Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB5499

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
12-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/1344 en AWB 06/1374
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft besloten dat eiser niet langer een opleiding in werktijd mag volgen, nu eiser slechts op (zeer) basale wijze informatie verstrekt over de behaalde studieresultaten en de toekomstige studiebelasting. Artikel 4:5 Awb is in het onderhavige geval niet van toepassing, aangezien het niet om een besluit op aanvraag gaat waarbij door eiser onvoldoende gegevens en bescheiden zijn overgelegd. Afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Daarnaast heeft verweerder de uitbetaling van de bezoldiging gestaakt, omdat eiser zonder toestemming verlof heeft opgenomen en niet op het werk is verschenen.De rechtbank overweegt dat eiser opzettelijk heeft nagelaten in strijd met zijn verplichtingen zijn betrekking te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Zaaknummers: AWB 06/1344 en 06/1374 AW VO2

Uitspraak in de geschillen tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Appingedam, verweerder,

gemachtigde mr. P.J. Schaap.

1. Onderwerpen van geschil

Bij primair besluit van 18 oktober 2005 heeft verweerder eiser niet langer toegestaan zijn opleiding in werktijd te volgen en bij primair besluit van 26 oktober 2005 heeft verweerder de bezoldiging van eiser met onmiddellijke ingang gestaakt. Eiser heeft op 23 september 2006 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2006, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2005 ongegrond is verklaard. Dat beroep is geregistreerd onder nummer 06/1344. Eiser heeft op 26 oktober 2006 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 24 augustus 2006, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2005 ongegrond is verklaard. Dat beroep is geregistreerd onder nummer 06/1374.

2. Zitting

De geschillen zijn gezamenlijk behandeld op de zitting van 24 september 2007. Eiser is aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

3. Feiten en procesverloop

Eiser, geboren op [geboortedatum], is vanaf 1 maart 2002 voor 36 uur per week in vaste dienst bij verweerder als consulent werk en inkomen bij de werkeenheid sociale zaken.

In maart 2003 heeft eiser met zijn leidinggevende besproken, dat eiser tijdens werktijd op eigen kosten de opleiding HBO maatschappelijk werk en dienstverlening mag volgen. Op 1 augustus 2003 is eiser met deze opleiding gestart.

Op 10 september 2003 heeft eiser zich ziek gemeld als gevolg van stressgerelateerde klachten die deels privé en deels werk gerelateerd zijn. In de spreekuurrapportage van 10 december 2003 heeft de bedrijfsarts eiser geheel arbeidsongeschikt verklaard.

Op 23 december 2003 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en [naam sectorhoofd], sectorhoofd welzijn en burgerij. In het verslag van dit gesprek is opgenomen dat eiser problemen voorziet indien hij de WWB moet gaan uitvoeren; eiser heeft onder de uitvoering van de Abw problemen gekregen met de zakelijke kant van het werk, bij eiser gaat zorg voor, zodat hij gekozen heeft voor een opleiding HBO maatschappelijk werk en dienstverlening.

Bij e-mailbericht van 29 december 2003 heeft eiser aan [naam hoofd afdeling sociale zaken], hoofd afdeling sociale zaken, geschreven dat hij in het verslag van het gesprek van 23 december 2003 de regeling mist dat hij in staat wordt gesteld met behoud van salaris zijn opleiding af te maken en "met volle inzet z.s.m., wel of niet met behulp van de gemeente, zolang als het nodig is, op zoek te gaan naar een andere werkgever." [naam hoofd afdeling sociale zaken] heeft hierop bij mail geantwoord dat het er voor eiser misschien niet duidelijk instaat, maar dat "wat jij wil wel is wat er bedoeld wordt".

Per 2 maart 2004 is eiser volledig hersteld verklaard. Op 28 juni 2004 is eiser opnieuw uitgevallen als gevolg van psychische klachten. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij teveel hulpverlener is en dat hij moeite heeft met de zakelijke aspecten van het werk.

Vanaf september 2004 heeft eiser vier dagen per week besteed aan zijn opleiding en voor één dag per week zijn werkzaamheden als consulent hervat.

Op 19 november 2004, 4 februari 2005 en 13 april 2005 hebben tussen eiser en verweerder gesprekken plaatsgevonden omtrent de re-integratie van eiser en zijn toekomst in dienst bij verweerder.

Naar aanleiding van het gesprek op 13 april 2005 heeft verweerder een aantal afspraken op papier gezet. Samengevat zijn in een op 13 juni 2005 ondertekend document de volgende afspraken opgenomen:

- medewerker krijgt toestemming zijn studie tot september te vervolgen onder de volgende voorwaarden: maandag tot donderdag verlof voor stage en het volgen van de studie; op vrijdag werken bij sociale zaken.

- op het moment dat de opleiding stopt i.v.m. bijvoorbeeld vakantie wordt in principe deze tijd benut voor taken op het werk.

- na de zomervakantie 2005 kan medewerker een dag per week de studie volgen tot einde medio juni 2006/afronding studie.

- zoals tot nu toe was afgesproken blijven alle kosten voor rekening van medewerker.

- eventuele verlof- en adv-saldi tot en met 2004 zijn vervallen.

- over 2005 zijn de verlofrechten beperkt tot 20 dagen. Er zijn geen adv-rechten. Dit als compensatie voor de studiedagen.

- in 2006 worden de studiedagen gecompenseerd met adv en/of verlofdagen.

Bij brief van 3 augustus 2005 heeft verweerder aan eiser medegedeeld, dat hij uit de brieven van eiser begrijpt dat hij zich niet meer met de in voormeld document van 13 juni 2005 vervatte afspraken kan verenigingen en dat verweerder gelet daarop zich zelfstandig een oordeel moet vormen over de gedane toezeggingen en de gevolgen daarvan voor de rechtspositie van eiser. Verweerder heeft vervolgens aangegeven, dat de toezegging dat eiser zijn opleiding in werktijd kan volgen onbevoegd is gedaan, maar dat hij die toezegging wil naleven en hem daarvoor wil faciliteren in tijd. Volgens verweerder is daarvoor nodig dat eiser een overzicht (met bewijsstukken) verschaft van zijn studieresultaten tot op heden en het tijdsbeslag dat in de toekomst nog met het volgen van onderwijs en eventuele stage gemoeid zal zijn. Verweerder heeft eiser gesommeerd voormelde informatie binnen een week te verstrekken.

Eiser heeft hierop bij brief van 15 augustus 2005, met diverse bijlagen, inhoudelijk gereageerd. Bij brief van 16 augustus 2005 heeft verweerder verzocht om een verklaring van het onderwijsinstituut en de stageorganisatie met betrekking tot de maanden juni, juli en augustus over het aantal gevolgde lesuren respectievelijk het aantal gewerkte stage-uren.

Op 18 oktober 2005 heeft verweerder het besluit genomen waarbij het eiser niet langer is toegestaan zijn opleiding in werktijd te volgen en eiser is aangezegd zijn werkzaamheden met ingang van 20 oktober 2005 voor zijn volledige betrekkingsomvang te hervatten. Eiser heeft bij brief van 22 oktober 2005 op dit besluit gereageerd en daarbij aangekondigd dat hij met ingang van 24 oktober 2005 verlof opneemt. Tot en met 26 oktober 2005 is eiser niet op het werk verschenen.

Verweerder heeft vervolgens het besluit van 26 oktober 2005 genomen. Verweerder heeft daarbij de bezoldiging van eiser met onmiddellijke ingang gestaakt. Eiser heeft hierop bij brief van 28 oktober 2005 gereageerd.

Bij brief van 14 november 2005 heeft verweerder medegedeeld de brief van 22 oktober 2005 als een bezwaarschrift tegen het besluit van 18 oktober 2005 aan te merken en de brief van 28 oktober 2005 als een bezwaarschrift tegen het besluit van 26 oktober 2005 aan te merken. Eiser heeft hierop bij brief van 21 november 2005 aangegeven dat zijn brieven van

22 oktober 2005 en 28 oktober 2005 geenszins zijn bedoeld als een bezwaarschrift en dat hij op korte termijn bezwaarschriften zal indienen. Bij brief van 29 november 2005 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 oktober 2005. Bij brief van 6 december 2005 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 oktober 2005. Bij brieven van 31 maart 2006 en 10 april 2006 heeft eiser aanvullende bezwaargronden ingediend.

Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen beide besluiten mondeling toe te lichten op de hoorzitting van 29 mei 2006. Van deze gelegenheid heeft eiser gebruik gemaakt. Bij brief van 13 juni 2006 heeft verweerder eiser het verslag van de hoorzitting doen toekomen. Eiser heeft bij brief van 20 juni 2006 een reactie gegeven op het verslag.

Bij de bestreden besluiten van 24 augustus 2006 heeft verweerder zowel het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2005 als het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2005 ongegrond verklaard. Eiser heeft op 23 september 2006 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2005 ongegrond is verklaard en eiser heeft op 26 oktober 2006 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2005 ongegrond is verklaard.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een tweetal verweerschriften ingediend. Eiser heeft tijdig voorafgaande aan de zitting nadere stukken ingediend.

4. Rechtsoverwegingen

Ten aanzien van het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2005 ongegrond is verklaard (06/1344)

4.1. Standpunten van partijen

Eiser heeft in zijn beroepschrift het volgende aangevoerd. In maart 2003 is een persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) opgesteld, waarbij met verweerder is overeengekomen dat eiser een opleiding HBO maatschappelijk werk en dienstverlening zou gaan volgen. Het overleggen van een overzicht van studieresultaten en het toekomstig tijdsbeslag kan niet als nadere voorwaarde voor de toestemming voor het volgen van de opleiding worden gesteld, aangezien die toestemming middels het POP al was verleend.

Eiser heeft de gevraagde stukken, die nodig waren om de te faciliteren tijd vast te stellen, overgelegd. Ten onrechte is hem geen gelegenheid geboden eventuele gebreken te herstellen door aanvullende gegevens te verstrekken; dit is in strijd met artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Indien eiser in gebreke zou zijn, had verweerder hem onbetaald verlof moeten verlenen om zijn studie te vervolgen. Als gevolg van het bestreden besluit heeft eiser zijn opleiding niet kunnen afronden. Eiser vordert op grond daarvan zowel materiële als immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 51.994,22.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift de volgende standpunten ingenomen. Er is in maart 2003 weliswaar over het volgen van een HBO-opleiding gesproken, maar dit is niet geformaliseerd in een POP. Hoewel er evenmin bevoegde toezeggingen tot het volgen van de opleiding zijn gedaan, heeft verweerder aangegeven de gedane toezeggingen na te komen in de vorm van het faciliteren in tijd. Daarbij is echter wel aangegeven dat het noodzakelijk is te beschikken over informatie omtrent de studieresultaten van eiser en het toekomstig tijdsbeslag. Eiser heeft nagelaten deze informatie te verschaffen. Eiser is tweemaal mondeling de gelegenheid geboden dit verzuim te herstellen. Artikel 4:5 Awb speelt geen rol aangezien het besluit geen besluit op aanvraag betreft. Ook bij het verlenen van onbetaald verlof dient informatie over het te verwachten tijdsbeslag beschikbaar te zijn. Nu die informatie ontbreekt, was ook onbetaald verlof geen optie. Verweerder is niet aansprakelijk voor uit de opleiding voortvloeiende kosten; eiser is hieraan op eigen initiatief begonnen, de opleiding is niet verplicht gesteld en heeft niet tot een betere inzetbare arbeidskracht geleid. Voor een immateriële schadevergoeding bestaat evenmin aanleiding.

4.2. Beoordeling

De rechtbank stelt voorop, dat verweerder (onder meer) in zijn brief van 3 augustus 2005 heeft aangegeven de toezeggingen tot het eiser toestaan van het volgen van zijn opleiding in werktijd na te komen. De vraag of die toestemming is gebaseerd op een POP uit maart 2003 dan wel of de toezeggingen door daartoe bevoegde personen zijn gedaan is in die zin dan ook niet langer relevant.

De thans voorliggende vraag is of verweerder in augustus 2005, gelet op die toezeggingen, van eiser heeft mogen verlangen dat hij een overzicht en bewijsstukken overlegt van zijn studieresultaten en inzicht verschaft in het toekomstige tijdsbeslag van de opleiding. Voorts dient de vraag te worden beantwoord of verweerder vervolgens, gelet op de door eiser in dat kader verstrekte informatie, heeft kunnen besluiten dat het eiser niet langer wordt toegestaan de opleiding in werktijd te volgen. De rechtbank overweegt in dat kader het volgende.

In het verslag van het gesprek tussen partijen van 4 februari 2005 is van de zijde van verweerder aangegeven, dat eiser zijn studie kan afmaken, dat hij stage kan lopen en dat hij één dag beschikbaar blijft om zijn werk als consulent te doen, maar dat er dan wel afspraken moeten worden gemaakt voor 2005 en over de voorwaarden. Tijdens het gesprek tussen partijen op 13 april 2005 is onder meer afgesproken, dat eiser toestemming krijgt zijn studie tot september 2005 te vervolgen, dat hij maandag tot en met donderdag verlof krijgt voor stage en studie, dat hij op vrijdag werkt bij verweerder en dat hij na de zomervakantie van 2005 één dag per week zijn studie kan volgen tot juni 2006/afronding studie. De rechtbank maakt hieruit op, dat het verweerder er (aan) gelegen was om tot concrete afspraken met eiser te komen onder meer omtrent de perioden waarop eiser zijn werkzaamheden als consulent zou verrichten en de perioden welke eiser aan zijn opleiding zou besteden.

De rechtbank constateert, dat er vervolgens tussen partijen een geschil is ontstaan over (onder meer) de wijze van vastlegging van de op 13 april 2005 gemaakte afspraken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder destijds uit de opstelling van eiser kunnen begrijpen dat eiser zich niet meer met de in het document van 13 juni 2005 vervatte afspraken kon verenigen. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het verzoek van verweerder aan eiser om (alsnog) inzicht te verschaffen in het toekomstige tijdsbeslag van de opleiding, zoals gedaan bij brief van 3 augustus 2005, niet onredelijk. Voor verweerder is het immers van belang om te weten hoeveel uren eiser aan zijn opleiding dient te besteden, zodat duidelijk is op welke dagen eiser op het werk aanwezig kan zijn en hoeveel uren hij werkzaamheden kan verrichten. Een en ander is van (evident) belang voor de planning en verdeling van werkzaamheden. Dat verweerder ook heeft verzocht om bewijsstukken en een overzicht van de behaalde studieresultaten acht de rechtbank evenmin onredelijk. Op basis hiervan kan immers worden vastgesteld welke studieonderdelen eiser nog moest volgen, hetgeen tot meer inzichtelijkheid van de studiebelasting kan leiden. Eiser heeft ter zitting desgevraagd aangegeven, dat vorenbedoelde verzoeken van verweerder ook in zijn ogen niet onredelijk zijn. Eiser heeft ter zitting echter vervolgens naar voren gebracht dat hij aan het verzoek van verweerder heeft voldaan bij brief van 15 augustus 2005.

De rechtbank overweegt dat eiser in zijn brief van 15 augustus 2005 samengevat naar voren heeft gebracht, dat hij in het tweede jaar van zijn studie is gestart aan de Gereformeerde Hogeschool Zwolle, dat hij van de 60 te behalen punten 22 heeft behaald, dat hij 28 praktijkpunten als gevolg van ziekte heeft gemist en dat hij vervolgens naar het derde jaar van de Christelijke Hogeschool Windesheim is overgestapt. Met betrekking tot de behaalde 22 punten heeft eiser een resultatenlijst 2003-2004 overgelegd. Eiser heeft verder aangegeven, dat hij voor het komende jaar een praktijkplek moet vinden om stage te lopen en dat hij daarnaast een aantal theoretische vakken moet gaan halen. Volgens eiser gaat het daarbij om de vakken Methodiek legitimering (84 uur), Methodiek (84 uur), Groepsopvang (56 uur), Time Management (56 uur), Methodiek (84 uur), Sociaal juridische hulpverlening (84 uur) en Beleidsnota keuzemodule (2x 56 uur). Ter onderbouwing heeft eiser voorts een POP-mwd 3 en 4 deeltijd overgelegd van 15 april 2005, waarin is omschreven welke kwalificaties zijn behaald en welke eiser in het derde cursusjaar wil behalen.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat met het - overigens uitvoerige - schrijven van 15 augustus 2005 van eiser niet de door verweerder beoogde informatie en bewijsstukken is verschaft. Immers, uit de door eiser verstrekte informatie is slechts op (zeer) basale wijze informatie verstrekt over de behaalde studieresultaten en de toekomstige studiebelasting. Zo is het (onder meer) onduidelijk gebleven wanneer en hoeveel uren eiser per week aan (welke) lessen en stage moet gaan besteden. Eiser heeft ter zitting nog aangevoerd dat hij daar zelf destijds ook geen inzicht in had, maar de rechtbank acht dat niet aannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser op basis van de aan hem bekende informatie (lesrooster, geplande tentamens etc) een meer concrete inschatting kunnen maken van de door hem per week te besteden tijd aan zijn opleiding. Eiser heeft verder ter zitting gesteld dat het hem niet duidelijk was welke informatie hij aan verweerder moest verstrekken. Ook dat acht de rechtbank - juist ook in het licht van hetgeen tussen partijen op 4 februari 2005 en 13 april 2005 is besproken - niet aannemelijk. De rechtbank betrekt in haar oordeel, dat uit de stukken blijkt (vgl. de brief van eiser van 15 juni 2005) dat verweerder reeds voorafgaand aan het schriftelijke verzoek van 3 augustus 2005 heeft verzocht om informatie over de voortgang en de resultaten van de opleiding. Voorts heeft eiser ter zitting erkend dat er na het schrijven van 3 augustus 2005 tweemaal telefonisch contact is geweest met verweerder omtrent de te verstrekken informatie.

Voor zover er bij eiser onduidelijkheid heeft bestaan over de te verstrekken informatie, had het op zijn weg gelegen om daarover vragen te stellen. Daarnaast heeft verweerder bij brief van 16 augustus 2005 eiser nog medegedeeld, dat eiser dient aan te tonen hoeveel uren hij per week stage heeft gelopen en/of lessen heeft gevolgd en heeft verweerder eiser verzocht een verklaring over te leggen van het onderwijsinstituut en de stageorganisatie met betrekking tot de maanden juni, juli en augustus over het aantal gevolgde lesuren en het aantal gewerkte stageuren. De rechtbank stelt vast dat eiser (ook) aan dat verzoek geen gevolg heeft gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om de bij brief van 3 augustus 2005 door verweerder gevraagde informatie te verstrekken. De rechtbank merkt nog op dat artikel 4:5 van de Awb in het onderhavige geval niet van toepassing is, aangezien het hier niet om een besluit op aanvraag gaat waarbij door eiser onvoldoende gegevens en bescheiden zijn overgelegd.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank (samenvattend) van oordeel, dat verweerder van eiser heeft mogen verlangen dat hij een overzicht en bewijsstukken overlegt van zijn studieresultaten en inzicht geeft in het tijdsbeslag van de opleiding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet, althans in onvoldoende mate daaraan gevolg gegeven, zodat verweerder heeft kunnen besluiten dat het eiser niet langer wordt toegestaan de opleiding in werktijd te volgen. De bovenstaande overwegingen overziend, komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Ten aanzien van de door eiser gevorderde schadevergoeding overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, Awb, kan de rechtbank, indien het beroep gegrond wordt verklaard en indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard is genoemd artikel reeds daarom niet van toepassing. Het verzoek om schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding om artikel 8:75 Awb toe te passen.

Ten aanzien van het bestreden besluit, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2005 ongegrond is verklaard (06/1374)

4.3. Standpunten van partijen

Eiser heeft aan zijn beroep het volgende ten grondslag gelegd. Op 22 oktober 2005 heeft eiser erop gewezen dat hij zijn resterende verlofuren met ingang van 24 oktober 2005 zou opnemen. Uit de brief van verweerder van 26 oktober 2005 blijkt dat hem dat verlof is verleend. Er was geen sprake van het opzettelijk nalaten om de betrekking te vervullen.

Verweerder heeft in beroep het volgende aangevoerd. Eiser gaat er ten onrechte van uit, dat de mededeling dat hij verlof opneemt, betekent dat aan hem verlof is toegekend. De bevoegdheid om te beslissen op welke tijdstippen verlof kan worden opgenomen, berust bij verweerder. Uit de brief van 26 oktober 2005 kan worden afgeleid dat voor 24 oktober 2005 verlof is verleend, echter niet dat ook verlof is verleend voor na 24 oktober 2005. Eiser is er uitdrukkelijk op gewezen dat hij zijn werk diende te hervatten. Desalniettemin is eiser niet op het werk verschenen. Eiser beschikte overigens over te weinig verloftegoed voor het door hem beoogde verlof. Aan de voorwaarden voor de opgelegde maatregel is voldaan en staking van de bezoldiging was derhalve gerechtvaardigd.

4.4. Beoordeling

In artikel 3:1:1, vierde lid, van de CAR/UWO is bepaald dat over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, hem zijn bezoldiging niet wordt uitgekeerd.

In artikel 6:2:2, derde lid, van de CAR/UWO is bepaald dat de beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.

De rechtbank constateert dat verweerder bij besluit van 18 oktober 2005 eiser erop heeft gewezen, dat hij zijn werkzaamheden met ingang van 20 oktober 2005 voor de volledige betrekkingsomvang dient te hervatten. De rechtbank overweegt dat eiser weliswaar bij brief van 22 oktober 2005 aan verweerder heeft medegedeeld, dat hij verlof ging opnemen, maar dat niet is gebleken dat hij daarvoor ook daadwerkelijk toestemming heeft verkregen van verweerder. Uit de brief van 26 oktober 2005 van verweerder volgt weliswaar dat voor 24 oktober 2005 verlof is verleend, maar dat geldt niet voor de daarop volgende periode waarin eiser niet op het werk is verschenen. Door zonder toestemming verlof op te nemen en niet op het werk te verschijnen, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank opzettelijk nagelaten in strijd met zijn verplichtingen zijn betrekking te vervullen.

De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat verweerder op goede gronden artikel 3:1:1, vierde lid, van de CAR/UWO heeft toegepast en met onmiddellijke ingang de uitbetaling van de bezoldiging heeft gestaakt. Het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep (geregistreerd onder nummer 06/1344) tegen het besluit van

24 augustus 2006, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2005 ongegrond

is verklaard, ongegrond;

- verklaart het beroep (geregistreerd onder nummer 06/1374) tegen het besluit van

24 augustus 2006, waarbij het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2005 ongegrond

is verklaard, ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. drs. A. Houtman en in het openbaar door haar uitgesproken op

5 oktober 2007 in tegenwoordigheid van mr. F. Aissa als griffier.

De griffier, De rechter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: lg