Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BB0990

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
03-08-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
94123/KG ZA 07-166
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt dat gedaagde, een zoon van haar overleden levenspartner, de urn met de as van het lichaam van haar partner uit haar woning heeft gestolen. Gedaagde heeft dat gemotiveerd betwist. De door eiseres gevorderde afgifte van de urn met as wordt geweigerd nu voor afgewogen oordeel verdere bewijslevering noodzakelijk is. Daarvoor leent een kort geding zich niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 94123 / KG ZA 07-166

Vonnis in kort geding van 3 augustus 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. I. Wagenaar,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. E.T. van Dalen.

Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de brieven van eiseres van 6 en 12 juni 2007, met bijlagen

- de mondelinge behandeling op 12 juni 2007 waarbij partijen, vergezeld door hun procureurs, aanwezig waren

- de pleitnota van eiseres, tevens inhoudende een vermeerdering van eis

- het pleidooi van gedaagde

- de aanhouding ten behoeve van de uitvoering van een tussen partijen ter zitting getroffen regeling

- de brief van eiseres van 21 juni 2007

- de brief van gedaagde van 22 juni 2007

- de brief van eiseres van 10 juli 2007 met bijlagen

- de brief van gedaagde van 31 juli 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eiseres heeft een affectieve relatie gehad met [A], de vader van gedaagde.

2.2. [A] is op [datum] overleden. Het lichaam van [A] is op [datum] gecremeerd.

2.3. Eiseres heeft op 3 januari 2007 de urn met as van het lichaam van [A] (hierna: de urn) in ontvangst genomen en meegenomen naar haar woning.

3. De vordering en de standpunten van partijen

3.1. Eiseres vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen om mee te werken aan de afgifte van de urn, uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van de uitspraak, zo nodig met behulp van de sterke arm, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,00 voor iedere dag of dagdeel dat gedaagde nalatig blijft aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

Ter zitting heeft eiseres haar eis vermeerderd en wel in die zin dat gedaagde tevens wordt veroordeeld tot vergoeding van de door haar geleden immateriële schade tot een bedrag van EUR 10.000,00.

3.2. Samengevat heeft eiseres haar vorderingen gegrond op het volgende.

Op 1 april 2007 is gedaagde - zonder haar toestemming - haar woning binnen gelopen en vervolgens heeft hij deze verlaten - eveneens zonder haar toestemming - met medeneming van de urn.

Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres een tweetal schriftelijke verklaringen overgelegd van personen die van een en ander getuige zijn geweest.

Voorts heeft eiseres een schriftelijke verklaring overgelegd van haar dochter die gedaagde na de diefstal langs haar woning heeft zien fietsen alsmede een schriftelijke verklaring van haar huisarts met betrekking tot de lichamelijke en psychische gesteldheid van eiseres.

Eiseres heeft bij de politie aangifte gedaan van diefstal van de urn door gedaagde.

Nu eiseres is gebleken dat gedaagde niet wordt vervolgd heeft zij op 3 juli 2007 bij het gerechtshof te Leeuwarden beklag gedaan van het feit dat van verdere vervolging van gedaagde ter zake de diefstal van de urn is afgezien. .

Eiseres vordert vergoeding van de immateriële schade die zij lijdt omdat alle gebeurtenissen rond de diefstal van de urn hun sporen achterlaten op haar psychisch en lichamelijk welbevinden.

3.3. Gedaagde voert verweer en brengt in dat kader naar voren dat hij op 1 april 2007 niet in de woning van eiseres is geweest en de urn niet uit haar woning heeft weggenomen. Gedaagde heeft ter zitting verklaard dat hij op de door eiseres gestelde datum en tijdstip dat hij in haar woning zou zijn geweest en de urn zou hebben gestolen bij zijn zus was. Hij kan dat door middel van zes getuigen bewijzen.

Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van zijn verklaring afgezien van vervolging.

Met betrekking tot de door eiseres overgelegde schriftelijke verklaringen heeft gedaagde gemotiveerd naar voren gebracht dat de verklaringen van de twee getuigen niet helder en feitelijk niet consistent zijn.

Gedaagde stelt de indruk te hebben dat er sprake is van “voorgekookte verklaringen”. Ook is het opvallend dat een van de getuigen heeft aangegeven niet door de rechtbank gehoord te willen worden.

De verklaring van de dochter van eiseres wordt door gedaagde inhoudelijk betwist. Daarnaast heeft zij niets verklaard over de gebeurtenissen op 1 april 2007 bij en in de woning van eiseres.

4. De beoordeling

4.1. Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat ter zitting in overleg met partijen tot aanhouding van het kort geding is besloten omdat partijen toen tot een regeling zijn gekomen. Afgesproken werd dat de meest gerede partij er voor zorg zou dragen dat uiterlijk op 20 juni 2007 de urn met as zou worden afgegeven bij het crematorium waar het lichaam van [A] is gecremeerd en daarbij verzocht zou worden de as te splitsen in twee gelijke delen en te doen in twee identieke urnen met een gelijk gedenkplaatje.

Partijen hebben na genoemde datum de voorzieningenrechter schriftelijk laten weten dat het niet tot uitvoering van de getroffen regeling is gekomen.

Op verzoek van eiseres is haar gelegenheid gegeven nadere stukken in het geding te brengen. Van die gelegenheid heeft eiseres bij brief van 10 juli 2007 gebruik gemaakt en onder meer een tweetal aanvullende verklaringen op de eerder ingezonden getuigenverklaringen overgelegd.

Gedaagde heeft vervolgens op 31 juli 2007 op de inhoud daarvan schriftelijk gereageerd.

4.2. De voorzieningenrechter constateert dat partijen niet alleen de wederzijdse standpunten betwisten maar ook dat zij ter onderbouwing daarvan stellen te beschikken over getuigen die hun standpunt feitelijk kunnen bevestigen.

4.3. In het kader van de onderbouwing van haar stellingen heeft eiseres een drietal schriftelijke verklaringen in het geding gebracht.

Enerzijds gelet op de - ook door gedaagde geconstateerde - ontbrekende consistentie in die verklaringen en anderzijds gelet op de stelling van gedaagde dat hij in staat zou zijn middels getuigen aan te tonen dat hij op 1 april 2007 op het relevante tijdstip elders dan bij de woning van eiseres heeft vertoefd, ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding om te concluderen dat het standpunt van een der partijen aannemelijker is dan dat van de andere partij.

De feiten waarop partijen hun standpunten doen steunen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende tot klaarheid gebracht om met betrekking tot de gebleken geschilpunten tot een afgewogen oordeel te kunnen komen.

4.4. Om over de vorderingen van eiseres te kunnen beslissen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bewijslevering door (een der) partijen noodzakelijk. Naar zijn aard leent een kort geding zich niet voor (verdere) bewijslevering.

4.5. Daargelaten de vraag of de zaak voldoet aan het vereiste van spoedeisendheid als bedoeld in artikel 254 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv), is de voorzieningenrechter van oordeel dat de onderhavige zaak, gelet op de vereiste (verdere) bewijslevering, niet geschikt is om te worden beslist in kort geding. Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 256 Rv zullen de gevorderde voorzieningen worden geweigerd.

Hetgeen overigens door partijen naar voren is gebracht kan gelet hierop verder onbesproken blijven.

4.6. De voorzieningenrechter ziet in de aard van de procedure aanleiding om de proceskosten te compenseren en wel in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J.W.M. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2007.?