Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB1454

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
09-08-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
18/670202-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie om voor de tweede keer een ISD-maatregel op te leggen af.

Betrokkene heeft van 22 april 2005 tot 22 maart 2007 verbleven in een inrichting voor stelselmatige daders. Kort nadat de ISD-maatregel was uitgezeten heeft hij zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. De rechtbank gaat niet mee met de vordering van de officier van justitie om wederom een ISD-maatregel op te leggen, nu de rechtbank dat niet zinvol acht. Weliswaar zou er sprake zijn van een beveiliging gedurende twee jaren van de maatschappij wanneer de maatregel zou worden opgelegd, maar het is niet reëel te verwachten dat de recidive hierdoor beëindigd zou worden. De rechtbank heeft daarbij gelet op het verloop van de uitgezeten ISD-maatregel waarin het niet mogelijk is gebleken gedragsbeïnvloedende interventies uit te voeren en betrokkene kennelijk onbehandelbaar is gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Strafrecht

parketnummer: 18/670202-07

datum uitspraak: 9 augustus 2007

op tegenspraak

raadsman: mr. Van Linde

vonnis van de rechtbank te Groningen, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboorte datum] te ][geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans verblijvende in P.I. [adres PI]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 26 juli 2007.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd: dat

1.

hij op of omstreeks 8 mei 2007, in de gemeente Groningen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit winkel van Hennes &

Maurits aan Vismarkt) heeft weggenomen een gilet, althans een kledingstuk, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het winkelbedrijf

Hennes & Maurits, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.

hij op of omstreeks 11 mei 2007 in de gemeente Groningen

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (in/uit winkel van Leads aan

de Poelestraat) heeft weggenomen een blouse (merk Mexx, kleur groen/geel

geruit), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het

winkelbedrijf Leads, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 mei 2007 in de gemeente Groningen, in elk geval in

Nederland, een blouse (merk Mexx, kleur groen/geel geruit) heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven

of het voorhanden krijgen van die blouse wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden,

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.

Bewezenverklaring

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 8 mei 2007, in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit de winkel van Hennes & Maurits aan Vismarkt) heeft weggenomen een gilet, toebehorende aan het winkelbedrijf Hennes & Maurits;

2.

hij op 11 mei 2007 in de gemeente Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit de winkel van Leads aan de Poelestraat) heeft weggenomen een blouse (merk Mexx, kleur groen/geel geruit), toebehorende aan het winkelbedrijf Leads.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Kwalificatie

Hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard levert de volgende strafbare feiten op:

1. diefstal;

2. diefstal.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu ten aanzien van verdachte geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Overwegingen ten aanzien van de straf

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de aangaande zijn persoon opgemaakte rapportage, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich - wederom - schuldig gemaakt aan een tweetal diefstallen. Dergelijke feiten veroorzaken schade en overlast bij onder meer de middenstand. Uit de documentatie van verdachte komt naar voren dat verdachte in het verleden reeds vele malen eerder is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten. Op 2 december 2004 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Groningen (onder meer) gelast dat de verdachte zal worden geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD- maatregel) voor de duur van twee jaren. Van 22 april 2005 tot 22 maart 2007 heeft verdachte verbleven in een inrichting voor stelselmatige daders. Kort nadat verdachte deze ISD-maatregel had uitgezeten, heeft verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan de thans bewezenverklaarde feiten.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de thans bewezenverklaarde feiten wederom wordt veroordeeld tot een ISD-maatregel, hetgeen ook is geadviseerd door Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) in haar rapport van 9 juli 2007.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Om te beoordelen of verdachte in het onderhavige geval in aanmerking komt voor oplegging van een ISD-maatregel, moet in de eerste plaats worden beoordeeld of aan de formele vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel wordt voldaan.

In artikel 38 m van het Wetboek van Strafrecht eerste lid, onderdeel 2°, staat onder meer vermeld dat één van de vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel is, dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld en het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen.

Uit het omtrent verdachte opgemaakte justitiële documentatieregister blijkt dat verdachte aan deze eis voldoet. De rechtbank heeft daarbij mede gelet op het volgende. Uit de parlementaire behandeling aangaande de ISD-maatregel blijkt onder meer dat de Minister van Justitie tijdens deze behandeling heeft aangegeven dat, wanneer een ISD-maatregel is opgelegd en is tenuitvoergelegd en verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, hij andermaal tot een ISD-maatregel kan worden veroordeeld als aan de vereisten van artikel 38 m Wetboek van Strafrecht is voldaan. Daarbij kan de eerdere ISD-veroordeling in aanmerking worden genomen. Artikel 38 m, eerste lid, onderdeel 2°, staat er naar het oordeel van de Minister niet aan in de weg dat eerdere veroordelingen die bij die eerdere ISD-veroordeling reeds in aanmerking zijn genomen, opnieuw in aanmerking worden genomen. Zulks is niet in strijd met fundamentele rechtsbeginselen. Als die veroordelingen vallen binnen de vereiste periode van vijf jaar, is aan de desbetreffende vereisten voldaan, aldus de Minister.

De rechtbank is gelet op bovenstaande van oordeel dat, nu ook aan de overige formele voorwaarden als vermeld in artikel 38m lid 1 is voldaan, de formele vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel aanwezig zijn.

De rechtbank ziet zich echter, gelet op de strekking van het opleggen van een ISD-maatregel, te weten de beveiliging van de maatschappij èn de beëindiging van de recidive van verdachte, thans voor de vraag gesteld of het in het onderhavige geval ook zinvol is om aan verdachte wederom een ISD-maatregel op te leggen. Weliswaar is één van de belangen die gediend worden met het opleggen van een ISD-maatregel de beveiliging van de maatschappij, waaraan - mogelijk - door het aan deze verdachte opleggen van de maatregel gedurende een periode van twee jaren voldaan wordt, maar in dit geval dient, gelet op het feit dat verdachte de maatregel reeds één maal heeft uitgezeten en met name gelet op het verloop van de maatregel, de vraag naar de zin van het opleggen van de maatregel met betrekking tot het beëindigen van de recidive van verdachte te worden gesteld. Uit het rapport van de VNN d.d. 9 juli 2007, komt onder meer naar voren (zakelijk weergegeven) dat verdachte tijdens de ISD-maatregel telkens aangaf gemotiveerd te zijn, maar dat zijn gedrag anders uitwees. Verdachte hield zich niet aan afspraken en bedacht telkens allerlei uitvluchten om niet deel te hoeven nemen aan de geboden programma onderdelen, zoals arbeid, educatie en de CoVa training. Ten tijde van het verblijf in de Grittenborgh in het kader van de ISD-maatregel, zijn er aan verdachte meerdere orde - en disciplinaire maatregelen opgelegd vanwege het overtreden van de regels. Gezien de houding en het gedrag van verdachte is het niet mogelijk gebleken alle gedragsbeïnvloedende interventies in het kader van de ISD-maatregel uit te voeren. De trajectbegeleiders ISD, almede de VNN hebben zich veel moeite getroost om verdachte te blijven motiveren en aan te spreken op afspraken en eigen verantwoordelijkheid voor de uitgezette acties en interventies. Op 30 mei 2006 is verdachte vanwege bovenstaand gedrag uit het traject gezet. Verdachte heeft de ISD-maatregel uitgezeten in standaard regime. Verdachte heeft ervoor gekozen om elk aangeboden hulpverleningsaanbod, ook vlak voor zijn invrijheidsstelling, af te wijzen.

Gelet op het verloop van de vorige ISD behandeling zal het wederom opleggen van een dergelijke maatregel naar het oordeel van de rechtbank niet bijdragen aan de beëindiging van de recidive van verdachte. Noch zal bij deze verslaafde, bij wie het plegen van strafbare feiten samenhangt met zijn verslavingsproblematiek, de maatregel er niet mede toe kunnen strekken, gelet op het feit dat hij kennelijk onbehandelbaar is, een bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn verslavingsproblematiek. Het is dan ook naar het oordeel van de rechtbank, niet reëel om te verwachten dat verdachte, indien hij wederom een ISD-maatregel opgelegd zou krijgen, zich wel zal gedragen conform de aanwijzingen en voorschriften die aan hem zullen worden opgelegd in dat kader. De rechtbank acht, gelet op bovenstaande, het opleggen van een ISD-maatregel aan deze verdachte, derhalve niet zinvol. De rechtbank acht het passend en geboden verdachte een gevangenisstraf op te leggen van hierna te vermelden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op artikelen 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hiervoor is aangegeven, te kwalificeren als voormeld en verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart verdachte voor het bewezenverklaarde strafbaar.

- verklaart het onder 1 en 2 primair meer of anders tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

- veroordeelt verdachte voor het bewezen- en strafbaar verklaarde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

beveelt dat bij de tenuitvoerlegging van deze straf de tijd die veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht tenzij die tijd op een andere straf in mindering is gebracht;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mrs. Kiezebrink, voorzitter, Van den Berg-Schoof en Van Woensel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jong, als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2007.