Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB3122

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
06-09-2007
Zaaknummer
88340 / HA ZA 06-634
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkstelling ogv art. 6:174 jo 6:181 BW; risicoaansprakelijkheid; eigen schuld.

Bezoeker van bar/dancing valt vanaf 9 meter hoogte over een hekwerk van 90 tot 93 cm en komt terecht op de dansvloer. Rechtbank oordeelt bar/dancing aansprakelijk, maar stelt tevens de mate van eigen schuld aan zijde van eiser op 50%. Vervolgens overweegt de rechtbank dat de billijkheid (gezien de aard en ernst van het opgelopen letsel alsmede de omstandigheid dat bar/dancing is verzekerd) een andere verdeling van de aansprakelijkheid meebrengt, namelijk 30%-70% ten nadele van de bar/dancing.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 174
Burgerlijk Wetboek Boek 6 181
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/167
NJF 2008, 41
Prg. 2007, 155
VR 2008, 77

Uitspraak

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

hierna verder te noemen ‘[eiser]’,

procureur mr. H. Vorsselman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BAR-DANCING BERMUDA B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Ter Apel,

gedaagde,

hierna verder te noemen ‘Bermuda’,

procureur mr. J.S.G. Dorhout,

advocaat mr.B.M. Stroetinga te Eindhoven.

PROCESVERLOOP

[eiser] heeft op de bij dagvaarding geformuleerde gronden, onder overlegging van producties, gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat Bermuda op grond van artikel 6:174 jo. artikel 6:162 BW en artikel 6:181 BW aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schaden van [eiser] ten gevolge van het hem overkomen ongeval op 31 mei 2003 en Bermuda te veroordelen tot het betalen aan [eiser] van alle door hem als gevolg van het ongeval reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van het ongeval tot aan de dag der algehele voldoening met veroordeling van Bermuda in de kosten van deze procedure.

Bermuda heeft bij conclusie van antwoord, onder overlegging van producties, geconcludeerd [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering dan wel deze als ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen, met veroordeling van [eiser] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van de procedure.

Vervolgens hebben partijen, [eiser] onder overlegging van producties, gerepliceerd respectievelijk gedupliceerd.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De vaststaande feiten

Op 31 mei 2003 om ongeveer 03.00 uur heeft zich een ongeval voorgedaan in de door Bermuda geëxploiteerde bar/dancing te Ter Apel. [eiser] is tezam[A.] (hierna te noemen ‘[A.]’), een bekende van hem, over een hekwerk met een hoogte van circa 90 tot 93 centimeter gevallen en op de circa negen meter daaronder gelegen dansvloer terechtgekomen. Het hekwerk voldeed aan de eisen zoals gesteld in artikel 2.21 jo. 2.19 van het toepasselijke Bouwbesluit. [eiser] is gewond geraakt. Ongeveer tien jaar eerder zijn eveneens twee personen over het hekwerk van een - andere - verdieping van dezelfde bar/dancing gevallen. Bermuda is tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd bij N.V. Interpolis Schade te Tilburg.

2. Het geschil

[eiser] doet zijn vordering steunen op de vaststaande feiten en, kort samengevat, op de volgende stellingen.

Bermuda is krachtens artikel 6:174 jo. artikel 6:162 jo. artikel 6:181 BW aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade.

Als bedrijfsmatige gebruiker van de opstal is Bermuda aansprakelijk omdat de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan onder de gegeven omstandigheden mag stellen. Het enkele feit dat Bermuda mogelijkerwijze aan bouwbesluiten voldoet, is niet voldoende om aansprakelijkheid in dit concrete geval te kunnen afwijzen.

Gezien het feit dat de opstal in gebruik is als bar/dancing, dienen bijzondere veiligheidsvoorschriften in acht te worden genomen. De uitbater van de opstal, [naam uitbater], dient erop toe te zien dat een ongeval als het onderhavige niet kan plaatsvinden. Bermuda wist, althans behoorde te weten, dat er gevaren verbonden waren aan het lage hekwerk. Zij heeft evenwel geen passende maatregelen getroffen ter voorkoming van ongelukken, ook niet nadat zich in de bar/dancing eerder een vergelijkbaar ongeval heeft voorgedaan.

Bermuda voert gemotiveerd verweer. Zij betwist de stellingen die [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd en stelt daartoe, kort samengevat, dat de opstal aan alle daaraan van overheidswege gestelde specifieke veiligheidseisen voldeed, de opstal niet gebrekkig was in de zin van artikel 6:174 BW en er voor Bermuda geen aanleiding bestond om aanvullende of bijzondere voorzorgsmaatregelen te treffen om ongevallen als het onderhavige te voorkomen. Subsidiair beroept Bermuda zich op eigen schuld aan de zijde van [eiser] op grond waarvan de schade geheel of in overwegende mate aan [eiser] dient te worden toegerekend.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. [eiser] vordert in de eerste plaats een verklaring van recht. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] aldus dat hij aan deze vordering ten grondslag legt dat Bermuda aansprakelijk is voor de door hem tengevolge van het ongeval geleden en te lijden schade ingevolge hetzij artikel 6:174 jo. artikel 6:181 BW hetzij artikel 6:162 BW. Van een primaire en een subsidiaire eis is geen sprake. De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil derhalve allereerst uitspraak doen over de vraag of Bermuda aansprakelijk is op basis van artikel 6:174 jo. artikel 6:181 BW en daarna zonodig ingaan op een eventuele aansprakelijkheid op de grondslag van artikel 6:162 BW.

3.2. Met betrekking tot de aansprakelijkheid op basis van artikel 6:174 lid 1 BW is in de eerste plaats van belang of de bar/dancing ten tijde van het ongeval voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. Het enkele feit dat een opstal voldoet of juist niet voldoet aan de wettelijke eisen inzake veiligheid is voor het antwoord op die vraag op zichzelf beschouwd niet doorslaggevend. Hetgeen Bermuda stelt naar aanleiding van de ratio van artikel 6:174 BW doet hieraan niets toe of af.

De stelling van Bermuda dat de opstal aan alle daaraan van overheidswege gestelde eisen met betrekking tot de veiligheid voldeed is onvoldoende om de aansprakelijkheid van Bermuda uit te sluiten. Dit betekent overigens niet dat aan het voldoen aan de veiligheidsvoorschriften geen enkele relevantie toekomt. Voorzover Bermuda echter betoogt dat in het onderhavige geval meer gewicht dan wel een doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan het feit dat aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften is voldaan omdat het hier niet gaat om veiligheidsvoorschriften van algemene aard, maar om, zoals zij stelt, ‘specifiek door de wetgever geschreven veiligheidsregels voor valbeveiliging aan een vloerrand in een gebouw dat voor een bepaalde gebruikersfunctie is bedacht of gerealiseerd’, kan de rechtbank haar niet volgen. De rechtbank is van oordeel dat het bij de bepalingen van het Bouwbesluit waar Bermuda zich op beroept, te weten artikel 2.21 jo. artikel 2.19, niet gaat om zodanig specifieke regelgeving, dat een dergelijke conclusie is gerechtvaardigd. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk om veiligheidsvoorschriften van algemene aard, hetgeen onder meer blijkt uit de omstandigheid dat de gebruiksfunctie van de onderhavige opstal onder de niet nader gespecificeerde restcategorie ‘overige gebruiksfunctie’ van het geciteerde Bouwbesluit valt. Onder deze restcategorie, zo kan uit het Bouwbesluit worden afgeleid, vallen niet alleen bar/dancings, waar het in dit geval om gaat, maar ook andere opstallen die onderling zeer uiteenlopende gebruiksfuncties hebben.

3.3. De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op de vraag of de opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, met name afhankelijk is van het gebruik daarvan, zoals dat door de bezitter of exploitant van de opstal te voorzien is. In dat verband is van belang dat de bar/dancing waar het hier om gaat, een publieke ruimte is in die zin dat het gebouw toegankelijk is voor een grote groep mensen en zich in die zin onderscheidt van een gebouw waarvan het gebruik enkel in de privé-sfeer ligt. Dat geldt ook voor de verdieping waar [eiser] en [A.] over het hekwerk zijn gevallen. Meer in het bijzonder gaat het in dit geval om een publieke ruimte waarvan de bezoekers, zo is algemeen bekend, regelmatig in een uitgelaten stemming zijn, zich ook als zodanig gedragen en niet altijd de normale oplettendheid en/of voorzichtigheid betrachten. Bovendien, zo kan uit de processtukken worden afgeleid, wordt in de bar/dancing alcohol geschonken althans kunnen bezoekers onder invloed van alcohol zijn, hetgeen gedrag, alertheid en reactievermogen, zoals ook algemeen bekend is, negatief kan beïnvloeden. Voorts moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat bezoekers zich dicht bij het hekwerk op de verdiepingen zullen opstellen om goed uitzicht te hebben op de daaronder gelegen dansvloer.

Dat publieksstromen, zoals Bermuda stelt, in de bar/dancing doorgaans redelijk gecontroleerd en beheerst zijn, dat er, in de nacht van het ongeval, werd gedanst op de dansvloer en niet op de etages, dat het relatief rustig was, het publiek zich rustig en beheerst gedroeg, niet dronken was en tumultueuze groepsvorming zich niet voordeed en dat drukte, onstuimig gedrag van anderen dan wel enig andere vorm van gevaarzetting als gevolg van het aantal aanwezige personen zich niet heeft voorgedaan, doet aan het bovenstaande niets af. Ook kan uit het door Bermuda gestelde niet worden afgeleid dat de reguliere gang van zaken in een bar/dancing, die mede wordt bepaald door het aantal personen dat zich daarin bevindt, niet relevant is voor de beoordeling van de jegens Bermuda ingeroepen aansprakelijkheid.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gezegd worden dat de bar/dancing, meer in het bijzonder het bewuste hekwerk, ten tijde van het ongeval juist vanuit een oogpunt van veiligheid, gezien de aard van het gebruik van de opstal, voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen.

Van een hekwerk dat als valbeveiliging dient aan de vloerrand van een verdieping terwijl er een aanzienlijk hoogteverschil bestaat met de daaronder gelegen vloer en deze verdieping toegankelijk is voor een breder publiek dan alleen het eigen personeel van de bar/dancing en dus ook voor mensen die niet altijd oplettend en voorzichtig zijn, mag worden verwacht dat het zodanig veilig is dat het voorkomt dat iemand uit dit publiek die voor of tegen het hekwerk staat dan wel leunt, ongewild over het hekwerk heen valt. Dat geldt eens te meer nu, zoals uit de processtukken blijkt, noodzakelijkerwijs niet altijd toezicht vanwege Bermuda in de persoon van bijvoorbeeld de uitbater of een portier op de verdiepingen aanwezig is en het hekwerk in ieder geval ten tijde van het ongeval de enig genomen veiligheidsmaatregel tegen een val op de onder de verdieping gelegen vloer was. Ten slotte speelt een rol dat een adequate en op het gebruik en de omstandigheden afgestemde hoogte van het hekwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in relatie tot de mogelijkerwijze door een val veroorzaakte ernstige letselschade, nauwelijks bezwaarlijk kan worden genoemd qua kosten, tijd en moeite.

3.4. Voorzover het verweer van Bermuda aldus moet worden begrepen dat [eiser] door zijn onverantwoord gedrag een dusdanig abnormaal gebruik van de opstal heeft gemaakt dat Bermuda daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden, verwerpt de rechtbank dit verweer.

De rechtbank constateert dat het verweer niet zo ver gaat dat Bermuda [eiser] opzettelijk of bewust roekeloos handelen verwijt. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het gedrag dat Bermuda [eiser] wel verwijt, te weten, kort samengevat, onverantwoord handelen met onvoldoende aandacht voor de omstandigheden van het geval, in redelijkheid het verwachtingspatroon van de eigenaar van een bar/dancing omtrent het mogelijke gedrag van bezoekers niet te buiten. Het bewijsaanbod van Bermuda op dit punt is dan ook niet ter zake dienend.

3.5. Voor aansprakelijkheid krachtens artikel 6:174 BW is naast een gebrek voorts van belang dat de opstal door dit gebrek een gevaar oplevert voor personen of zaken en dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt. Ook aan deze voorwaarden is voldaan. De aanwezigheid van het circa 90 tot 93 centimeter hoge hekwerk op de verdieping als valbeveiliging leverde als zodanig een gevaar op zoals zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, nu iemand uit het publiek, die tegen het hekwerk stond geleund, ongewild over het hekwerk heen is gevallen en daarbij ernstige verwondingen heeft opgelopen. Dat [eiser] tegen het hekwerk geleund stond is in overeenstemming met de getuigenverklaring van [naam getuige] en is door Bermuda ook erkend.

Dat het hekwerk een gevaar opleverde, wordt bevestigd door het feit dat dit gevaar zich ook eerder heeft verwezenlijkt toen, net als in het onderhavige geval, twee personen uit het publiek door evenwichtsverlies over het hekwerk van een - andere - verdieping van dezelfde bar/dancing zijn gevallen. Dat de betrokkenen toentertijd Bermuda niet voor de gevolgen van dit ongeval aansprakelijk hebben gesteld, verandert aan dit gegeven niets. Of Bermuda, zoals zij stelt, rechtens niet verplicht was om naar aanleiding van het eerdere ongeval te onderzoeken of aanpassing van de bouwkundige situatie geïndiceerd was, kan Bermuda, wat ook van deze stelling mag zijn, niet disculperen nu de vraag aan de orde is of op Bermuda een zogeheten risicoaansprakelijkheid rust.

Door Bermuda is niet aangevoerd dat het hekwerk ten tijde van het eerdere ongeval hoger of lager was dan het hekwerk ten tijde van dit ongeval. Zij stelt slechts dat het aannemelijk is dat het eerdere ongeval zich niet op dezelfde plaats in de bar/dancing heeft voorgedaan, zodat kan worden aangenomen dat het hier om de verwezenlijking van hetzelfde dan wel een vergelijkbaar gevaar ging.

3.6. De rechtbank constateert dat Bermuda niet heeft betwist dat zij ten tijde van het ongeval bezitter was van de opstal dan wel dat de aansprakelijkheid uit artikel 6:174 lid 1 BW op grond van artikel 6:181 BW aan haar kan worden toegerekend. Dat zij bezitter van de opstal is, is overigens niet uit de processtukken op te maken. Dat Bermuda de bedrijfsmatige gebruiker van de opstal is, daarentegen wel. Bermuda heeft voorts niet aangevoerd dat aansprakelijkheid op grond van afdeling 1, titel 3 van Boek 6 BW zou hebben ontbroken indien zij het gevaar dat het hekwerk opleverde, op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend.

3.7. De rechtbank concludeert dat Bermuda krachtens artikel 6:174 BW in samenhang met artikel 6:181 BW, aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [eiser] is overkomen. Nu Bermuda reeds op deze grondslag aansprakelijk is voor de door [eiser] als gevolg van het ongeval geleden en te lijden schade, laat de rechtbank de mogelijkheid van aansprakelijkheid op basis van artikel 6:162 BW verder buiten beschouwing.

3.8. Bermuda beroept zich ten slotte op eigen schuld aan de zijde van [eiser], daaruit bestaande dat hij onverantwoord heeft gehandeld door te hebben geleund tegen een naar het inzicht van hemzelf te laag hekwerk, terwijl hij wist dat er geen veiligheidsnet was en hij niet slechts ‘plotseling of verrast’ werd omhelsd door [A.].

De rechtbank overweegt als volgt. Niet, althans onvoldoende is weersproken dat [eiser] een regelmatige bezoeker van de bar/dancing was en bekend was met de inrichting ervan. Verondersteld mag dus worden dat hij de situatie waar het ongeval zich heeft voorgedaan goed kende en dat hij zich er van bewust is geweest dat het hekwerk de verdieping afschermde van de circa negen meter daaronder gelegen dansvloer, dat dit hekwerk niet hoog was en dat additionele veiligheidsmaatregelen afwezig waren om een val te voorkomen. Dit brengt met zich mee dat weliswaar van [eiser] als bezoeker een vrolijke, ‘lollige’, ‘jolige’ en/of uitgelaten stemming kan worden verwacht, maar dat hij niettemin een bij de situatie passende voorzichtigheid en oplettendheid diende te betrachten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat hij deze vereiste voorzichtigheid en oplettendheid niet heeft betracht. Hij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat hij van opvatting is dat noch hij noch [A.] onvoorzichtig zijn geweest. Dit verweer is echter onvoldoende gemotiveerd om bevrijdend te kunnen zijn. Als algemeen bekend mag worden verondersteld dat iemand die een adequate voorzichtigheid en oplettendheid betracht niet door een ‘simpele, vriendschappelijke’ omhelzing op een zodanige wijze het evenwicht verliest dat hij over een circa 90 tot 93 cm hoog hekwerk valt waartegen hij staat aangeleund, zeker indien hij, zoals blijkt uit de medische verslagen die in het geding zijn gebracht, zelf 1,75 dan wel 1,78 meter lang is. Daarvoor is, zoals door Bermuda terecht wordt gesteld, meer nodig.

De rechtbank is van oordeel dat door het niet betrachten van de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid bij het hekwerk, althans door het zich niet onthouden van zodanig gedrag dat een val over het hekwerk kon plaatsvinden, [eiser] heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade en dat hem dat ook kan worden toegerekend nu hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Bij beantwoording van de vraag in welke mate het gebrek aan de opstal - waarvoor Bermuda risicoaansprakelijkheid draagt - en het gedrag van [eiser] aan de schade hebben bijgedragen neemt de rechtbank in aanmerking dat enerzijds de risicoaansprakelijkheid berust op het niet voldoen aan eisen om gevaar voor personen of zaken te voorkomen en anderzijds dat [eiser] niet de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid bij het hekwerk heeft betracht dan wel zich niet heeft onthouden van zodanig gedrag dat hij met [A.] over het hekwerk kon vallen. De rechtbank stelt op basis van die afweging de mate van eigen schuld vast op 50 %.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat de billijkheid een andere verdeling van de aansprakelijkheid met zich meebrengt, gezien de aard en de ernst van het door [eiser] opgelopen letsel alsmede de omstandigheid dat Bermuda tegen deze aansprakelijkheid is verzekerd. De rechtbank is van oordeel dat een verdeling van de schade over de partijen in een verhouding van 30:70 ten nadele van Bermuda met het hier overwogene overeenstemt.

3.9. Voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] aan dit vereiste voldaan. Uit het vaststaande feitencomplex alsmede de overgelegde medische stukken kan naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam worden opgemaakt dat [eiser] als gevolg van het hem op 31 mei 2003 overkomen ongeval schade heeft geleden en nog zal kunnen lijden.

3.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Bermuda voor 70 % aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Bermuda worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart voor recht dat Bermuda krachtens artikel 6:174 jo. artikel 6:181 BW voor 70 % aansprakelijk is voor de door [eiser] ten gevolge van het hem op 31 mei 2003 overkomen ongeval geleden en te lijden schade;

2. veroordeelt Bermuda tot het betalen van 70% van de door [eiser] geleden en te lijden materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het ongeval tot aan de dag der algehele voldoening;

3. veroordeelt Bermuda in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op € 332,87 aan verschotten en € 904 aan salaris van de procureur (2 pnt tarief II liquidatietarief);

4. verklaart het vonnis met betrekking tot de kostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad;

5. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Praktiek, mr. J.A. Tromp-Werkema en mr. J.E. Wichers en in het openbaar uitgesproken op woensdag 5 september 2007.??