warffum en dat hij samen, afwisselend met [medewerker 5] en [medewerker 4], toezicht hield op de daadwerkelijke spoelwerkzaamheden.

Voorts verklaart [medewerker 1] op 21 september 2005: ”Doordat [medewerker 4] aan mij toegewezen werd voor de begeleiding van het project Warffum, werd ik formeel verantwoordelijk voor hem.(..) Ik was het er ook niet mee eens dat hij het werk van [medewerker 2] ging overnemen.

Gelet op bovenstaande verklaringen is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat [medewerker 2] ten onrechte in de tenlastelegging wordt genoemd. De rechtbank zal verdachte derhalve voor het onderdeel ‘[medewerker 2]’ vrijspreken.

Subonderdeel artikel 2.41 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit

Met betrekking tot het onderdeel van de tenlastelegging aangaande artikel 2.41 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat verdachte voor dit onderdeel moet worden vrijgesproken. In de tenlastelegging wordt het verwijt gemaakt dat er geen sprake zou zijn geweest van toezicht door een verantwoordelijke persoon. Uit het dossier blijkt echter dat er wel degelijk sprake was van een verantwoordelijke persoon in de zin van de wet, namelijk [medewerker 4]. Of deze persoon voldoende gekwalificeerd was, is niet relevant voor dit onderdeel van de tenlastelegging.

Subonderdeel artikel 2.41 lid 2 Arbeidsomstandighedenbesluit

Naar de mening van de raadsman volgt uit de tekst van artikel 2.41 lid 2 Arbeidsomstandighedenbesluit dat er sprake dient te zijn van een directe relatie tussen de werkzaamheden en het bijzondere gevaar. De werkzaamheden van [medewerker 4] bestonden voornamelijk uit het toezicht houden op de locatie waaronder het verstrekken van een werkvergunning. Nu aan het toezicht zelf geen gevaar verbonden is, moet verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken aldus de raadsman.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het verband tussen de werkzaamheden van [medewerker 4] en het bijzondere gevaar te ver is verwijderd om van een handeling in strijd met het bepaalde in art. 2.41 lid 2 Arbeidsomstandighedenbesluit te kunnen spreken. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

Subonderdeel artikel 2.41 lid 5 Arbeidsomstandighedenbesluit

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit subonderdeel van de tenlastelegging dat verdachte moet worden vrijgesproken. Bij wetswijziging van 5 december 2006, in werking getreden op 1 januari 2007, is het tenlastegelegde artikel komen te vervallen. Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis is er ten aanzien van dit artikel sprake van een gewijzigd inzicht van de wetgever en is de strafbaarheid niet langer gewenst. Zoals blijkt uit artikel 1, lid 2, Wetboek van Strafrecht moet in een dergelijk geval de voor de verdachte meest gunstige bepaling worden toegepast. De rechtbank zal daarom verdachte van dit subonderdeel van de tenlastelegging vrijspreken. Gelet op deze vrijspraak komt de rechtbank niet toe aan het verweer van de raadsman ten aanzien van de communicatie als bedoeld in voormeld artikellid.

Subonderdeel artikel 3.34 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit

De rechtbank overweegt over dit subonderdeel het navolgende.

Het onderhavige artikel is na een wijziging inwerking getreden op 1 januari 2007. De nieuwe wettekst luidt: ‘In zones waar de atmosfeer in zodanige mate stoffen bevat dat daardoor een gevaar voor explosie bestaat worden maatregelen genomen om dat gevaar te voorkomen.

Op het tijdstip waarop het feit is begaan luidde de wettekst:’In zones waar gevaar voor verstikking, bedwelming of vergiftiging dan wel brand of explosie bestaat, zijn, overeenkomstig artikel 4.6, de benodigde maatregelen genomen om dat gevaar te voorkomen.’

De oude wettekst stelde dat er alleen maatregelen in overeenstemming met artikel 4.6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit moesten worden genomen om gevaar te voorkomen. Op grond van de huidige wettekst moeten er maatregelen (dus maatregelen in meer algemene zin) worden genomen om gevaar te voorkomen. Dit omvat een grotere reeks aan maatregelen dan op grond van de vroegere wettekst werd vereist. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad nu artikel 3.34 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit (oud) in de tenlastelegging wordt toegepast. De rechtbank acht daarom bewezen wat is tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij, in de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 mei 2005, in de gemeente Eemsmond,

als werkgeefster, als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

tezamen en in vereniging met een andere werkgever handelingen heeft verricht en nagelaten in strijd met voornoemde wet en de daarop berustende bepalingen,

aangezien zij toen aldaar op de gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum

gelegen aan de Westervalge nabij Warffum, op of aan tank T-3 op die gasbehandelinsinstallatie op de locatie Warffum zijnde een arbeidsplaats, door haar werknemers en

werknemers van haar mededader, te weten (onder andere)[slachtoffer 1], [geboortedatum] [geboorteplaats]

en [slachtoffer 2] [geboortdedatum] [geboorteplaats]en [slachtoffer 3] [geboortedatum] [geboorteplaats] arbeid deed verrichten,

bestaande uit las- en/of slijp- en/of constructie- en/of reconstructie-

en/of renovatie- en/of (overige) werkzaamheden,

terwijl niet was voldaan aan voorschriften,

gesteld bij en/of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

te weten voorschriften vastgelegd in:

- artikel 3 lid 1 onder a en onder b van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

immers,

- werd door verdachte en haar mededader de arbeid niet zodanig georganiseerd,

dat daarvan geen nadelige invloed uitging op de veiligheid en/of de gezondheid

van de werknemers

en

- werden de gevaren en/of risico's voor de veiligheid en/of gezondheid

van de werknemers van verdachte en haar mededader, niet zoveel mogelijk in eerste

aanleg bij de bron daarvan voorkomen en/of beperkt, aangezien,

niet en/of onvoldoende (kritisch) was beschouwd, of de inhoud van de tank T-3

binnen de bundwall (ook) geledigd en/of gereinigd was of

moest worden om veilig binnen de bundwall te kunnen werken en/of tank T-3 niet buiten

gebruik was gesteld, en/of tank T-3 niet was ontdaan van aardgascondensaat

en/of niet was geledigd en/of gereinigd,

en

- artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, immers,

had verdachte er niet voor gezorgd, dat de werknemers van verdachtes mededader,

te weten de voorman van de lassers en/of de lassers, doeltreffend werden/waren ingelicht over

de te verrichten werkzaamheden en/of de daaraan verbonden risico's,

aangezien (onder andere) die werknemers niet op de hoogte waren van

of niet geïnformeerd waren over de inhoud van tank T-3, te weten (onder andere)

aardgascondensaat, en/of die werknemers niet op de hoogte waren gesteld

van het feit dat op of nabij tank T-3 geen heet werk was toegestaan,

en/of die werknemers niet geïnformeerd waren welke risico's er waren met het lassen

op of aan tank T-3,

en

- artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, immers, werd niet - voldoende -

toegezien op de naleving van de instructies en/of voorschriften gericht op het voorkomen

en/of beperken van de in het eerste lid - van artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet

1998 - genoemde risico's, aangezien (onder andere) het toezicht op de arbeidsplaats

door verdachte was toegewezen aan iemand die niet over het, door verdachte

voorgeschreven, diploma beschikte en onervaren was en die niet of

minimaal werd gecoached, en/of werd, door de daarvoor aangewezen persoon,

te weten de heer [medewerker1] onvoldoende toezicht gehouden,

en

- artikel 19 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, immers, werkten verdachte en

verdachtes mededader op de gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum, zijnde een

inrichting waar verschillende werkgevers arbeid lieten verrichten,

niet onderling op doelmatige wijze samen teneinde de naleving van het bij of krachtens

de Arbeidsomstandighedenwet 1998 bepaalde te verzekeren, aangezien

(onder andere) een medewerker van verdachte, die belast was met (onder andere) het toezicht

op de veiligheid en die - vrijwel continu - op de arbeidsplaats aanwezig was,

niet op de hoogte was van het feit dat er op tank T-3 werd gelast of zou worden gelast

door medewerkers van verdachtes mededader,

en

- artikel 3.34 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers,

hebben op 30 en 31 mei 2005 er op tank T-3 (in zone 0), laswerkzaamheden

plaatsgevonden, in een zone waar gevaar voor verstikking en/of bedwelming en/of

vergiftiging danwel brand en/of explosie bestond, zonder dat (op de werkvergunning)

de benodigde, explosievoorkomende, maatregelen, overeenkomstig artikel 4.6 van het

Arbeidsomstandighedenbesluit, waren (op-)genomen om dat gevaar te voorkomen,

en

- artikel 8.12 lid 1 onder a en b van de Arbeidsomstandighedenregeling immers,

waren de reservoirs, die gebruikt werden bij opslag

- van gevaarlijke enkelvoudige stoffen, als omschreven in de richtlijn nr. 67/548/EEG van

de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1967 betreffende de onderlinge

aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling,

de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PbEG L 196)

en

- van gevaarlijke meervoudige stoffen, als omschreven in de richtlijn nr. 1999/45/EG van

het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 mei 1999 betreffende de

onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid-staten

inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten

(PbEG L 200) alsmede de zichtbare leidingen die de hiervoor bedoelde

enkelvoudige en/of meervoudige stoffen bevatten en/of waardoor deze stoffen werden

getransporteerd, niet voorzien van de in bovenbedoelde richtlijnen voorgeschreven

gevaarssymbolen, aangezien de reservoirs en/of leidingen (alleen) waren voorzien van

de - diamantvormige - (Amerikaanse) NFPA-codering,

terwijl naar verdachte redelijkerwijs moest weten, dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meerdere werknemer(s) van haar, verdachte, en/of van verdachtes mededader ontstond of te verwachten was,

immers is op 31 mei 2005 bij voornoemde las- en/of slijp- en/of constructie- en/of reconstructie-

en/of renovatie- en/of (overige) werkzaamheden op of aan tank T-3 een brand en een explosie ontstaan, tengevolge waarvan twee werknemers zijn overleden en één werknemer gewond is geraakt.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

- Medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van verdachte

Nu terzake van verdachte niet is gebleken van enige strafuitsluitingsgrond, is de rechtbank van oordeel dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Geldboete

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. Verdachte heeft taken onvoldoende uitgevoerd en verantwoordelijkheden niet genomen en heeft onvoldoende met betrokken partijen gecommuniceerd. Voorts werden belangrijke taken toebedeeld aan personen die hiervoor niet de vereiste diploma’s en ervaring hadden. Eveneens waren de tanks e.d. niet voorzien van de vereiste gevaarsymbolen. Door de handelwijze van verdachte heeft zich op 31 mei 2005 een explosie voorgedaan waarbij twee personen zijn overleden en één persoon gewond is geraakt.

De traumatische gevolgen die het ongeval voor de nabestaanden en de slachtoffers heeft gehad zijn enorm geweest. Ter zitting hebben nabestaanden van de beide omgekomen slachtoffers dit door middel van hun verklaring op een aangrijpende manier duidelijk gemaakt. De rechtbank zal bij de op te leggen straf met deze gevolgen rekening houden.

De rechtbank merkt op dat geen enkele straf recht kan doen aan de gevolgen die het ongeval heeft gehad voor slachtoffers en nabestaanden.

Nu het feit is gepleegd door een rechtspersoon is slechts het opleggen van een geldboete als (hoofd)straf aan de orde.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de verantwoordelijkheid van zowel de NAM als GTI, niet met vrucht kan worden gesteld dat er voor wat betreft een op te leggen geldboete onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen verdachten omdat de ene verdachte ten opzichte van de andere meer of minder verwijtbaar zou hebben gehandeld. De rechtbank houdt verdachten in gelijke mate verantwoordelijk voor het gebeuren.

Het bewezen en strafbaar verklaarde feit kan niet meermalen worden gepleegd. Dit vloeit voort uit de tekst van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet. Hierin is onder meer opgenomen dat “levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers ontstaat of te verwachten is”. Aldus geredigeerd is er sprake van een meervoudige delictsomschrijving. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan een op te leggen geldboete dan ook niet worden vermenigvuldigd met het aantal slachtoffers dat ten gevolge van het gebeuren valt te betreuren.

Op grond van het bepaalde in artikel 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht dienen de oude bepalingen met betrekking tot de hoogte van op te leggen geldboetes te worden toegepast. Gelet op datgene wat is gebeurd is de rechtbank echter van oordeel dat een geldboete van de toepasselijke categorie, te weten de 4e, nu het rechtspersonen betreft, geen passende bestraffing inhoudt. De rechtbank zal om die reden de maximale boete van de 5e categorie opleggen.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomene, te weten een deel van een aardgaswininstallatie, moet worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat dit aan verdachte toebehoort en dat het strafbare feit met behulp hiervan is begaan.

De andere in beslaggenomen bescheiden, te weten een MASTER COPY RFC pakket Warffum Facilities Renovation G20 en een map WRF werkvergunningen Origineel, kunnen worden teruggegeven aan de rechthebbende.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23, 24, 33, 33a, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 3, 8, 19 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, artikel 3.34 van het Arbeidsomstandig-hedenbesluit en artikel 8.12 Arbeidsomstandighedenregeling.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een geldboete van 45.000 euro

Verklaart verbeurd:

-een deel van een aardgaswininstallatie;

Gelast teruggave van:

-een MASTER COPY RFC pakket Warffum Facilities Renovation G20;

-een map WRF werkvergunningen Origineel

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. R.P. van Eerde, voorzitter, F.J. Agema en P.H.M. Smeets, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. de Jong, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2007.