Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB4449

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
10-08-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
AWB 07/805 BESLU en AWB 07/806 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De burgemeester heeft een aantal exploitatievergunningen voor prostitutie-inrichtingen ingetrokken omdat er een negatief BIBOB-advies met betrekking tot verzoeker is afgegeven. De voorzieningenrechter vernietigde de bob omdat verzoeker uitvoerig gemotiveerd aangaf en aannemelijk maakte dat een aantal in het BIBOB-advies gestelde zaken niet klopt. De vraag blijft daardoor of de in het advies van het bureau BIBOB opgenomen feiten en omstandigheden de door dat bureau getrokken conclusies wel kunnen dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers.:

AWB 07/805 BESLU

AWB 07/806 BESLU

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen, als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tevens uitspraak op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, Awb in het geschil tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. W.R. van der Velde

ten aanzien van het besluit van 11 juli 2007, kenmerk: DI07.1415480, van

de burgemeester van Groningen, verweerder,

gemachtigde: mr. J.D. Leerink.

1. FEITEN EN PROCESVERLOOP

Bij besluit van 21 februari 2007 heeft verweerder op grond van artikel 3, eerste lid, sub b, juncto artikel 7, eerste lid van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna te noemen: wet BIBOB) besloten de aan verzoeker verleende exploitatievergunningen ten behoeve van de prostitutie-inrichtingen, gevestigd in de panden [adres1], [adres2], [adres3], [adres4] en [adres5] te [woonplaats], in te trekken.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb, bij brief van

26 februari 2007 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd met betrekking tot het bestreden besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Na op 28 maart 2007 en 5 april 2007 gehouden zittingen heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 17 april 2007, nr. AWB 07/225 BESLU, het besluit van verweerder van

21 februari 2007 geschorst tot en met zes weken na de datum van de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 11 juli 2007, verzonden op gelijke datum, heeft verweerder het door verzoeker bij brief van 26 februari 2007 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 26 juli 2007 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 07/805 BESLU. In dit beroepschrift heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 07/806 BESLU.

Verweerder heeft op 6 augustus 2007 de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft op grond van artikel 8:29, eerste lid, Awb een aantal stukken overgelegd onder de mededeling dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennis zal mogen nemen.

Bij beslissing van 7 augustus 2007 heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:29, derde lid, Awb beslist dat de beperking van de kennisneming met betrekking tot een aantal door verweerder overgelegde stukken gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft bij brief van 8 augustus 2007 aan de voorzieningenrechter toestemming verleend om mede op grondslag van bedoelde stukken uitspraak te doen. Verzoeker heeft tevens verzocht om behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening achter gesloten deuren.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het verzoek is, gevoegd met het verzoek om voorlopige voorziening geregistreerd onder nummer AWB 07/807 BESLU, behandeld ter zitting achter gesloten deuren van de voorzieningenrechter op 10 augustus 2007. Verzoeker is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en S.Z. Scheepstra.

Verweerder heeft zich ter zitting door zijn gemachtigde en mr. H.J. Blaauw laten vertegenwoordigen.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voor zover hier van belang, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, Awb, kan de voorzieningenrechter indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Partijen zijn op de voet van artikel 8:86, tweede lid, Awb, bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen. Partijen hebben ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen toepassing van artikel 8:86 Awb.

Op grond van de stukken en het ter zitting besprokene komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat hier zich de situatie als bedoeld in artikel 8:86 voordoet. Er wordt derhalve onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak.

Het bestreden besluit betreft de intrekking van exploitatievergunningen betrekking hebbend op de panden [adres1], [adres2], [adres3], [adres4] en [adres5]. De vergunning die ziet op het pand

[adres2] is per 1 juni 2007 verlopen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard zijn verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot voornoemd pand [adres2] om die reden niet langer te handhaven.

Op grond van artikel 7 wet BIBOB kan een gemeentelijke vergunning die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door verweerder, voorzover het een krachtens het tweede lid aangewezen inrichting of bedrijf betreft, worden ingetrokken, in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.

Artikel 3 wet BIBOB luidt als volgt:

"1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:

a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of

b. strafbare feiten te plegen.

2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.

3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:

a. de mate van het gevaar en

b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.

6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar."

Verweerder heeft besloten de betreffende vergunningen in te trekken op grond van de overweging dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat deze vergunningen mede gebruikt worden om strafbare feiten te plegen en tevens is sprake van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wet BIBOB omdat verzoeker heeft geweigerd de aanvullende vragen volledig te beantwoorden.

Verzoeker is van mening dat verweerder in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten de vergunningen in te trekken.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Bij uitspraak van 17 april 2007, nr. AWB 07/225 BESLU, heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit van 21 februari 2007 geschorst tot en met zes weken na de datum van de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter is daartoe gekomen op grond van de overweging dat verweerder zich er in onvoldoende mate van heeft vergewist dat het onderzoek naar de van belang zijnde feiten op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Geconcludeerd is dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of de feiten zoals opgenomen in het advies de door het bureau-BIBOB getrokken conclusies kunnen dragen.

De voorzieningenrechter maakt de overwegingen in de uitspraak van 17 april 2007 tot de hare, hetgeen ertoe leidt dat thans beoordeeld dient te worden of sprake is van feiten of omstandigheden die een ander licht op de zaak kunnen werpen.

Na de uitspraak van 17 april 2007 heeft verweerder het bureau-BIBOB om nader advies verzocht -hetwelk op 23 mei 2007 is uitgebracht- en heeft verweerder nadere vragen gesteld aan de korpschef van de Regiopolitie Groningen. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken en er heeft een hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie plaatsgevonden.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van feiten of omstandigheden die thans tot het oordeel zouden moeten leiden dat verweerder in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Het aanvullende advies van het bureau-BIBOB van 23 mei 2007 bevat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen informatie of gegevens die al niet eerder bekend waren of informatie of gegevens die een ander licht op de zaak werpen.

Voor wat betreft de stelling van verweerder dat intrekking van de aan verzoeker verleende vergunningen reeds had kunnen plaatsvinden op grond van de overweging dat verzoeker weigerachtig is gebleken informatie te verstrekken is de voorzieningenrechter van oordeel dat daarvan geen sprake is. Verzoeker heeft meerdere malen aangeboden informatie te willen verstrekken, doch op de vraag welke informatie hij dient te verschaffen heeft hij geen antwoord ontvangen.

Verzoeker heeft uitvoerig gemotiveerd aangegeven en aannemelijk gemaakt dat een aantal in het BIBOB-advies gestelde zaken niet klopt. De punten a tot en met j, genoemd op bladzijde 5 in zaak AWB 07/225 BESLU, blijven ook thans onopgehelderd. De voorzieningenrechter zet er dan ook vraagtekens bij of de in het advies van het bureau BIBOB opgenomen feiten en omstandigheden de door dat bureau getrokken conclusies wel kunnen dragen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart waardoor het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 Awb dient te worden geacht. Voorts komt de voorzieningenrechter op grond van het in deze uitspraak overwogene tot het oordeel dat verweerder zich er in onvoldoende mate van heeft vergewist dat het door het bureau-BIBOB verrichte onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaats-gevonden, waardoor sprake is van strijdigheid met artikel 3:9 Awb.

Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het bestreden besluit de rechtmatigheidtoets niet kan doorstaan. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Aangezien door deze vernietiging het primaire besluit van 21 februari 2007 herleeft acht de voorzieningenrechter termen aanwezig dat besluit op de voet van artikel 8:72, vijfde lid, Awb te schorsen tot en met zes weken na de datum van de bekendmaking van de andermaal te nemen beslissing op bezwaar.

Nu beslist wordt op de hoofdzaak dient het verzoek om toepassing van artikel 8;81 Awb te worden afgewezen.

Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard en het bestreden besluit voor verzoeker aanleiding vormde zijn verzoek om voorlopige voorziening in te dienen bepaalt de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:74, eerste lid, Awb en artikel 8:82, vierde lid, Awb dat het voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht door de gemeente Groningen aan verzoeker wordt vergoed. De voorzieningenrechter acht voorts termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8;75, eerste lid, Awb en artikel 8:84, vierde lid, Awb, te veroordelen in de kosten die verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken, en wijst de gemeente Groningen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de voorzieningen-rechter deze kosten op € 644,--, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende bijlage. Opgemerkt zij hierbij dat de voorzieningenrechter heeft besloten als wegingsfactor 0,5 te hanteren met betrekking tot het beroepschrift en het verzoekschrift omdat sprake is van één beroepschrift annex verzoek om voorlopige voorziening. Met betrekking tot de behandeling ter zitting van het verzoek om voorlopige voorziening wordt als wegingsfactor 1 gehanteerd.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 11 juli 2007, kenmerk: DI07.1415480;

-schorst het besluit van 21 februari 2007, kenmerk: BD 07.1375767, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb, tot en met zes weken na de datum van de bekendmaking van de andermaal te nemen beslissing op bezwaar;

-wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb af;

-bepaalt dat de gemeente Groningen verzoeker het betaalde griffierecht van

€ 286,-- vergoedt;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, die zijn vastgesteld op

€ 644,00, en bepaalt dat de gemeente Groningen verzoeker deze kosten dient te

betalen.

Aldus gegeven door mr. A. Houtman, voorzieningenrechter en in het openbaar door haar uitgesproken op 10 augustus 2007, in tegenwoordigheid van M.J.'t Hart als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

De voorzieningenrechter wijst er op dat belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak, met uitzondering van de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening, hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Tegen de beslissing op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

verzonden op:

typ: HtH.