Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB4426

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
23-07-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
AWB 06/1685 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering en terugvordering reïntegratiekosten wegens inkomsten uit een hennepkwekerij en verlaging van de bijstandsuitkering. Voor wat betreft de verlaging van de bijstandsuikering overweegt de rechtbank dat de verlaging ten onrechte heeft plaatsgevonden, nu verweerder ter zitting heeft bevestigd dat het benadelingsbedrag hoger ligt dan de aangiftegrens van het Openbaar Ministerie en het Openbaar Ministerie niet heeft afgezien van vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, meervoudige kamer

Zaaknr.: AWB 06/1685 WWB HOB

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. H.A. Jonker-van Dijk

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlagtwedde, verweerder,

gemachtigde: L.H. Tuhumury.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 november 2006.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 april 2006. Voor zover het bezwaar zich richtte tegen de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser en tegen de verlaging van de uitkering, is het door verweerder ongegrond verklaard. Voor zover het bezwaar zich richtte tegen de terugvordering van reïntegratiekosten, is het niet-ontvankelijk verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 28 juni 2007.

Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

3. Rechtsoverwegingen

3.1. Feiten en standpunten van partijen

Eiser ontvangt vanaf 11 september 2003 een bijstandsuitkering van verweerder. De uitkering is toegekend op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Vanaf 1 januari 2004 ontvangt eiser de bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb).

In januari 2006 heeft verweerder via de regiopolitie Drenthe een melding ontvangen dat de politie op 16 januari 2006 een hennepkwekerij had aangetroffen in een pand te [plaats] dat door eiser werd gehuurd. Verweerder heeft op 25 januari 2006 het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord & Oost Groningen (hierna: Sociale Recherche) verzocht een onderzoek in te stellen naar de uitkeringsrechten van eiser.

De Sociale Recherche heeft dossieronderzoek verricht naar het installeren van een hennepkwekerij in het door eiser gehuurde pand. Op 16 maart 2006 is de heer [verhuurder], verhuurder van het pand, als getuige gehoord. Voorts is eiser op 23 maart 2006 verhoord.

In een rapport van 11 april 2006 heeft de Sociale Recherche geconcludeerd dat eiser zijn werkzaamheden en mogelijke inkomsten gedurende de periode 1 juni 2004 tot en met

16 januari 2006 opzettelijk tegenover verweerder heeft verzwegen en dat eiser de gemeente Vlagtwedde voor een bedrag van € 18.123,18 heeft benadeeld.

Bij besluit van 11 april 2006 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser herzien en de uitkering tot een bedrag van

€ 18.123,18 teruggevorderd.

Daarnaast heeft verweerder een bedrag van € 7.472,92 aan betaalde kosten voor reïntegratie van eiser teruggevorderd. Ten slotte heeft verweerder de uitkering van eiser bij de eerstvolgende betaling verlaagd met € 840,24, te weten 100% van de bijstandsnorm.

Bij brief van 1 mei 2006 heeft eiser bezwaar aangetekend tegen dit besluit.

Op 14 juni 2006 heeft de sociale kamer van de onafhankelijke commissie van advies voor bezwaarschriften (hierna: commissie) een hoorzitting gehouden. Bij advies van 12 juli 2006 heeft de commissie geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.

Bij bestreden besluit van 21 november 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard voor zover het bezwaar zich richtte tegen de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser en tegen de verlaging van de uitkering. Voor zover het bezwaar zich richtte tegen de terugvordering van reïntegratiekosten, is het door verweerder niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 20 december 2006 heeft eiser beroep ingesteld. Eiser heeft de volgende gronden aangevoerd.

Er is geen sprake van schending van de inlichtingenplicht. Uit de hennepkwekerij heeft hij geen inkomsten ontvangen en hij functioneerde slechts als katvanger.

Anders dan verweerder stelt, was eiser niet huurder van een bedrijfspand maar van een opslagpand. De opslag van goederen is nooit van de grond gekomen

Niet over de gehele terugvorderingsperiode is in het pand een hennepkwekerij gevoerd dan wel gehouden. Eiser is strafrechtelijk alleen veroordeeld voor houden van een hennepkwekerij over de periode 16 november 2005 tot en met 16 januari 2006.

Ten onrechte is verweerder niet tot afweging van belangen overgegaan bij de vraag of teruggevorderd moet worden.

Ten onrechte is tot verlaging van de bijstand met 100% overgegaan.

Ten onrechte is eisers bezwaar tegen de terugvordering van de reïntegratiekosten niet-ontvankelijk verklaard.

Verweerder heeft niet tijdig beslist op bezwaar.

Op 16 maart 2007 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden.

Op 14 juni 2007 heeft eiser nadere stukken ingediend.

3.2. Beoordeling van het beroep

Herziening en terugvordering

Per 1 januari 2004 is de Wwb en de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWwb) in werking getreden. In de uitspraak van 21 april 2005 (LJN: AT 4358) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) uitgesproken dat het betrokken bestuursorgaan vanaf 1 januari 2004 aan de artikelen 54, 58 en 59 van de Wwb zijn bevoegdheid ontleent om tot herziening of intrekking en tot terugvordering over te gaan. Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat artikel 54,

derde lid, aanhef en onder a, van de Wwb ook kan worden toegepast in situaties waarin het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) zich heeft voorgedaan voordat de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de Wwb is gaan gelden. Artikel 65, eerste lid Abw was van kracht tot 1 januari 2005. Vanaf die datum is artikel 17, eerste lid, Wwb geldig. Voor de beoordeling van het recht op bijstand zijn (in beginsel) de rechten en verplichtingen van toepassing naar de wetgeving, zoals die in het in geding zijnde tijdvak dan wel op de in geding zijnde datum van kracht was.

Uit bovenstaande volgt dat verweerder terecht de bevoegdheid tot herziening van de bijstandsuitkering heeft gebaseerd op artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, Wwb en terecht de bevoegdheid tot terugvordering heeft gebaseerd op artikel 58 Wwb.

Artikel 11, eerste lid, Wwb luidt:

Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 65, eerste lid, Abw luidt als volgt:

De belanghebbende doet aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Artikel 17, eerste lid, Wwb bepaalt:

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 54, derde lid, aanhef en onder a Wwb luidt:

Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de artikelen 28, tweede lid, en 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, Wwb luidt:

Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kan kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Niet in geschil is dat eiser vanaf 1 juni 2004 een pand te [plaats] heeft gehuurd en dat deze huur in ieder geval heeft voortgeduurd tot 16 januari 2006, de datum waarop de politie in het pand een hennepkwekerij aantrof. Evenmin is in geschil dat de maandelijkse huurpenningen, aanvankelijk ter hoogte van € 612,- en later ter hoogte van € 648,-, steeds van een bankrekening van eiser werden overgemaakt naar een bankrekening van de verhuurder.

De rechtbank overweegt dat het huren van het pand in kwestie, met de klaarblijkelijke bedoeling om daarin bedrijfsmatige activiteiten te ontwikkelen, een feit of omstandigheid is als bedoeld in artikel 65, eerste lid, Awb respectievelijk artikel 17, eerste lid, Wwb. Ditzelfde geldt voor de betaling van de huurpenningen nu de uit hoogte daarvan, die nauwelijks lager is dan de bijstand die eiser maandelijks van verweerder ontving, volgt dat eiser naast de bijstandsuitkering ook andere inkomsten had dan wel over vermogen beschikte. Dergelijke inkomsten of een dergelijk vermogen zijn door eiser niet aan verweerder gemeld.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de inlichtingenplicht van artikel 65, eerste lid, Awb respectievelijk van artikel 17, eerste lid, Wwb, geschonden door het huren van het pand en het betalen van de huur niet te melden aan verweerder. De vraag of gesproken dient te worden van een bedrijfspand of van een pand voor opslag acht de rechtbank in dit verband niet van belang.

Nu eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden, is het volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep aan eiser om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat, als hij die verplichting destijds wel naar behoren zou zijn nagekomen, aan hem over het betrokken tijdvak volledige althans aanvullende bijstand zou zijn verleend. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 juni 2006, JWWB 2006/258, LJN: AY3569.

De rechtbank overweegt dat eiser tegenover de Sociale Recherche heeft verklaard dat hij als een zogenaamde katvanger voor een organisatie heeft gefungeerd. Bij deze organisatie had eiser, naar hij verklaarde, een schuld van € 10.000,-. Deze schuld kon hij aflossen door onder zijn naam het pand te [plaats] te huren waarna de organisatie hierin een hennepplantage zou installeren. Eiser stelt dat hij het geld voor de huur contant van mensen van deze organisatie ontving en vervolgens via de bank naar de verhuurder overmaakte. Met het installeren en in bedrijf hebben van de hennepkwekerij heeft hij naar eigen zeggen geen enkele bemoeienis gehad. Uit de hennepkwekerij heeft hij geen inkomsten ontvangen.

De rechtbank overweegt dat eiser geen deugdelijke administratie of boekhouding heeft bijgehouden waaruit de juistheid van de tegenover de Sociale Recherche afgelegde verklaring blijkt. Ook overigens heeft hij zijn stelling dat hij in het geheel geen inkomsten heeft verworven, niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. In dit verband merkt de rechtbank op dat het voorschieten van de huur en het kwijtschelden van de schuld in beginsel ook als inkomsten kunnen worden aangemerkt. Eiser heeft het risico genomen dat de omvang van verworven inkomsten achteraf niet met voldoende zekerheid kunnen worden vastgesteld. Dit betekent dat eiser niet aan bovengenoemde bewijslast heeft voldaan. De gevolgen daarvan dienen voor rekening van eiser te komen.

Hieruit volgt dat verweerder op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a Wwb bevoegd was tot herziening van de bijstandsuitkering over te gaan. Nu het recht van eiser op bijstand niet meer is vast te stellen, was er voor verweerder aanleiding om over te gaan tot volledige herziening van het recht op bijstand. Nu de schending van de inlichtingenverplichting gedurende de gehele periode heeft plaatsgevonden, is het niet van belang dat eiser strafrechtelijk alleen veroordeeld is voor het houden van een hennepkwekerij over de periode 16 november 2005 tot en met 16 januari 2006.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder bevoegd was op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, Wwb tot terugvordering van een bedrag van € 20.348,82 over te gaan.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte bij het besluit tot herziening en terugvordering niet de belangen van eiser heeft betrokken. Hierbij heeft eiser erop gewezen dat hij een enorme schuldenlast heeft en dat de wettelijke schuldsanering tussentijds is beëindigd.

De rechtbank overweegt dat verweerder dienaangaande een beleid voert dat is neergelegd in de "Beleidsregels terugvordering Wet werk en bijstand van de gemeente Vlagtwedde". Hierin wordt, voor zover in deze zaak van belang, bepaald dat van het nemen van een herzieningsbesluit en van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien op grond van dringende redenen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de schuldpositie van eiser niet als een dringende reden aangemerkt. Hierbij is van belang dat de tussentijdse beëindiging van de schuldsanering, blijkens het vonnis van deze rechtbank, sector civielrecht, van

31 maart 2006, het gevolg is van de omstandigheid dat eiser niet aan de bewindvoerder heeft gemeld dat hij het pand te [plaats] huurde en dat daarin een hennepkwekerij werd gehouden. De beëindiging is tevens het gevolg van het feit dat eiser bovenmatige schulden heeft doen ontstaan als gevolg van een vordering van het energiebedrijf door de wijze waarop de hennepkwekerij werd gehouden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid tot de herziening van het recht op bijstand en tot terugvordering van de verleende bijstand kunnen besluiten.

De beroepsgronden die betrekking hebben op de herziening en terugvordering treffen geen doel.

Verlaging bijstand

In het primaire besluit, alsmede in het bestreden besluit, heeft verweerder voorts besloten de uitkering van eiser bij de eerst volgende betaling te verlagen met € 840,24, zijnde 100% van de bijstandsnorm. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op de volgende artikelen.

Artikel 18, tweede lid, Wwb:

Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de bijstand. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Artikel 3, aanhef, vijfde lid, onder a Verordening afstemming bijstand gemeente Vlagtwedde 2004 (Afstemmingsverordening):

De gedragingen bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet worden onderscheiden in de volgende categorieën: (...)

vijfde categorie: het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college gestelde termijn nakomen van inlichtingen- en medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17 van de wet, als dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag ontvangen van bijstand, waarbij het benadelingsbedrag lager dient te liggen dan de aangiftegrens van het Openbaar Ministerie, tenzij het Openbaar Ministerie afziet van vervolging.

In de toelichting op dit artikel staat vermeld dat genoemde aangiftegrens ligt bij € 6.000,-.

Gelet op voornoemd artikel en de verklaring van verweerder ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de verlaging ten onrechte heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft immers ter zitting bevestigd dat het benadelingsbedrag hoger ligt dan de aangiftegrens van het Openbaar Ministerie en het Openbaar Ministerie niet heeft afgezien van vervolging. De beroepsgronden van eiser die zich richten tegen de verlaging van de bijstandsuitkering slagen. Het bestreden besluit zal in zoverre vernietigd worden. Nu niet langer in geschil is dat ten onrechte tot verlaging is over gegaan, behoeft niet opnieuw op bezwaar beslist te worden. De rechtbank zal op de voet van artikel 8:72, vierde lid van de Awb het primaire besluit herroepen voor zover voor zover dit betrekking heeft op de verlaging van de bijstand;

Terugvordering kosten van reïntegratie

In het primaire besluit heeft verweerder een bedrag van € 7.472,92 aan betaalde kosten voor reïntegratie van eiser teruggevorderd op grond van artikel 6:162 BW in samenhang met de artikelen 6:203 BW en 6:212 BW. Tevens heeft verweerder aangekondigd deze vordering op grond van artikel 6:127 BW te verrekenen met eisers recht op bijstand.

Verweerder heeft het bezwaar tegen deze terugvordering niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank overweegt dat het besluit tot terugvordering van de kosten van reïntegratie niet kan worden aangemerkt als een besluit zoals gedefinieerd in artikel 1:3, eerste lid, Awb. Het betreft een privaatrechtelijke vordering van verweerder jegens eiser en kan om die reden niet aangemerkt worden als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Gezien artikel 8:1 Awb in samenhang met artikel 7:1 Awb staat daardoor de mogelijkheid van bezwaar niet open. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit gericht was tegen de terugvordering van de kosten van reïntegratie. Dat het besluit tot terugvordering vervat is in een besluit dat voor het overige wel publiekrechtelijk van aard is en waarin een bezwaarclausule is opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Ten slotte stelt eiser ten onrechte dat het primaire besluit met betrekking tot de terugvordering van de kosten van reïntegratie een executoriale titel omvat.

Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden tegen de niet-ontvankelijkverklaring niet slagen.

4. Beslissing

De Rechtbank Groningen, sector Bestuursrecht, meervoudige kamer,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 21 november 2006 voor zover dit betrekking heeft op de verlaging van de bijstand;

- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

- herroept het primaire besluit van 11 april 2006 voor zover dit betrekking heeft op de verlaging van de bijstand;

- wijst de gemeente Vlagtwedde aan als de rechtspersoon die het betaalde griffierecht ad € 38,- aan eiser dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 655,18, onder aanwijzing van de gemeente Vlagtwedde als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.P. den Hollander, voorzitter, mr. M.W. de Jonge en mr. P. Mendelts, rechters en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2007 in tegenwoordigheid van mr.drs. H.A. Hulst als griffier.

De griffier, de voorzitter,

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.