Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB5495

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
04-10-2007
Datum publicatie
12-10-2007
Zaaknummer
AWB 07/779
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft een aantal hulpmiddelen ontwikkeld, die hij op het automatiseringssysteem van verweerder heeft aangebracht. Verweerder heeft verzoeker de dienstopdracht gegeven om alle systeemtechnische barrières, die het bevoegd gezag toegang tot het automatiseringssysteem belemmeren, op te heffen en tevens een aantal daarin opgenomen copyrightvermeldingen op zijn naam ongedaan te maken. Aan verzoeker wordt voorwaardelijk strafontslag verleend. De voorzieningenrechter overweegt dat ook verweerder een verwijt treft voor de ontstane conflictuese situatie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de ernst van de verweten gedragingen van verzoeker en de schade die tengevolge van de verweten gedragingen zou zijn geleden, niet voldoende met deugdelijk vastgestelde gegevens heeft onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/779 AW

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, Awb in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. G. Meijer

ten aanzien van de besluiten van 17 oktober 2006, 16 april 2007 en 20 juni 2007 van

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK), verweerder,

gemachtigde: mr. D. den Hertog

1. FEITEN EN PROCESVERLOOP

Verzoeker is sinds 1 september 2002 werkzaam als specialist digitalisering en applicatiebeheerder bij de Centrale Archief en Selectiedienst (CAS) van het ministerie van BZK.

Verzoeker heeft een aantal hulpmiddelen ontwikkeld, die hij op het automatiseringssysteem van verweerder heeft aangebracht.

Nadat verzoeker in december 2005 om een functieherwaardering had gevraagd heeft hij per email van 10 maart 2006 verweerder verzocht de aan hem opgedragen taken schriftelijk te bevestigen, waaronder het ontwikkelen van de hulpmiddelen. Verweerder heeft daaraan geen gevolg gegeven.

In mei 2006 is door verweerder geconstateerd dat verzoeker op de website van CAS bij de door verzoeker ontwikkelde hulpmiddelen een copyrightvermelding onder eigen naam heeft geplaatst.

Op 13 juni 2006 heeft verweerder verzoeker de dienstopdracht gegeven om uiterlijk 15 juni 2006 om 12.00 uur alle systeemtechnische barrières, die het bevoegd gezag toegang tot het automatiseringssysteem van CAS belemmeren, op te heffen en tevens een aantal daarin opgenomen copyrightvermeldingen op zijn naam ongedaan te maken. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 juni 2006 een bezwaarschrift ingediend.

Op 14 juni 2006 heeft verzoeker zich ziek gemeld. Verzoeker is opgeroepen om zich de volgende dag om 12.00 uur te melden bij de arbodienst. Op 15 juni 2006 is aan verzoeker medegedeeld dat is gebleken dat hij niet is verschenen bij de arbodienst en dat hij zich op 16 juni 2006 om 12.00 uur alsnog bij de arbodienst dient te melden. Verzoeker heeft bij brief van 3 juli 2006 hiertegen bezwaren naar voren gebracht.

Bij brief van 19 juni 2006 heeft verweerder de op 13 juni 2006 gegeven dienstopdracht herhaald. Verzoeker is gesommeerd de dienstopdracht vóór 21 juni 2006 om 12.00 uur uit te voeren. Verzoeker heeft daartegen bezwaren naar voren gebracht bij brief van 30 juli 2006.

Bij besluit van 28 juni 2006 heeft verweerder de bezoldiging van verzoeker met ingang van gelijke datum stopgezet vanwege ongeoorloofde afwezigheid. Tevens heeft verweerder aangekondigd dat aan verzoeker een disciplinaire maatregel zal worden opgelegd vanwege het niet opvolgen van dienstopdrachten. Verzoeker is daartegen in bezwaar gegaan bij brief van 7 augustus 2006. Met ingang van 30 juni 2006 heeft verweerder de bezoldiging van verzoeker voortgezet, omdat verzoeker weer op het werk is verschenen.

Bij brief van 3 juli 2006 heeft verweerder verzoeker ten laste gelegd:

1. het weigeren de broncodes mede te delen en daarmee een onbelemmerde toegang tot het geautomatiseerde systeem voor het bevoegd gezag mogelijk te maken. Verzoeker weigert daarmee uitvoering te geven aan de dienstopdrachten van 13 en 19 juni 2006;

2. het weigeren de copyrightvermeldingen te verwijderen. Verzoeker weigert daarmee eveneens uitvoering te geven aan de dienstopdrachten van 13 en 19 juni 2006;

3. het hanteren van de onder 1 en 2 vermelde weigeringen als drukmiddel in de richting van het bevoegd gezag;

4. de gang van zaken rond de ziekmelding van 14 juni 2006 en het zonder opgaaf van redenen niet hervatten van de werkzaamheden op 28 juni 2006.

Bij besluit van 14 juli 2006 heeft verweerder verzoeker de disciplinaire maatregel van voorwaardelijk ontslag opgelegd. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 19 juli 2006 een bezwaarschrift ingediend.

Op 3 oktober 2006 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de productiemanager en archiefspecialist van verweerder en verzoeker. Blijkens een van de zijde van verweerder opgesteld gespreksverslag heeft verzoeker toen geweigerd om de zogenaamde Handelingenbank te actualiseren, omdat verzoeker dan gebruik zou moeten maken van de hulpmiddelen. Naar aanleiding van een brief van 5 oktober 2006 van de gemachtigde van verweerder aan de gemachtigde van verzoeker heeft verzoeker bericht dat de inhoud van het gespreksverslag niet juist is en dat verzoeker aan de opdracht tot het actualiseren van de Handelingenbank zal voldoen. Bij brief van 11 oktober 2006 heeft de gemachtigde van verweerder aan de gemachtigde van verzoeker bericht, dat verzoeker per 10 oktober 2006 heeft geweigerd alsnog uitvoering te geven aan de opgedragen werkzaamheden de Handelingenbank te actualiseren met behulp van de hulpmiddelen en dat verzoeker op 11 oktober 2006 aan zijn leidinggevende heeft laten weten dat hij de betreffende hulpmiddelen uit het automatiseringssysteem van verweerder heeft verwijderd. Gelet daarop is verweerder voornemens verzoeker strafontslag te verlenen wegens het in strijd handelen met de voorwaarden genoemd in de disciplinaire maatregel van voorwaardelijk strafontslag van 14 juli 2006. De gemachtigde van verweerder heeft de gemachtigde van verzoeker uitgenodigd om uiterlijk vrijdag 13 oktober 2007 voor 16.00 uur zienswijzen in te dienen.

In een email van 11 oktober 2006 heeft verzoeker aan zijn gemachtigde bevestigd dat hij de hulpmiddelen van het netwerk van de CAS heeft verwijderd.

Bij brief van 17 oktober 2006 heeft de gemachtigde van verzoeker aan de gemachtigde van verweerder bericht dat verzoeker geen gebruik wil maken van de hulpmiddelen, maar dat hetzelfde resultaat kan worden bereikt met de hulpmiddelen die CAS ter beschikking heeft.

Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft verweerder, onder de overweging dat sprake is van verwikkelingen die strijdig zijn met de voorwaarden waaronder het aan verzoeker verleende voorwaardelijke strafontslag van 14 juli 2006 niet tot uitvoering is gekomen, het voorwaardelijke strafontslag omgezet in een besluit houdende strafontslag per 17 oktober 2006. Tegen dat besluit heeft verzoeker bij brief van 24 oktober 2006 een bezwaarschrift ingediend.

De bezwaarschriftencommissie heeft op 15 november 2006 verweerder geadviseerd om zijn besluiten van 13 juni 2006, 14 juni 2006, 19 juni 2006 en 28 juni 2006 niet te herroepen, doch dat wel te doen met betrekking tot het besluit van 14 juli 2006, in die zin dat tot een minder zware bestraffing dient te worden overgegaan dan voorwaardelijk strafontslag. De bezwaarschriftencommissie heeft daartoe kort gezegd overwogen dat weliswaar sprake is geweest van herhaald plichtsverzuim zijdens verzoeker, maar dat in de opstelling van verweerder, te weten het niet opvolgen van herhaalde verzoeken van verzoeker om herwaardering van zijn functie, het zich plotseling moeten onderwerpen aan een psychotechnisch onderzoek en een veiligheidsonderzoek door de Algemene Inlichtingen Veiligheids Dienst (AIVD) waarvan de directe noodzaak onduidelijk is gebleven, en dat eventuele vergoedingen voor verzoekers programmeerwerkzaamheden onbespreekbaar waren, verzachtende omstandigheden kunnen worden gezien.

Bij beslissing op bezwaar van 18 januari 2007 heeft verweerder de door verzoeker tegen de besluiten van 13 juni 2006, 14 juni 2006, 19 juni 2006 en 28 juni 2006 ingediende bezwaarschriften - onder overneming van het door de bezwaarschriftencommissie uitgebrachte advies - ongegrond verklaard. Bij dezelfde beslissing op bezwaar van 18 januari 2007 heeft verweerder het door verzoeker tegen het besluit van 14 juli 2006 ingediende bezwaarschrift - in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie - ongegrond verklaard. Tegen de beslissing op bezwaar van 18 januari 2007 heeft verzoeker bij brief van 23 februari 2007, aangevuld op 23 maart 2007, beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/226.

De bezwaarschriftencommissie heeft op 28 februari 2007 verweerder geadviseerd om het besluit van 17 oktober 2006 te handhaven.

Bij beslissing op bezwaar van 16 april 2007 heeft verweerder het door verzoeker tegen zijn besluit van 17 oktober 2006 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daartegen heeft verzoeker bij brief van 8 juni 2007 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/612. Op 20 juni 2007 heeft verweerder verzoeker (andermaal) bericht het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 17 oktober 2006 ongegrond te verklaren. Daartegen heeft verzoeker bij brief van 13 juli 2007 beroep ingesteld. Dat beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/778.

Bij beroepschrift, ingekomen op 23 juli 2007, heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht met betrekking tot de besluiten van 17 oktober 2006, 16 april 2007 en 20 juni 2007 een voorlopige voorziening te treffen.

Op 31 juli 2007 heeft verweerder de rechtbank bericht dat de op de zaak betrekking hebbende stukken en het verweerschrift gelijkluidend zijn aan de stukken en het verweerschrift zoals verzonden aan de rechtbank naar aanleiding van een reeds eerder aanhangig gemaakte voorlopige voorziening onder rolnummer 07/473.

Partijen is bij brief van 6 augustus 2007 door de griffier medegedeeld dat het verzoek om voorlopige voorziening ter zitting van de voorzieningenrechter op 20 september 2007 zal worden behandeld. Ter zitting is verzoeker in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, aan partijen verzonden.

Bij de rechtbank Den Haag is tussen partijen een civiele bodemprocedure aanhangig ter zake van de vraag of eiser als auteursrechthebbende van de hulpmiddelen kan worden aangemerkt.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voorzover hier van belang, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Artikel 80, eerste lid, ARAR bepaalt dat de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair kan worden gestraft. Op grond van het tweede lid van artikel 80 ARAR omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 81, eerste lid, sub l, ARAR kan als disciplinaire straf ontslag worden opgelegd. Ingevolge artikel 81, derde lid, ARAR kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

Bij primair besluit van 14 juli 2006 is de maatregel van voorwaardelijk strafontslag opgelegd, in die zin dat de maatregel niet ten uitvoer zou worden gelegd onder de voorwaarde dat verzoeker zich niet binnen een periode van 2 jaar schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en verzoeker zich houdt aan de bij het opleggen van de maatregel gestelde bijzondere voorwaarde dat hij binnen twee weken na dagtekening van het besluit alsnog tegemoetkomt aan de dienstopdrachten van 13 en 19 juni 2006. Bij primair besluit van 17 oktober 2006 is het voorwaardelijke strafontslag van 14 juli 2006 omgezet in een onvoorwaardelijk ontslag. Verweerder heeft daarbij samengevat overwogen dat sedert 5 oktober 2006 sprake was van soortgelijk plichtsverzuim.

Verzoeker heeft zich in de onderhavige procedure onder meer op het standpunt gesteld dat hem ten onrechte op 14 juli 2006 voorwaardelijke strafontslag is verleend en dat het voorwaardelijke strafontslag ten onrechte bij beslissing op bezwaar van 18 januari 2007 in stand is gelaten, zodat de grondslag van het onvoorwaardelijke strafontslag van 17 oktober 2006 komt te vervallen.

Gelet op voormelde door verzoeker aangevoerde grond, dient de voorzieningenrechter - nu het voorwaardelijk strafontslag nog niet in rechte vast staat - bij de beoordeling van de bestreden besluiten ter zake van het onvoorwaardelijke strafontslag vooreerst te beoordelen of verweerder terecht op 14 juli 2006 voorwaardelijk strafontslag heeft verleend en dat voorwaardelijk ontslag bij beslissing op bezwaar van 18 januari 2006 terecht in stand is gelaten.

Het voorwaardelijke strafontslag

Ter ondersteuning van zijn stelling dat aan hem ten onrechte op 14 juli 2006 voorwaardelijk strafontslag is verleend heeft verzoeker samengevat het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft in zijn vrije tijd ten behoeve van privé-doeleinden de hulpmiddelen ontwikkeld, die na enige aanpassing toepasbaar bleken binnen het systeem van de CAS. Omdat verweerder hem die werkzaamheden niet heeft opgedragen, en verweerder dit ook niet aan verzoeker wilde bevestigen, is verzoeker van mening dat het auteursrecht van de hulpmiddelen aan hem toekomt. Om die reden heeft verzoeker in de broncodes van de software een copyrightvermelding opgenomen. Verweerder heeft op oneigenlijke wijze gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om een dienstopdracht te verstrekken en via de dienstopdrachten van 13 juni en 19 juni 2006 getracht de auteursrechten van verzoeker op de hulpmiddelen te frustreren. Verzoeker was in de gegeven omstandigheden niet gehouden aan de dienstopdrachten te voldoen. Verder is geen sprake geweest van (ernstig) plichtsverzuim en is het voorwaardelijke strafontslag onevenredig. Verzoeker heeft op geen enkel moment het primaire proces in gevaar gebracht. Het systeem functioneerde en heeft ook altijd gefunctioneerd. Afgifte van de broncodes is hiervoor niet relevant en de benodigde wachtwoorden waren bij het personeel aanwezig.

Met betrekking tot de dienstopdracht van 13 juni 2006 heeft verzoeker gesteld dat hij die eerst ontving nadat hij zich ziek had gemeld, waardoor hij niet aan de dienstopdracht kon voldoen. Verzoeker heeft erkend dat hij zich op 15 juni 2006 niet bij de bedrijfsarts heeft gemeld, maar hij heeft aangevoerd daartoe niet in staat te zijn geweest omdat hij op diezelfde dag een afspraak had met een psycholoog. Om die reden heeft verzoeker zelf met de bedrijfsarts een afspraak gemaakt om op 16 juni 2006 te verschijnen. Verzoeker heeft niet aan de dienstopdracht van 19 juni 2006 kunnen voldoen omdat de bedrijfsarts had bepaald dat hij vanaf 14 juni 2006 veertien dagen rust diende te houden.

Voor wat betreft het besluit tot staken van de bezoldiging met ingang van 28 juni 2006 gedurende twee dagen heeft verzoeker gesteld dat hij door het tijdens zijn ziekte ontvangen van de twee dienstopdrachten, een aankondiging voor een psychotechnisch onderzoek van de zijde van verweerder, een aankondiging van een onderzoek door de AIVD, en omdat er overige correspondentie over hem is uitgestort, hij niet in staat was zijn werkzaamheden op 28 juni 2006 te hervatten. In de veronderstelling dat hij ziek zou zijn zolang hij zich niet beter had gemeld heeft hij zich op 28 juni 2006 niet gemeld. Hierbij heeft een rol gespeeld dat verzoeker zich op 29 juni 2006 heeft moeten melden voor het eerste deel van het psychotechnisch onderzoek.

Verweerder heeft zich samengevat op het volgende standpunt gesteld. Het auteursrecht op de hulpmiddelen komt ingevolge artikel 7 Auteurswet aan verweerder toe. Het ontwikkelen van de hulpmiddelen valt onder de functieomschrijving van verzoeker, respectievelijk de werkzaamheden vloeien voort uit de functie van verzoeker. Verweerder heeft verwezen naar uitspraken van de Centrale Raad (CRvB 20 december 1989, TAR 1990, 66 en CRvB 3 september 1992, TAR 1992, 223).

Verweerder heeft verder aangevoerd, dat verzoeker vanaf maart 2006 heeft gevraagd om alle opgedragen taken aan hem te bevestigen, waaruit volgt dat het ontwikkelen van de hulpmiddelen een opgedragen taak betrof. Door verzoeker is geen gevolg gegeven aan de dienstopdrachten, zodat sprake was van plichtsverzuim. Volgens de bedrijfsarts waren er destijds geen medische belemmeringen voor het uitvoeren van de dienstopdrachten. De door de bezwarencommissie aangenomen verzachtende omstandigheden hebben volgens verweerder onvoldoende de ernst van het plichtsverzuim weggenomen, zodat het voorwaardelijke strafontslag van 14 juli 2007 door de bodemrechter in stand zal worden gelaten.

Met betrekking tot de door de bezwaaradviescommissie op 15 november 2006 aangenomen verzachtende omstandigheden heeft verweerder samengevat nog het volgende opgemerkt. Op het verzoek om herwaardering van de functie door verweerder is destijds een positieve reactie gegeven, maar met bepaling dat deze pas zou plaatsvinden nadat het primaire proces was gereorganiseerd. Reeds daarvóór wilde verzoeker in maart 2006 dat de opgedragen taken werden bevestigd. Vervolgens heeft verzoeker steeds eigenrichting toegepast, in die zin dat de hulpmiddelen ontoegankelijk werden gemaakt met broncodes en wachtwoorden en dat verzoeker de hulpmiddelen uiteindelijk van het automatiseringssysteem van de CAS heeft verwijderd. Op vergoeding van de programmeeractiviteiten heeft eiser geen aanspraak gemaakt en pas zeer recentelijk is verzoeker een procedure omtrent de auteursrechten begonnen. Er is een psychotechnische rapportage aangevraagd omdat verzoeker in 2002 een psychische malaise heeft doorgemaakt en verweerder zekerheid wilde dat daarvan thans geen sprake was. Het veiligheidsonderzoek is ingesteld omdat verzoeker min of meer een monopolypositie innam wat betreft de toegankelijkheid van het automatiseringssysteem van de CAS. Verweerder ontkent dat de broncodes en wachtwoorden bij collega's van eiser beschikbaar waren.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

Verweerder heeft aan het voorwaardelijk strafontslag in de kern genomen ten grondslag gelegd dat eiser geen uitvoering heeft gegeven aan de dienstopdrachten van 13 juni 2006 en 19 juni 2006 en dat daarmee druk is uitgeoefend richting het bevoegd gezag, de gang van zaken rond de ziekmelding van 14 juni 2006 en het zonder opgaaf van redenen niet hervatten van de werkzaamheden op 28 juni 2006.

Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker de dienstopdrachten van 13 en 19 juni 2006 niet heeft uitgevoerd. De voorzieningenrechter is met verweerder en de bezwaarschriftencommissie van oordeel, dat indien een ambtenaar het niet eens is met een dienstopdracht, hij die opdracht niet behoort te negeren, maar deze in beginsel - al dan niet onder protest - dient uit te voeren. Laat de ambtenaar dat na dan maakt hij zich in beginsel schuldig aan plichtsverzuim. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door verzoeker naar voren is gebracht onvoldoende aanleiding om het niet uitvoeren van de op 13 juni 2006 en 19 juni 2006 gegeven dienstopdrachten, het negeren van de oproeping om zich bij de arbodienst te melden en het zonder opgaaf van redenen niet hervatten van de werkzaamheden op 28 juni 2006 niet als plichtsverzuim aan te merken. De voorzieningenrechter betrekt in haar oordeel dat verzoeker destijds niet aan verweerder kenbaar heeft gemaakt waarom hij geen uitvoering kon geven aan de dienstopdrachten.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bevoegd was verzoeker op grond van artikel 80, eerste lid, ARAR disciplinair te straffen.

De voorzieningenrechter overweegt dat het besluit van verweerder verzoeker voorwaardelijk strafontslag te verlenen van discretionaire aard is. Dit betekent dat verweerder een grote mate van beleidsvrijheid toekomt en dat de voorzieningenrechter zich bij toetsing van dat besluit in dat licht bezien terughoudend dient op te stellen.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van ernstig plichtsverzuim en dat het voorwaardelijk ontslag onevenredig is. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader het volgende.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is gebleken dat tussen partijen in geschil is wie auteursrechthebbende is van de hulpmiddelen en dat de oorsprong van dat geschil gelegen is in de omstandigheid dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de herhaalde verzoeken van verzoeker tot herwaardering van zijn functie en het verzoek tot bevestiging van de aan verzoeker opgedragen taken, waaronder de ontwikkeling van de hulpmiddelen. Verzoeker heeft daaraan de conclusie verbonden dat nu het ontwikkelen van de hulpmiddelen (veelal) in zijn vrije tijd is gebeurd, het ontwikkelen ervan niet onder zijn functieomschrijving kan worden begrepen en verweerder niet heeft bevestigd dat de hulpmiddelen in opdracht van verzoeker zijn ontwikkeld, hij auteursrechthebbende van de hulpmiddelen is. Verzoeker heeft om die reden onder meer een copyrightsign op de hulpmiddelen aangebracht. Wat er ook van die conclusie verder zij - zulks ligt inmiddels ter beoordeling van de civiele rechter - het op zich zelf bevoegdelijk geven van de dienstopdrachten van 13 juni 2006 en 19 juni 2006 heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter de kwestie (verder) op scherp gezet. Verweerder heeft bovendien in diezelfde periode verzoeker opgeroepen te verschijnen bij de bedrijfsarts, verzoeker onderworpen aan een psychotechnisch onderzoek en verzoeker onderworpen aan een veiligheidsonderzoek. De voorzieningenrechter overweegt verder, dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de kwestie omtrent het auteursrecht genuanceerd ligt. Juist ook gelet daarop had een wat compromiserende benadering van verweerder voor de hand gelegen. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook verweerder een verwijt treft voor de (verdere) ontstane conflictuese situatie.

Voorts staat tussen partijen weliswaar niet ter discussie dat de dienstopdrachten door verzoeker niet zijn uitgevoerd, maar wél wat de gevolgen daarvan voor verweerder zijn geweest. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij schade heeft geleden tengevolge van de handelswijze van verzoeker, maar verzoeker stelt dat hij op geen enkel moment het primaire proces in gevaar heeft gebracht, dat het systeem functioneerde en dat afgifte van de broncodes daarvoor niet relevant was, terwijl de wachtwoorden bij het personeel aanwezig waren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de ernst van de verweten gedragingen van verzoeker en de schade die tengevolge van de verweten gedragingen zou zijn geleden, niet voldoende met deugdelijk vastgestelde gegevens heeft onderbouwd.

Het vorenstaande overziend, in aanmerking nemende de niet door verweerder betwiste verder goede staat van dienst van verzoeker, zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter eerder vermelde verweten gedragingen, ook in samenhang beschouwd, niet van zodanige ernst dat de opgelegde straf van voorwaardelijk ontslag hieraan evenredig kan worden geacht. De voorzieningenrechter is met de bezwarencommissie van oordeel dat verweerder met oplegging van een minder zware disciplinaire straf had dienen te volstaan.

Het onvoorwaardelijke strafontslag

Nu - zoals uit het voorgaande blijkt - naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het voorwaardelijke strafontslag niet in stand kan worden gehouden, komt daarmee eveneens de grondslag te vervallen aan het onvoorwaardelijke strafontslag van 17 oktober 2006. De voorzieningenrechter komt aldus niet meer toe aan beoordeling van de in het kader van het onvoorwaardelijke strafontslag aan verzoeker verweten gedragingen.

Verzoeker heeft verzocht het primaire besluit van 17 oktober 2006 en de beslissingen op bezwaar van 14 april 2007 en 20 juni 2007, waarbij de bezwaren van eiser tegen het onvoorwaardelijke strafontslag ongegrond zijn verklaard, te schorsen. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is de beslissing op bezwaar van 14 april 2007 niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt, zodat de beslissing op bezwaar ingevolge artikel 3:40 Awb eerst op 20 juni 2007 in werking is gestreden.

Naar het zich thans laat aanzien kunnen de door verzoeker bestreden besluiten van 17 oktober 2006 en 20 juni 2007 de rechtmatigheidtoets niet doorstaan. Het verzoek om voorlopige voorziening tot schorsing van de besluiten van 17 oktober 2007 en 20 juni 2007 komt om die reden dan ook voor inwilliging in aanmerking.

De voorzieningenrechter acht tot slot termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, juncto artikel 8:84, vierde lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de voorzieningenrechter deze kosten op € 644,-, zoals nader aangegeven op een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in dier voege dat de bestreden besluiten van 17 oktober 2006 en 20 juni 2007 worden geschorst met ingang van de dag waarop voormelde besluiten in werking zijn getreden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,--, welke kosten de Staat der Nederlanden (het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) aan verzoeker dient te vergoeden;

- bepaalt dat voormelde rechtspersoon aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht, te weten € 143,--, vergoedt;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mr. A. Houtman, voorzieningenrechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 4 oktober 2007, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Doornbos als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

typ: lg