Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB4419

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
31-07-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
AWB 06/1134
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schorsing verleende garnalenvergunning voor een periode van twee weken. Er zijn foutieve mededelingen gedaan door de AID met betrekking tot uitvaarverbod. In het bestreden besluit heeft verweerder dit niet betrokken. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht, meervoudige kamer

Zaaknr.: AWB 06/1134

Uitspraak in het geschil tussen

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. W. Frankema,

en

de Minister van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Nagel.

1. Onderwerp van geschil

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 12 juli 2006. In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser, gericht tegen het besluit van 4 april 2006 waarbij de aan eisers vissersvaartuig verleende garnalenvergunning voor een periode van twee weken is geschorst, ongegrond verklaard.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 28 juni 2007.

Eiser is aldaar in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

3. Rechtsoverwegingen

3.1. Feiten en standpunten van partijen

In een ambtsedig rapport opgemaakt op 27 februari 2006 hebben twee beambten van de Algemene Inspectiegebied, Vakgebied Visserij (AID) bevindingen kenbaar gemaakt. Zij schrijven hierin dat de [naam vaartuig], het vissersvaartuig van eiser, van zaterdag 28 januari 2006 te 9:24 uur tot en met woensdag 1 februari 2006 te 20:54 uur een visreis heeft gemaakt waarbij garnalen (Crangon crangon) zijn gevangen in buitenlandse wateren. De [naam vaartuig] is op deze wijze tussen vrijdag 12:00 uur en zondag 24:00 uur buiten de haven geweest in Nederlandse wateren met een vistuig aan boord, hetgeen in strijd is met het weekendverbod.

Bij besluit van 4 april 2006 heeft verweerder de voor eisers vissersvaartuig [naam vaartuig] verleende garnalenvergunning met ingang van maandag 10 april 2006 geschorst voor een periode van twee weken.

Hiertegen heeft eiser op 9 mei 2006 bezwaar aangetekend.

Bij bestreden besluit van 12 juli 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 16 augustus 2006 heeft eiser beroep ingesteld, met aanvulling van gronden op 22 augustus 2006 en 15 december 2006. Eiser heeft de volgende gronden aangevoerd.

Eiser behoort tot de groep van garnalenvissers die voorafgaand aan het uitvaren uitdrukkelijk informatie heeft ingewonnen bij de Nederlandse Vissersbond en de AID en hierop te goeder trouw is afgegaan. Hen is verteld dat het niet verboden was om uit te varen. Ze mochten vertrouwen op de verstrekte informatie.

Verweerder heeft niet tijdig melding gemaakt van het weekendverbod.

Het opleggen van een sanctie betreft een discretionaire bevoegdheid. Verweerder is dus niet te allen tijde verplicht om bij een vermeende overtreding een sanctie op te leggen.

Een schorsing van twee weken staat niet in verhouding tot de vermeende overtreding en is dus onevenredig.

Het opleggen van een sanctie aan eiser is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, nu verweerder in sommige gevallen wél en in vele gevallen niet tot sancties is overgegaan. In het geval van [naam] is voor een vergelijkbare overtreding een waarschuwing opgelegd.

Eiser heeft stukken overgelegd betreffende procedures welke aanhangig zijn bij de rechtbank Leeuwarden. Het gaat om de beroepszaken van [naam1], registratienummer AWB 06/2016, [naam2], registratienummer AWB 06/2017 en [naam], registratienummer AWB 06/2572.

Op 25 augustus 2006 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden.

3.2. Wettelijk kader

In artikel 1, vierde lid, Visserijwet 1963 wordt het begrip zeevisserij gedefinieerd als het vissen in zee, met inbegrip van het vissen in de visserijzone en in daaraangrenzende, bij algemene maatregel van bestuur als zeegebied aangewezen wateren.

Artikel 4, eerste en tweede lid, Visserijwet 1963 luidt:

1. In het belang van de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder b, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen worden gesteld, die kunnen strekken tot instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden in die wateren onderscheidenlijk tot een beperking van de vangstcapaciteit. Bij het stellen van zodanige regelen kan mede rekening worden gehouden met de belangen van de natuurbescherming.

2. Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in het eerste lid, kunnen mede voorschriften worden gegeven in het belang van de naleving van de aldaar bedoelde regelen.

De aangeduide algemene maatregel van bestuur is het Reglement zee- en kustvisserij 1977. Artikel 3 bepaalt het volgende;

1. In het belang van de visserij is Onze Minister bevoegd regelen te stellen:

a. ter uitvoering van op grond van internationale overeenkomsten of van besluiten van volkenrechtelijke organisaties opgelegde verplichtingen of verleende bevoegdheden;

b. ter verzekering van de instandhouding dan wel uitbreiding van de visvoorraden.

2. Bij het stellen van regelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,

a. kan, voor zover de regelen betrekking hebben op de visserij in de wateren, bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel b, van de wet, mede rekening worden gehouden met de belangen van de natuurbescherming;

b. (...).

3. De in het eerste lid bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op de visserij op alle dan wel bepaalde door Onze Minister aan te wijzen vissoorten.

4. Onze Minister kan voorschriften geven ter naleving van de in het eerste lid bedoelde regelen.

Artikel 4 luidt, voor zover in de onderhavige zaak van belang, als volgt:

1. De in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde regelen kunnen betrekking hebben op:

a. het instellen van gesloten gebieden;

b. het vissen in bepaalde tijdvakken;

c.(...).

2. Indien de in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde regelen een verbod tot het verrichten van bepaalde handelingen inhouden, kan worden bepaald, dat het verbod niet geldt voor degene, die voorzien is van een vergunning van Onze Minister.

3. Aan een vergunning, als bedoeld in het vorige lid, kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kan onder beperkingen worden verleend. Zij kan worden ingetrokken.

4. (...).

De Beschikking Visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren bepaalde ten tijde van de gestelde overtreding en van het primaire besluit in artikel 11, derde, zesde en negende lid het volgende:

3. In afwijking van het eerste lid is het verboden om van vrijdag 12.00 uur tot de daaropvolgende zondag 24.00 uur buiten de haven te zijn met een vaartuig dat enig vistuig aan boord heeft geschikt voor het vangen van garnalen (Crangon crangon).

6. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid bestemd voor het vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van garnalen (Crangon, crangon) in de visserijzone, het zeegebied of de kustwateren bevat met ingang van 1 januari 2002 de volgende gegevens:

(...).

9. De minister kan de vergunning, bedoeld in het zesde lid voor een periode van twee weken schorsen, indien naar het oordeel van de minister met het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is toegekend de visserij is uitgeoefend in strijd met het derde of vijfde lid. Indien binnen een jaar na afloop van de schorsing naar het oordeel van de minister nogmaals met het vaartuig in strijd met het derde of vijfde lid wordt gehandeld, kan de minister de vergunning voor een periode van vier weken schorsen.

3.3. Beoordeling van het beroep

De rechtbank overweegt dat de wijziging van de Beschikking Visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren waarbij het weekendverbod van artikel 11, derde lid is ingesteld, is gepubliceerd in de Staatscourant van 23 augustus 2005. Voorts is de wijziging welke heeft geleid tot de hierboven aangehaalde tekst van dit artikellid bekend gemaakt in de Staatscourant van 21 oktober 2005. Deze wijzigingen van de regelgeving zijn aldus op de juiste wijze en tijdig bekend gemaakt. De beroepsgrond die hierop betrekking heeft, slaagt daarom niet.

Voorts overweegt de rechtbank dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser in het weekeinde van 27 januari 2006 tot en met 29 januari 2006 in overtreding is geweest van het weekendverbod. Door deze overtreding had verweerder, gezien artikel 11, zesde lid, Beschikking Visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren, de bevoegdheid de voor eisers vissersvaartuig verleende garnalenvergunning voor een periode van twee weken te schorsen. Uit de tekst van de bepaling volgt dat deze bevoegdheid discretionair van aard is. Voor de rechterlijke toetsing betekent dit dat de rechtbank dient te beoordelen of verweerder in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen en met inachtneming van de relevante omstandigheden, tot de in geding zijnde schorsing heeft kunnen besluiten.

Eiser heeft zich in het bijzonder beroepen op een mededeling van een ambtenaar van de AID op 27 januari 2006. Deze heeft desgevraagd tegenover eiser verklaard dat het wel toegestaan was om tijdens het weekeinde naar de Duitse en Deense wateren te varen. De rechtbank merkt op dat uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat deze mededeling onjuist was.

Verweerder erkent dat de onjuiste mededeling is gedaan, maar stelt zich op het standpunt dat de regelgeving de AID geen bevoegdheid geeft ontheffing te verlenen van het verbod. Voorts wordt iedere betrokkene geacht zelf op de hoogte te zijn van de geldende regelgeving. Andersluidende informatie kan, aldus verweerder, niet leiden tot niet-handhaven van de regelgeving.

De rechtbank overweegt dat de foutieve informatie van de AID inderdaad niet tot gevolg had dat het weekendverbod in het weekeinde van 27 januari 2006 tot en met 29 januari 2006 geen gelding had voor eiser. Desondanks is het wel van belang dat deze informatie afkomstig was van juist die instantie die belast is met de handhaving van de regelgeving in kwestie. In het algemeen mag een burger verwachten dat een beambte van een dergelijke instantie correcte informatie verschaft over wat in een concrete situatie wel en niet toegestaan is. Dit is van betekenis voor de vraag in hoeverre sprake is van verwijtbaarheid indien deze informatie onjuist blijkt te zijn en de burger in kwestie toch een overtreding blijkt te hebben begaan.

Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat verweerder dit heeft betrokken bij de afweging ten aanzien van het opleggen van de maatregel van schorsing. Ten onrechte heeft verweerder niet in zijn overwegingen betrokken of er sprake is van verminderde verwijtbaarheid nu eiser zich in zijn gedragingen heeft gericht naar de informatie die hij van de AID-beambte had gekregen. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom dit geen aanleiding heeft gevormd om geen maatregel op te leggen of om tot een lichtere sanctie over te gaan dan de in artikel 11, negende lid Beschikking Visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren genoemde schorsing gedurende twee weken.

Deze overwegingen leiden de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit niet is voorzien van een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb en het bestreden besluit dient vernietigd te worden.

Gelet op bovenstaande is er grond verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten begroot op

€ 322,- wegens kosten van een door een derde beroepsmatig geleverde bijstand.

4. Beslissing

De Rechtbank Groningen, sector Bestuursrecht, meervoudige kamer,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 12 juli 2006;

- draagt verweerder op opnieuw in de zaak te voorzien met inachtneming van deze uitspraak;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die het betaalde griffierecht ad € 141,- aan eiser dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ad € 322,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, voorzitter, mr. M.P. den Hollander en mr. H.J. Bastin, rechters en op 31 juli 2007 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter in tegenwoordigheid van mr.drs. H.A. Hulst als griffier.

De griffier De voorzitter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA in Den Haag.

Afschrift verzonden op: