Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB5592

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
23-10-2007
Zaaknummer
92581/FA RK 07-450
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na beëindiging van het gezamenlijk gezag wordt de vrouw met het eenhoofdig gezag belast. (klemcriterium, geen behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening, geen onderlinge communicatie, het ontbreken van vertrouwen, angst bij de kinderen, alsmede onjuiste en onvolledige gegevens).

De gezagsbeslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Vanuit de situatie dat de vrouw het eenzijdig gezag heeft, wordt vervolgens door de rechtbank het recht op omgang beoordeeld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253n
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253p
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 92581/FA RK 07-450

beschikking d.d. 9 oktober 2007

in de zaak van:

de vrouw,

procureur mr. C. Wiggers,

en

de man.

PROCESVERLOOP

De vrouw heeft op 1 maart 2007 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend op grond waarvan zij verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1). te bepalen dat de beschikking van deze rechtbank van 19 april 2000 wordt gewijzigd in die zin dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige kinderen A. en B., wordt beëindigd en dat de vrouw met het eenhoofdig gezag over voornoemde minderjarigen wordt belast, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermoge te behagen;

2). de bij voormelde beschikking vastgestelde omgangsregeling te wijzigen in die zin dat aan de man de omgang met [A. en B.] wordt ontzegd, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermoge te behagen, en

3). subsidiair de door de rechtbank bij beschikking van 19 april 2000 vastgestelde omgangsregeling te wijzigen in die zin dat de omgangsregeling met [A. en B.] voor onbepaalde tijd wordt geschorst, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie vermoge te behagen.

Op 22 maart 2007 zijn ter griffie schriftelijke verklaringen van de minderjarige A. en B., gedateerd 19- en 20 maart 2007, ontvangen waarin zij onder meer hun mening geven met betrekking tot de gezagsvoorziening en de omgang met hun vader.

Op 20 april 2007 is ter griffie een brief, gedateerd 19 april 2007, met een bijlage (verklaring van de fam. C. d.d. 14 april 2007), van de raadsvrouw van de vrouw ontvangen.

De rechtbank heeft de minderjarige [A. en B.] gehoord op 12 september 2007.

Op 14 september 2007 is ter griffie een faxbrief van de raadsvrouw van de vrouw binnengekomen.

Op 18 september 2007 is ter griffie een aantal faxberichten van de man binnengekomen (4 pagina’s).

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 20 september 2007.

Verschenen en gehoord zijn daarbij: de moeder, bijgestaan door mr. C. Wiggers en in aanwezigheid van mr. J. Klopstra, alsmede mw. A.I. van Dijk namens de Raad voor de Kinderbescherming, regio Groningen en Drenthe, locatie Groningen (hierna: de Raad). De man is met kennisgeving daarvan niet ter zitting verschenen.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten:

- partijen zijn met elkaar gehuwd;

- hun huwelijk is ontbonden door de inschrijving van een echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank in de registers van de burgerlijke stand;

- uit het huwelijk zijn voornoemde minderjarige kinderen geboren;

- bij beschikking van 19 april 2000 is bevestigd dat partijen het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kinderen, [A. en B.], behouden;

- bij voormelde echtscheidingsbeschikking is tevens een omgangsregeling tussen de man en de kinderen

vastgesteld van -met ingang van 1 juli 2000- één weekend per 14 dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag

18.00 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen;

- de man heeft de kinderen augustus 2004 meegenomen naar Damascus, Syrië;

- eind 2006 zijn de kinderen teruggekeerd naar Nederland;

- de man heeft een vertaling in het Arabisch van het verzoekschrift van de vrouw toegezonden gekregen;

- de man is onder meer blijkens zijn faxbericht van 18 september 2007, op de hoogte van de terechtzitting met

betrekking tot bovenstaande op 20 september 2007 in het gerechtsgebouw te Groningen.

Standpunt vrouw

De omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag zijn zodanig gewijzigd dat de vrouw gerechtigd is om beëindiging van het gezamenlijk gezag te verzoeken. Voorts is de vrouw van mening dat het gezamenlijk gezag dient te worden beëindigd aangezien bij het ontstaan van het gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De uitoefening van het gezamenlijk gezag is op dit moment zelfs strijdig met de belangen van de minderjarige kinderen, redenen waarom de vrouw met het eenhoofdig gezag dient te worden belast.

De gronden van het verzoekschrift luiden:

- in augustus 2004 heeft de man misbruik gemaakt van zowel zijn gezag als van zijn recht op omgang door [A. en B.] niet meer naar de vrouw terug te brengen op de afgesproken tijd;

- de man heeft de kinderen tegen de uitdrukkelijke wil van de vrouw in meegenomen naar Syrië;

- de man heeft de kinderen in Syrië bij zich gehouden ondanks vele verzoeken van de vrouw hen naar haar in Nederland terug te laten keren;

- de man handelde strafbaar (zie NJ 2005/218) doch ook in alle andere opzichten onrechtmatig jegens de vrouw, nu de man, aldus handelende, misbruik van zijn gezag heeft gemaakt en in strijd heeft gehandeld met de rechterlijke beschikking van 19 april 2000 waarbij de man een beperkt omgangsrecht is toegekend;

- de man is 2,5 jaar lang weigerachtig geweest, ondanks verzoeken van de vrouw maar ook van de kinderen zelf, hen terug te laten gaan naar Nederland;

- uiteindelijk is de situatie zodanig geweest dat [A. en B.] gedurende ongeveer 2,5 jaar in Syrië bij de man hebben verbleven;

- in augustus 2006 zijn [A. en B.] naar de Nederlandse Ambassade in Damascus gevlucht waar zij bijna vijf maanden hebben verbleven, aangezien de man geen toestemming gaf de kinderen naar Nederland te geleiden, ondanks veelvuldige verzoeken daartoe van de vrouw, van de kinderen zelf en van de Nederlandse autoriteiten;

- half december 2006 heeft de man, waarschijnlijk onder grote internationale druk, uiteindelijk toestemming gegeven voor het vertrek van [A. en B.] naar Nederland;

- de man heeft niet alleen onrechtmatig, maar ook ernstig in strijd met de belangen van de kinderen gehandeld;

- bij de beschikking van 19 april 2000 is met betrekking tot het gezag uitgegaan van onjuiste en of onvolledige gegevens, nu uit die beschikking blijkt dat de man ter zitting heeft verklaard dat hij de kinderen niet mee zou nemen naar Syrië, dat hij gedurende 22 jaar een leven in Nederland heeft opgebouwd en geen enkele behoefte heeft om terug te gaan naar Syrië: de man heeft de rechtbank onjuist geïnformeerd;

- de vrouw is van mening dat thans reeds een situatie is ontstaan waarin sprake is van zodanige communicatieproblemen tussen de man en de vrouw dat de kinderen reeds klem of verloren zijn geraakt tussen de ouders; immers de kinderen hebben de laatste vier maanden in Syrië op de ambassade verbleven, een relatief kleine oppervlakte, welke zij niet konden verlaten, hetgeen niet in het belang van de kinderen was;

- een verbetering in de communicatie valt niet binnen afzienbare tijd te verwachten, waardoor het risico dat de kinderen klem of verloren raken blijft bestaan;

- door het meenemen van de kinderen naar Syrië heeft de vrouw geen enkel vertrouwen meer in de man; de vrouw is zelfs bang dat de man opnieuw een poging zal doen de kinderen mee te nemen naar Syrië;

- de man heeft zich zeer grillig en onbetrouwbaar opgesteld en heeft geen contact tussen de kinderen en de vrouw toegestaan in Syrië zonder dat hij daar zelf bij aanwezig was;

- onder de gegeven omstandigheden kan van de vrouw niet worden gevergd dat zij contacten in het kader van de gezagsuitoefening met de man onderhoudt;

- de vrouw is feitelijk ook niet in staat contact met de man te onderhouden aangaande de gezagsuitoefening, nu de man in Syrië verblijft en vandaar uit niet in staat moet worden geacht een normale gezagsuitoefening te kunnen uitvoeren.

met betrekking tot de omgang

Met betrekking tot wijziging van de omgangsregeling beroept de vrouw zich eveneens op gewijzigde omstandigheden en dat bij het nemen van de beslissing zoals neergelegd in de beschikking van 19 april 2000 van onjuiste en/of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voor de gronden en geschetste omstandigheden verwijst de vrouw naar de gronden met betrekking tot haar verzoek tot gezagswijziging.

Omgang is in strijd met de belangen van [A. en B.].

Er zijn zwaarwegende belangen welke leiden tot ontzegging van de omgang; de man heeft misbruik gemaakt van zijn recht op omgang door de kinderen tijdens een omgangsregeling niet terug te brengen naar de vrouw, doch mee te nemen naar Syrië; dit tegen de uitdrukkelijke wil van de vrouw -en de kinderen- in;

Daarnaast heeft de vastgestelde omgangsregeling feitelijk haar inhoud verloren nu deze omgangsregeling immers reeds sinds 2004 niet langer wordt nageleefd omdat de man de kinderen vanaf 2004 in Syrië bij zich heeft gehouden. Voor het overige moet niet meer verwacht worden dat de man vanuit Syrië een omgangsregeling van één weekend per 14 dagen zal (kunnen) nakomen.

Subsidiair verzoekt de vrouw op bovenstaande gronden schorsing van het recht op omgang van de man voor onbepaalde tijd.

Standpunt man.

Aan de man is een in het Arabisch vertaald (afschrift van het) verzoekschrift uitgereikt.

De man is met kennisgeving daarvan, niet ter terechtzitting verschenen; wel zijn van de man per fax op 18 september 2007 een brief met 2 bijlagen ontvangen.

De man stelt daarin dat de kinderen recht hebben op hun moeder en vader. De man wenst dat iedereen tevreden is met de beslissing in deze zaak.

De rechtbank zal de strekking van deze brief opvatten als standpunt van de man dat hij het niet eens is met het door de vrouw verzochte. De man heeft echter geen inhoudelijk gemotiveerd verweer gevoerd.

Beoordeling

Ingevolge artikel 1:251, eerste lid, BW oefenen de ouders gedurende hun huwelijk het gezag gezamenlijk uit. Het tweede lid van dit artikel luidt: Na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed, blijven de ouders die gezamenlijk het gezag hebben, dit gezag gezamenlijk uitoefenen, tenzij de rechter op verzoek van de ouders of een van hen in het belang van het kind bepaalt dat het gezag over een kind of de kinderen aan een van hen alleen toekomt.

Ingevolge artikel 1:253n BW kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen de rechtbank het gezamenlijk gezag, bedoeld in artikel 1:251, tweede lid beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan in het belang van het kind het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.

Vaststaat dat de ouders na ontbinding van hun huwelijk door echtscheiding, het gezamenlijk gezag hebben behouden.

De vrouw heeft op de gronden genoemd in haar verzoekschrift verzocht het gezamenlijk gezag met de man te beëindigen en haar met het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen van partijen, [A. en B.], te belasten.

Voor een gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.

De rechtbank is na afweging van de betrokken belangen en hetgeen hierboven is overwogen, waarbij de belangen van de minderjarige kinderen van partijen de doorslag hebben gegeven, van oordeel dat het gezamenlijk gezag van partijen moet worden beëindigd en dat de vrouw met het eenhoofdig gezag dient te worden belast over [A. en B.].

De rechtbank heeft haar beslissing doen steunen op de volgende overwegingen

Onweersproken is dat de man de kinderen van partijen in augustus 2004 in het kader van de omgangsregeling bij de vrouw heeft opgehaald en heeft meegenomen naar Syrië, dit tegen de uitdrukkelijke wil van de vrouw in. De man heeft de kinderen daarmee aan het gezag en het opzicht van de vrouw, die mede het gezag heeft, onttrokken door zich niet te houden aan een bij rechterlijke beslissing vastgestelde omgangsregeling en zich daarmee schuldig gemaakt aan een strafbaar feit (zie arrest Hoge Raad NJ 2005/218). Onweersproken is voorts dat de man vervolgens -ondanks veelvuldige verzoeken daartoe van de vrouw en van de kinderen zelf- 2,5 jaar lang weigerachtig is geweest zijn medewerking te verlenen aan een terugkeer van de kinderen naar de vrouw. De man heeft daarmee ernstig in strijd gehandeld met de belangen van de kinderen.

Vaststaat dat de kinderen zich in Damascus uiteindelijk aan het toezicht van de man en/of familieleden hebben weten te onttrekken en met zijn tweeën naar de Nederlandse ambassade zijn gevlucht. Volgens de schriftelijke en mondelinge verklaringen van de kinderen heeft de man hen, althans A., regelmatig mishandeld met riemen en stokken, was B. daar getuige van. Zij mochten niet buiten spelen en moesten onder direct toezicht van de man blijven. Zij mochten buiten aanwezigheid van de man geen (telefonisch) contact met de vrouw hebben. De kinderen hebben verklaard dat zij eerder weg hadden willen lopen. De man heeft de vrouw via de kinderen bedreigd en de kinderen zijn erg bang dat de man hen opnieuw zal meenemen naar Syrië.

Onweersproken is voorts gebleven dat de man -behoudens een telefonisch contact in juni- verder geen contact meer met de vrouw of met de kinderen heeft opgenomen.

Gelet op het bovenstaande en gelet op het verblijf van de kinderen, die gedurende ruim vier maanden de Nederlandse ambassade in Damascus door toedoen van de man niet hebben kunnen verlaten, is naar het oordeel van de rechtbank reeds een situatie ontstaan waarin de kinderen klem of verloren zijn geraakt tussen de ouders.

De rechtbank is op grond van de geschetste feiten en omstandigheden van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van zodanige situatie dat partijen niet (langer) in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste

in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen. De verhouding tussen partijen kan als zwaar verstoord worden aangemerkt, het vertrouwen van de vrouw jegens de man ontbreekt volkomen.

Er vindt geen communicatie tussen hen plaats, een basis voor gezamenlijk overleg ten aanzien van de

verzorging en opvoeding van de kinderen ontbreekt.

De kinderen hebben door zijn eigen handelwijze een negatief beeld van de man gekregen en zijn bang voor hem geworden. De rechtbank acht het ook voor de toekomst niet waarschijnlijk dat de verstandhouding tussen de ouders binnen afzienbare tijd zal verbeteren.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat zij bij het geven van de beschikking van

19 april 2000 is uitgegaan van onjuiste en onvolledige gegevens, daar waar het gezamenlijk gezag van partijen is gehandhaafd mede op basis van hetgeen ter toenmalige terechtzitting door de man persoonlijk is verklaard. Hij heeft toen ontkend de kinderen mee naar Syrië te willen nemen. Hij leefde al 22 jaar in Nederland en had geen enkele behoefte terug te keren naar Syrië. Door in strijd met deze verklaring te handelen en de kinderen toch mee te nemen naar Syrië, zijn de omstandigheden na de beschikking van 19 april 2000 gewijzigd.

Niet gesteld of gebleken is verder dat de vrouw niet in staat is tot een adequate verzorging en opvoeding van de kinderen, zodat de rechtbank het in het belang van de kinderen oordeelt dat de vrouw met het eenhoofdig gezag over hen wordt belast.

De omgang

De vrouw heeft ten aanzien van de bij beschikking van 19 april 2000 vastgestelde omgangsregeling primair verzocht deze te wijzigen in die zin dat aan de man de omgang met [A. en B.] wordt ontzegd op de gronden vermeld in het verzoekschrift.

De rechtbank is op grond van het door de vrouw in haar verzoekschrift hieromtrent gestelde van oordeel dat de omstandigheden na het nemen van de beschikking waarbij de omgangsregeling is vastgesteld, zijn gewijzigd en dat de vrouw ontvankelijk is in dit verzoek.

Artikel 1:253p, eerste lid, BW bepaalt dat in de gevallen waarin door de rechter het gezag wordt opgedragen aan beide ouders of aan een ouder alleen, dit een aanvang neemt zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.

Gelet op dit bepaalde alsmede op de omstandigheid dat de vrouw onweersproken heeft verzocht om uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de te geven beslissing en de rechtbank geen termen aanwezig acht om de uitvoerbaar verklaring bij voorraad achterwege te laten, gaat de rechtbank er vanuit dat het eenhoofdig gezag van de vrouw rechtsgeldige werking heeft met ingang van de dag nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.

De rechtbank zal het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling daarom beoordelen aan de hand van artikel 1:377a BW. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast stelt, dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd. In het derde artikellid worden de criteria voor ontzegging van de omgang genoemd.

Na afweging van de betrokken belangen oordeelt de rechtbank termen aanwezig om de man de omgang met de minderjarige kinderen van partijen voor onbepaalde tijd te ontzeggen op grond van artikel 1:377a BW, lid 3, onder a en c.

De rechtbank is van oordeel dat omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen, nu de kinderen -beiden 12 jaar of ouder- de man in de uitvoering van de omgangsregeling niet meer vertrouwen en erg bang zijn dat hij hen -opnieuw- zal meenemen naar Syrië. De kinderen hebben tijdens het verhoor door de kinderrechter een authentieke en duidelijke mening verwoord.

Het in stand laten van de omgangsregeling brengt voor de kinderen zowel als voor de vrouw een ernstig gevoel van onveiligheid en aanmerkelijke onrust en spanningen teweeg welke een bedreiging voor de ontwikkeling van de kinderen vormen. De man heeft (de vrouw en de kinderen) immers gedreigd de kinderen wederom op te halen en mee naar Syrië te zullen nemen.

Daarnaast hebben de kinderen zelf aangegeven ernstige bezwaren te hebben tegen omgang met de man. De kinderen werden door de man mishandeld, de man diskwalificeerde de vrouw tegenover de kinderen en dreigde de vrouw en de kinderen na terugkeer in Nederland iets aan te doen.

Beide kinderen wijzen omgang met de man voor de komende jaren (zelf) vooralsnog af.

De rechtbank acht de mening van de kinderen ten aanzien van de omgang met de man van doorslaggevend belang en oordeelt het in het belang van de kinderen dat er rust en stabiliteit in hun situatie komt. De uitvoering van een omgangsregeling met de man –op welke wijze ook vorm gegegeven- is daarmee in strijd.

De rechtbank zal de man het recht op omgang met de kinderen dan ook ontzeggen zoals hierna vermeld.

BESLISSING

beëindigt het gezamenlijk gezag van partijen en belast de vrouw met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen:

A. en B.;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

ontzegt de man het recht op omgang met voornoemde minderjarigen voor onbepaalde tijd;

verklaart deze beslissing eveneens tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.C. Bosch en door deze uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.