Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB6505

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
25-10-2007
Zaaknummer
18/635035-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tekortschieten van eigenaar/opdrachtgever en uitvoerder ten aanzien van werkzaamheden op een gasbehandelingsinstallatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/635035-06

datum uitspraak: 25 oktober 2007

op tegenspraak

raadsman: mr. B.J. Schmitz

V O N N I S

van de rechtbank te Groningen, meervoudige economische strafkamer, in de zaak tegen:

GTI Industrie Noordoost BV,

Pekelwerk 12,

9663 AW Nieuwe Pekela.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 oktober 2007.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd: dat zij, op één of meer tijdstippen

in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 mei 2005,

althans in of omstreeks de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 mei 2005,

althans in of omstreeks de maand mei 2005, althans op of omstreeks 31 mei 2005,

in de gemeente Eemsmond, in ieder geval in Nederland,

als werkgeefster, als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

tezamen en in vereniging met één of meer andere werkgever(s), althans alleen,

handelingen heeft verricht en/of nagelaten

in strijd met voornoemde wet en/of de daarop berustende bepalingen,

aangezien zij toen aldaar (telkens)

in of op de gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum

gelegen aan de Westervalge in of nabij Warffum,

op of aan tank T-3 in of op die gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum

zijnde een arbeidsplaats, door één of meerdere van haar werknemer(s)

en/of één of meerdere werknemer(s) van haar mededader(s),

te weten (onder andere) [slachtoffer 1][geboortedatum][geboorteplaats]

en/of [slachtoffer 2] [geboortedatum][geboorteplaats]en/of [slachtoffer 3] [geboortedatum][geboorteplaats],

arbeid deed verrichten, bestaande uit las- en/of slijp- en/of constructie- en/of reconstructie-

en/of renovatie- en/of (overige) werkzaamheden,

terwijl (telkens) niet was voldaan aan één of meer van de voorschriften,

gesteld bij en/of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

te weten de/het voorschrift(en) vastgelegd in:

- artikel 3 lid 1 onder a en/of onder b van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

immers,

- werd door verdachte en/of haar mededader(s) de arbeid niet zodanig georganiseerd,

dat daarvan geen nadelige invloed uitging

op de veiligheid en/of de gezondheid van de werknemer(s)

en/of

- werden de gevaren en/of risico's voor de veiligheid en/of gezondheid van de werknemer(s)

van verdachte en/of haar mededader(s), niet zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron

daarvan voorkomen en/of beperkt, aangezien,

niet en/of onvoldoende (kritisch) was beschouwd, of de inhoud van de tanks T-2 en/of T-3

en/of de vaten V-9 en/of V-19 binnen de bundwall

(ook) geledigd en/of gereinigd waren of moesten worden

om veilig binnen de bundwall te kunnen werken

en/of tank T-3 niet buiten gebruik was gesteld,

en/of tank T-3 niet was ontdaan van aardgascondensaat

en/of niet was geledigd en/of gereinigd,

en/of

- artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

immers, had verdachte er niet voor gezorgd,

dat de werknemer(s) van verdachte en/of andere werknemer(s),

te weten de voorman - de [medewerker 1] - van de lasser(s) en/of de lasser(s),

en/of voornoemde bij naam genoemde werknemers,

doeltreffend werden/waren ingelicht

over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's,

aangezien

(onder andere) die werknemer(s) niet op de hoogte waren van

of niet geïnformeerd waren over de inhoud van tank T-3,

te weten (onder andere) aardgascondensaat,

en/of die werknemer(s) niet op de hoogte waren gesteld

van het feit dat op of nabij tank T-3 geen heet werk was toegestaan,

althans die werknemer(s) niet geïnformeerd was/waren

welke risico's er waren met het lassen op of aan tank T-3,

en/of

- artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

immers, had verdachte niet toegezien op de naleving van de instructies

en/of voorschriften gericht op het voorkomen

en/of beperken van de in het eerste lid - van artikel 8 van

de Arbeidsomstandighedenwet 1998 - genoemde risico's,

aangezien (door de he(e)r(en) [medewerker 2] en/of [medewerker 3])

geen (nadere) controle werd uitgeoefend

op de naleving van de instructie(s) en/of de/het voorschrift(en),

zoals gegeven op de werkvergunning(en),

door de voorman – [medewerker 1] - van de lasser(s) en/of de lasser(s),

en/of dat niet werd gecontroleerd of

de voorman – [medewerker 1] - van de lasser(s) en/of de lasser(s)

de inhoud van - de instructie(s) en/of het/de voorschrift(en) van -

de werkvergunning(en) hadden begre(e)p(en),

en/of

- artikel 19 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

immers, had verdachte, nu er in het bedrijf en/of de inrichting,

althans in of op de gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum,

verschillende werkgevers arbeid deden verrichten,

niet onderling op doelmatige wijze samengewerkt

- met die andere werkgever(s) - teneinde de naleving van het bij

of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998

bepaalde te verzekeren, aangezien

bij de totstandkoming van het veiligstelplan

en/of de totstandkoming van het specifiek V&G plan niet

en/of op onvoldoende wijze was samengewerkt tussen

de betrokken werkgevers en/of door de betrokken bedrijfsonderdelen van die werkgevers,

in ieder geval de samenwerking niet (voldoende) doelmatig is geweest en

(mede daardoor) een brand en/of explosie

op 31 mei 2005 niet is voorkomen,

en/of de [medewerker 2] de veiligstelwerkzaamheden,

- uitgevoerd door GTI-OMC B.V. -

had moeten overnemen en/of controleren,

en/of

- artikel 2.41 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers, werden werkzaamheden waaraan een bijzonder gevaar was verbonden

niet uitsluitend opgedragen aan vakbekwaam personeel met voldoende ervaring

en uitgevoerd overeenkomstig de verstrekte instructies,

aangezien

de/een verantwoordelijk(e) medewerker van verdachte - de [medewerker 1] -

op de arbeidsplaats

- geen ervaring had opgedaan als voorman en/of

- niet bekend was met het werkvergunningensysteem dat werd gehanteerd en/of

- geen kennis had van wat er op een werkvergunning stond

en/of behoorde te staan,

en/of

- artikel 2.41 lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers, werd op de arbeidsplaats niet op een te begrijpen wijze gecommuniceerd,

aangezien

tanks T-1 en T-3 met bouwhekken waren

afgescheiden van de andere tanks (T-2, V-9 en V-19)

binnen de bundwall, waardoor bij werknemer(s) van verdachte

en/of de werknemer(s) van haar mededader(s),

ter plekke het onjuiste beeld ontstond,

dat de onveilige tanks achter bouwhekken 'veiliggesteld waren'

en de overige tanks (T-1 en T-3) 'veilig' waren,

en/of aangezien bij één of meer werknemer(s)

geen of onvoldoende duidelijkheid bestond

over de daadwerkelijke inhoud van (onder andere) tank T-3,

en/of

- artikel 3.34 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers, werd(en) in (een) zone(s) waar gevaar voor verstikking

en/of bedwelming en/of vergiftiging

dan wel brand en/of explosie bestond, te weten in zone 0,

althans binnen de bundwall, geen maatregel(en) genomen,

overeenkomstig artikel 4.6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

om dat gevaar te voorkomen,

aangezien er, zonder dat er voldoende of adequate

voorzorgsmaatregelen waren getroffen,

laswerkzaamheden hebben plaatsgevonden op of aan tank T-3,

in een zone waar bovengenoemd gevaar bestond,

immers was in tank T-3 (onder andere) aardgascondensaat opgeslagen,

terwijl naar verdachte wist of redelijkerwijs moest weten,

dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid

van één of meerdere werknemer(s)

van haar, verdachte, en/of van verdachtes mededader(s)

ontstond of te verwachten was,

immers is op 31 mei 2005 bij voornoemde

las- en/of slijp- en/of constructie- en/of reconstructie-

en/of renovatie- en/of (overige) werkzaamheden

op of aan tank T-3 een brand en/of een explosie ontstaan,

tengevolge waarvan twee van haar werknemers zijn overleden

en één van haar werknemers (ernstig) gewond is geraakt;

art 32 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet 1998

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een geldboete van 100.000 euro.

Nadere motiveringen

Rechtspersoon

Door de officier van justitie is GTI als rechtspersoon gedagvaard. Volgens de wetgeving en jurisprudentie kan een rechtspersoon worden aangemerkt als dader indien de gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Een gedraging is redelijkerwijs aan een rechtspersoon toe te rekenen, wanneer de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van deze rechtspersoon. Dit is onder meer het geval wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf.

De gedragingen die in de dagvaarding staan omschreven zijn gedragingen die voortvloeien uit de normale werksfeer van GTI en vallen onder haar normale bedrijfsvoering.

Deze gedragingen omvatten met name organisatorische en procesmatige fouten die zijn gemaakt, waardoor de explosie zich op 31 mei 2005 heeft kunnen voordoen. Dit zijn fouten die de rechtspersoon in zijn geheel kunnen worden toegerekend. GTI heeft ter zitting en in het door de NAM en GTI opgestelde onderzoeksrapport welke zich in het procesdossier bevindt, ook aangegeven de volledige verantwoordelijkheid te nemen voor deze fouten. De rechtspersoon GTI kan dan ook als dader worden aangemerkt.

Medeplegen

Het onderhavige feit is tenlastegelegd in de vorm van medeplegen van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1994 (Hierna genoemd Aw 1998). Uit de processtukken kan worden opgemaakt dat door de NAM samen met ingenieursbureau [X] en onder meer GTI een consortiumcontract was gesloten, te weten het contract Landelijke Onshore Projecten (LOP). Uit dit contract vloeide voort dat door de NAM een aannemingsopdracht aan ingenieursbureau [X] werd verstrekt. De feitelijke uitvoering (zoals o.a. constructie- en laswerkzaamheden) werd door [X] uitbesteed aan GTI.

Uit bovengenoemde contractuele verhouding kan worden afgeleid dat GTI en medeverdachte NAM opzet hebben gehad op een nauwe en bewuste samenwerking. Derhalve is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van medeplegen.

Verweren met betrekking tot subonderdelen in tenlastelegging

Door de raadsman zijn met betrekking tot de afzonderlijke onderdelen van de tenlastelegging enkele verweren gevoerd. De rechtbank zal de gevoerde verweren hieronder nader spreken. Eveneens zal de rechtbank ambtshalve ten aanzien van enkele subonderdelen haar standpunt hieronder nader motiveren.

Subonderdeel artikel 8 lid 4 Aw 1998

Met betrekking tot artikel 8 lid 4 Aw 1998 heeft de raadsman aangevoerd dat in de tenlastelegging staat vermeld dat GTI-medewerkers [medewerker 2] en/of [medewerker 3] geen nadere controle zouden hebben uitgeoefend op de naleving (door [medewerker 1] en/of lassers) van de instructies en/of voorschriften die zouden zijn gegeven op de werkvergunning. Naar de mening van de raadsman staan op de werkvergunning in het geheel geen instructies of voorschiften en dient verdachte voor dit subonderdeel te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer dat er op zowel de voor- als de achterkant van de werkvergunning instructies en voorschriften staan vermeld.

Zo staat op de voorkant van de werkvergunning een kopje ‘maatregelen te nemen door houder’ en bestaat de gehele achterkant uit instructies en voorschriften omtrent de werkvergunning en hoe met een werkvergunning moet worden omgegaan. Derhalve faalt dit verweer van de raadsman.

Subonderdeel artikel 19 lid 1 Aw 1998

De raadsman heeft met betrekking tot dit subonderdeel aangevoerd dat [medewerker 2] niet persoonlijk kan worden verweten dat hij de veiligstelwerkzaamheden van GTI-OMC niet heeft overgenomen of gecontroleerd, nu [medewerker 2] de veiligstelwerkzaamheden wel degelijk aan de orde heeft gesteld. Hij was juist degene die heeft verzocht het veiligstelplan te spiegelen aan de renovatiewerkzaamheden van LOP, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer het navolgende.

Blijkens het dossier zou op de locatie in Warffum voorafgaand aan het renovatieproject een zesjaarlijkse inspectiestop plaatsvinden. Deze inspectiestop zou worden uitgevoerd door een onderdeel van GTI, te weten GTI OMC BV. GTI industrie Noordoost BV., zijnde verdachte, zou de renovatiewerkzaamheden uitvoeren onder de paraplu van het eerdere genoemde LOP-contract. Hoewel de werkzaamheden rond de inspectiestop nog niet gereed waren is verdachte reeds met de renovatiewerkzaamheden aangevangen.

In het opgestelde Risico inventarisatie en evaluatie bouwveiligheid uitvoeringsfase (RI&E; Map 1, tab 20, nummer 8) staat onder punt 3.1 onder de kolom ‘omschrijving’ vermeld: ‘Veiligstelling wordt overgenomen van OMC.’ Onder de kolom ‘actie’ staat vermeld: ‘Controle status veiligstelling bij overname/overdracht door GTI’ en in de kolom ‘actie persoon’ staat vermeld: [initialen].

Onder meer uit de verklaring van [medewerker 2] zelf, blijkt dat hij verantwoordelijk was voor de controle op de veiligstelwerkzaamheden. [medewerker 2] was, (wederom blijkens zijn eigen verklaring) op de hoogte van het feit dat de renovatiewerkzaamheden reeds waren aangevangen. Naar het oordeel van de rechtbank had [medewerker 2] op grond van het onder 3.1 van de RI& E vermelde, bij aanvang van de renovatiewerkzaamheden, moeten controleren of alles veilig was.

Dat hij in een eerder stadium de veiligstelwerkzaamheden aan de orde heeft gesteld, doet hier niet aan af. Eveneens doet hier niet aan af dat er geen feitelijke overdacht heeft plaatsgevonden tussen GTI OMC en GTI Noordoost. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman.

Subonderdeel 2.41 lid 2 Arbeidsomstandighedenbesluit

De rechtbank is van oordeel dat het verband tussen de werkzaamheden van [medewerker 1] en het bijzondere gevaar te ver verwijderd is om van een handelen als bedoeld in art. 2.41 lid 2 Arbeidsomstandighedenbesluit te kunnen spreken. De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel vrijspreken.

Subonderdeel artikel 2.41 lid 5 Arbeidsomstandighedenbesluit

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit subonderdeel van de tenlastelegging dat verdachte moet worden vrijgesproken. Bij wetswijziging van 5 december 2006, in werking getreden op 1 januari 2007, is het tenlastegelegde artikel komen te vervallen. Blijkens de wetsgeschiedenis is er ten aanzien van dit artikel sprake van een gewijzigd inzicht van de wetgever en is de strafbaarheid niet langer gewenst.

Blijkens artikel 1, lid 2, Wetboek van Strafrecht moet in een dergelijk geval de voor de verdachte meest gunstige bepaling worden toegepast. De rechtbank zal derhalve, overeenkomstig hetgeen door de raadsman is aangevoerd, verdachte voor dit subonderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Subonderdeel artikel 3.34 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit

Ter terechtzitting heeft de raadsman opgemerkt dat artikel 4.6 op grond van gewijzigde inzichten uit de tekst van het huidige wet is geschrapt.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Het onderhavige artikel is na wijziging inwerking getreden op 1 januari 2007. De nieuwe wettekst luidt: ‘In zones waar de atmosfeer in zodanige mate stoffen bevat dat daardoor een gevaar voor explosie bestaat worden maatregelen genomen om dat gevaar te voorkomen.

Op het tijdstip waarop het feit is begaan luidde de wettekst:’In zones waar gevaar voor verstikking, bedwelming of vergiftiging dan wel brand of explosie bestaat, zijn, overeenkomstig artikel 4.6, de benodigde maatregelen genomen om dat gevaar te voorkomen.’

De oude wettekst stelde dat er alleen maatregelen overeenkomstig artikel 4.6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit moesten worden genomen om gevaar te voorkomen. Op grond van de huidige wettekst moeten er maatregelen (dus maatregelen in meer algemene zin) worden genomen om gevaar te voorkomen. Dit omvat een grotere reeks aan maatregelen dan op grond van de vroegere wettekst werd vereist. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad nu 3.34 lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit (oud) in de tenlastelegging wordt toegepast. De rechtbank acht bewezen hetgeen is tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij, in de periode van 1 februari 2005 tot en met 31 mei 2005,

in de gemeente Eemsmond,

als werkgeefster, als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

tezamen en in vereniging met een andere werkgever, handelingen heeft verricht en nagelaten

in strijd met voornoemde wet en de daarop berustende bepalingen,

aangezien zij toen aldaar op de gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum

gelegen aan de Westervalge nabij Warffum,

op of aan tank T-3 op die gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum

zijnde een arbeidsplaats, door haar werknemers

en werknemers van haar mededader,

te weten (onder andere) [slachtoffer 1][geboortedatum] [geboorteplaats]

en [slachtoffer 2] [geboortedatum] [geboorteplaats] en [slachtoffer 3] [geboortedatum] [geboorteplaats],

arbeid deed verrichten, bestaande uit las- en/of slijp- en/of constructie- en/of reconstructie-

en/of renovatie- en/of (overige) werkzaamheden,

terwijl niet was voldaan aan voorschriften,

gesteld bij en/of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

te weten voorschriften vastgelegd in:

- artikel 3 lid 1 onder a en onder b van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

immers,

- werd door verdachte en haar mededader de arbeid niet zodanig georganiseerd,

dat daarvan geen nadelige invloed uitging

op de veiligheid en/of de gezondheid van de werknemers

en

- werden de gevaren en/of risico's voor de veiligheid en/of gezondheid van de werknemers

van verdachte en/of haar mededader, niet zoveel mogelijk in eerste aanleg bij de bron

daarvan voorkomen en/of beperkt, aangezien,

niet en/of onvoldoende (kritisch) was beschouwd, of de inhoud van de tank T-3

binnen de bundwall (ook) geledigd en/of gereinigd was of moest worden

om veilig binnen de bundwall te kunnen werken

en/of tank T-3 niet buiten gebruik was gesteld,

en/of tank T-3 niet was ontdaan van aardgascondensaat

en/of niet was geledigd en/of gereinigd,

en

- artikel 8 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

immers, had verdachte er niet voor gezorgd,

dat de werknemers van verdachte en een werknemer,

te weten de voorman – [medewerker 1] - van de lassers en/of de lassers,

en/of voornoemde bij naam genoemde werknemers,

doeltreffend werden/waren ingelicht

over de te verrichten werkzaamheden en de daaraan verbonden risico's,

aangezien (onder andere) die werknemers niet op de hoogte waren van

of niet geïnformeerd waren over de inhoud van tank T-3,

te weten (onder andere) aardgascondensaat,

en/of die werknemers niet op de hoogte waren gesteld

van het feit dat op of nabij tank T-3 geen heet werk was toegestaan,

en

- artikel 8 lid 4 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

immers, had verdachte niet toegezien op de naleving van de instructies

en voorschriften gericht op het voorkomen

en/of beperken van de in het eerste lid - van artikel 8 van

de Arbeidsomstandighedenwet 1998 - genoemde risico's,

aangezien (door [medewerker 2] en [medewerker 3])

geen (nadere) controle werd uitgeoefend

op de naleving van de instructies en/of voorschriften,

zoals gegeven op de werkvergunningen,

door de voorman – [medewerker 1] - van de lassers en/of de lassers,

en dat niet werd gecontroleerd of

de voorman – [medewerker 1] - van de lassers en/of de lassers

de inhoud van - de instructies en voorschriften van -

de werkvergunningen hadden begrepen,

en

- artikel 19 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998,

immers, had verdachte, nu er op de gasbehandelingsinstallatie op de locatie Warffum,

verschillende werkgevers arbeid deden verrichten,

niet onderling op doelmatige wijze samengewerkt

- met die andere werkgever - teneinde de naleving van het bij

of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet 1998

bepaalde te verzekeren, aangezien

bij de totstandkoming van het veiligstelplan

en de totstandkoming van het specifiek V&G plan niet

en/of op onvoldoende wijze was samengewerkt tussen

de betrokken werkgevers en/of door de betrokken bedrijfsonderdelen van die werkgevers,

in ieder geval de samenwerking niet (voldoende) doelmatig is geweest en

(mede daardoor) een brand en explosie

op 31 mei 2005 niet is voorkomen,

en [medewerker 2] de veiligstelwerkzaamheden,

- uitgevoerd door GTI-OMC B.V. -

had moeten overnemen en controleren,

en

- artikel 3.34 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers, werden in een zone waar gevaar voor verstikking

en/of bedwelming en/of vergiftiging

dan wel brand en/of explosie bestond, te weten in zone 0,

geen maatregelen genomen,

overeenkomstig artikel 4.6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

om dat gevaar te voorkomen,

aangezien er, zonder dat er voldoende of adequate

voorzorgsmaatregelen waren getroffen,

laswerkzaamheden hebben plaatsgevonden op of aan tank T-3,

in een zone waar bovengenoemd gevaar bestond,

immers was in tank T-3 (onder andere) aardgascondensaat opgeslagen,

terwijl naar verdachte redelijkerwijs moest weten, dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid

van één of meerdere werknemers

van haar, verdachte, en van verdachtes mededader

ontstond of te verwachten was, immers is op 31 mei 2005 bij voornoemde

las- en/of slijp- en/of constructie- en/of reconstructie-

en/of renovatie- en/of (overige) werkzaamheden

op of aan tank T-3 een brand en een explosie ontstaan,

tengevolge waarvan twee van haar werknemers zijn overleden

en één van haar werknemers gewond is geraakt.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert het volgende strafbare feit op:

- Medeplegen van een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van verdachte

Nu terzake van verdachte niet is gebleken van enige strafuitsluitingsgrond, is de rechtbank van oordeel dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde.

Motivering straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Geldboete

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. Verdachte heeft taken onvoldoende uitgevoerd en verantwoordelijkheden niet genomen en heeft onvoldoende met betrokken partijen gecommuniceerd. Voorts werden belangrijke taken toebedeeld aan personen die hiervoor niet de vereiste diploma’s en ervaring hadden. Door de handelwijze van verdachte heeft zich op 31 mei 2005 een explosie voorgedaan waarbij twee personen zijn overleden en één persoon gewond is geraakt.

De traumatische gevolgen die het ongeval voor de nabestaanden en de slachtoffers heeft gehad zijn enorm geweest. Ter zitting hebben nabestaanden van de beide omgekomen slachtoffers dit door middel van hun verklaring op een aangrijpende manier duidelijk gemaakt. De rechtbank zal bij de op te leggen straf met deze gevolgen rekening houden.

De rechtbank merkt op dat geen enkele straf recht kan doen aan de gevolgen die het ongeval heeft gehad voor slachtoffers en nabestaanden.

Nu het feit is gepleegd door een rechtspersoon is slechts het opleggen van een geldboete als (hoofd)straf aan de orde.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de verantwoordelijkheid van zowel de NAM als GTI, niet met vrucht kan worden gesteld dat er voor wat betreft een op te leggen geldboete onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen verdachten omdat de ene verdachte ten opzichte van de andere meer of minder verwijtbaar zou hebben gehandeld. De rechtbank houdt verdachten in gelijke mate verantwoordelijk voor het gebeuren.

Het bewezen en strafbaar verklaarde feit kan niet meermalen worden gepleegd. Dit vloeit voort uit de tekst van art. 32 Arbeidsomstandighedenwet. Hierin is onder meer opgenomen dat “levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van één of meer werknemers ontstaat of te verwachten is”. Aldus geredigeerd is er sprake van een meervoudige delictsomschrijving. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan een op te leggen geldboete dan ook niet worden vermenigvuldigd met het aantal slachtoffers dat ten gevolge van het gebeuren valt te betreuren.

Op grond van het bepaalde in artikel 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht dienen de oude bepalingen met betrekking tot de hoogte van op te leggen geldboetes te worden toegepast. Gelet op datgene wat is gebeurd is de rechtbank echter van oordeel dat een geldboete van de toepasselijke categorie, te weten de 4e, nu het rechtspersonen betreft, geen passende bestraffing inhoudt. De rechtbank zal om die reden de maximale boete van de 5e categorie opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23, 24, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 3, 8, 19 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, artikel 3.34 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart het meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

een geldboete van 45.000 euro

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. R.P. van Eerde, voorzitter, F.J. Agema en P.H.M. Smeets, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. de Jong, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 oktober 2007.