Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA9520

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
89842 / HA ZA 06-874
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Recht op omgang tussen zussen? Family life. Artikel 8 EVRM.

Een 63-jarige vrouw verlangt omgang met haar 61-jarige zuster, die ernstig dement is (frontotemporale dementie) en door haar echtgenoot wordt verzorgd. De echtgenoot van de patiente acht de omgang niet in haar belang; hij is van oordeel dat de zus onvermogend is zich te gedragen volgens de richtlijnen die in het belang van de patiente voor bezoeken zijn gesteld. De rechtbank acht family life in de zin van art. 8 Evrm aanwezig tussen beide zusters. Eiseres kan in deze horizontale verhouding de bescherming van deze verdragsbepaling inroepen, zoals hier door het instellen van een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering. De rechtbank legt aan een deskundige (klinisch geriater) de vraag voor of omgang tussen beide zusters is contra-geindiceerd door het belang van de patiente.

De deskundige rapporteert dat de geheugenfunctie van de patiente zodanig is verdwenen dat zij geen betekenis kan verlenen aan dierbare personen uit het verleden. Omgang zal, aldus het advies, door onrust in onwelbevinden resulteren; ook in verband met een toename van de 'burden of care' bij de echtgenoot concludeert de deskundige dat de gewenste contacten beter niet kunnen plaatsvinden.

De rechtbank neemt aan dat de patiente zelf weinig tot niets zal ontlenen aan contacten. De rechtbank oordeelt voorts evenwel dat beperkt bezoek door eiseres niet een dermate groot nadeel voor de patiente met zich meebrengt dat er grond zou zijn het recht op omgang te ontzeggen. De echtgenoot wordt veroordeeld omgang tussen beide zusters toe te staan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 13
Burgerlijk Wetboek Boek 3 15
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/124 met annotatie van PVl
JIN 2007/346

Uitspraak

TUSSENVONNIS

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 89842 / HA ZA 06-874

Vonnis van 28 februari 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. M.J. Blokzijl,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. L.A.M. Barendregt.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 december 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 24 januari 2007.

1.2. Op de voet van hetgeen is neergelegd aan het slot van het proces-verbaal van de zitting van 24 januari 2007 is door de rechter een deskundige aangezocht, te weten de in dit vonnis benoemde prof. J.P.J. Slaets. Aan partijen is schriftelijk meegedeeld welke deskundige het betreft en onder welke voorwaarden diens onderzoek zou kunnen plaatsvinden; van partijen is binnen de aan hen gestelde termijn geen bericht ontvangen inhoudende dat er ernstige bezwaren bestaan tegen benoeming van genoemde deskundige.

1.3. Vervolgens is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Eiseres, thans 63 jaar oud, is de oudere zus van de echtgenote van gedaagde. Gedaagde is thans 73 jaar oud, zijn echtgenote is 61 jaar oud. Zij lijdt sinds 1999 aan de ziekte frontotemporale dementie, hetgeen een steeds verder achteruitgaan van de hersenfuncties en een verminderende capaciteit tot zelfstandig functioneren tot gevolg heeft. De echtgenote van gedaagde wordt hierna aangeduid als de patiënte.

Gedaagde en de patiënte zijn in december 1976 buiten gemeenschap van goederen getrouwd. Gedaagde was hoogleraar in een medisch vakgebied. De patiënte was van beroep lerares, maar is in 2000 vanwege de ziekte arbeidsongeschikt verklaard.

2.2. Gedaagde heeft vanwege de voortschrijdende afname van de mogelijkheden van de patiënte in 2004 de kantonrechter verzocht om haar goederen onder bewind te stellen, met benoeming van hem als bewindvoerder, alsmede om een mentorschap in te stellen, met benoeming van hem als mentor. Eiseres heeft zich tegen inwilliging van die verzoeken verzet, daartoe aanvoerende dat gedaagde wat betreft de materiële belangenbehartiging niet de aangewezen persoon is vanwege te vrezen vermenging met eigen financiële belangen, alsmede dat het welzijn van de patiënte door gedaagde onvoldoende wordt behartigd onder andere omdat hij de patiënte mishandelt en isoleert, in het bijzonder de familie stelselmatig van de patiënte afhoudt; eiseres heeft verzocht haar tot bewindvoerder respectievelijk mentor te benoemen. Ten tijde van de procedure en met het oog op de door de rechter te nemen beslissing heeft eiseres de patiënte een briefje laten tekenen, waarin zij verklaarde dat zij graag zag dat eiseres haar financiële belangen zou behartigen. De kantonrechter en in hoger beroep het gerechtshof zijn aan de bezwaren van eiseres voorbijgegaan; de beschikkingen van de kantonrechter van 4 oktober 2004 waarbij gedaagde werd benoemd tot bewindvoerder respectievelijk mentor zijn door het gerechtshof op 10 mei 2005 bekrachtigd.

2.3. Gedaagde woont met de patiënte in de echtelijke woning in [woonplaats]; hij draagt zorg voor de dagelijkse verpleging van de patiënte. Sinds kort woont de volwassen zoon weer in dezelfde woning, om zijn vader bij te staan in de dagelijkse verzorging van zijn moeder. Voorts wordt de voor de patiënte aangewezen reguliere zorg geboden door “Team 290”, een instelling voor extramurale psychogeriatrische diagnostiek, behandeling en begeleiding.

De patiënte ontvangt regelmatig bezoek. Naast verzorgers en de huisarts betreft dat vrienden en familieleden. Onder andere komt de broer van de patiënte met zijn echtgenote eens per vier weken op bezoek.

2.4. Het contact tussen de patiënte en haar te Amersfoort wonende hoogbejaarde moeder is door gedaagde belemmerd aldus dat ten tijde van de procedure bij het gerechtshof en gedurende ruim een half jaar nadien hij geen contact toestond; de moeder van patiënte mocht haar eerst weer bezoeken nadat zij - onder protest - schriftelijk had ingestemd met een door gedaagde opgestelde lijst van regels. Op dit ogenblik komt de moeder van patiënte ongeveer eens per maand naar [woonplaats] voor een bezoek van enkele uren.

2.5. Sinds de zomer van 2004 heeft gedaagde geen enkel bezoek van eiseres aan de patiënte toegestaan; ook verzet hij zich tegen telefonisch contact tussen de zusters.

3. De vordering en de gronden daarvoor

Eiseres stelt dat gedaagde de patiënte van haar afschermt louter uit wrok en persoonlijke rancune. Gedaagde schendt zijn verplichting om zich als een goed mentor te gedragen; het omgangsverbod is niet gebaseerd op met de ziekte van de patiënte samenhangende noodzaak. Daar waar gedaagde stelt dat omgang niet goed is en de patiënte geen weet van de situatie meer heeft, weerspreekt eiseres dat.

Eiseres stelt dat zij recht heeft op contact met haar zuster, welk recht haar toekomt ex art. 8 Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna aan te duiden als: Evrm), welk artikel ‘family life’ waarborgt. De persoonlijke omgang, het wederzijds genot van elkaars gezelschap vormt een fundamenteel element van family life. Onder art. 8 Evrm valt een breed scala aan relaties. Omdat op de overheid de verplichting rust om zich te onthouden van inbreuken op de in het Evrm neergelegde rechten en zij onder omstandigheden tot een actieve opstelling verplicht is, kan aan de rechter gevraagd worden te bepalen dat sprake is van een inbreuk. Een rechtvaardiging voor de inbreuk als voorzien in het tweede lid van art. 8 Evrm doet zich hier niet voor.

Naast art. 8 Evrm wijst eiseres op haar rechten als vastgelegd in de artikelen 17 en 23 van het Bupo-verdrag. Voorts stelt eiseres dat gedaagde misbruik maakt van zijn bevoegdheid.

Op grond van dit een en ander vordert eiseres, kort weergegeven,

(1e) een verklaring voor recht dat het recht op family life door gedaagde is geschonden c.q. dat gedaagde handelt in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikelen 3:13 jo. art. 3:15 BW) c.q. dat gedaagde onrechtmatig handelt c.q. zich niet gedraagt als een goed mentor,

(2e) gedaagde (op straffe van een dwangsom) te gebieden telefonisch contact tussen haar en de patiënte toe te staan,

(3e) gedaagde (op straffe van een dwangsom) te gebieden omgang tussen eiseres en de patiënte toe te staan “conform de bezoekregeling voor familieleden” en

(4e) veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

4. Het verweer

Gedaagde voert aan dat hij contacten tussen de zusters weigert omdat eiseres onvermogend is zich te gedragen overeenkomstig de richtlijnen volgens welke bezoeken aan de patiënte dienen te verlopen, welke regels hij heeft opgesteld om contacten zo min mogelijk belastend te laten zijn. Bezoeken creëren bij de patiënte (steeds meer) onlustgevoelens en toename van dwangmatig handelen, hetgeen gedaagde als echtgenoot en als mentor, in het belang van de patiënte, zoveel mogelijk wil tegengaan. Impulsen leiden bij de patiënte snel tot rusteloosheid, welke soms dagen aanhoudt. In het verleden heeft eiseres er blijk van gegeven de patiënte te manipuleren en haar tegen gedaagde uit te spelen. Eiseres is betweterig en zal de rust van de patiënte verstoren. De patiënte heeft vaak geen idee wie er op bezoek komt, soms herkent zij haar eigen zoon niet.

De druk die eiseres uitoefent en de aantijgingen jegens gedaagde ondermijnen het uithoudingsvermogen van gedaagde, terwijl hij als mantelzorger zo lang mogelijk zijn echtgenote zelf wil verzorgen, in plaats van haar in een verpleeghuis te doen opnemen.

Gedaagde heeft altijd moeite gehad met eiseres, die probeerde een wig te drijven in het huwelijk; gedaagde accepteerde eiseres evenwel altijd ter wille van zijn echtgenote.

Een band tussen twee zusters is onvoldoende om te kunnen spreken van family life; bijzondere omstandigheden die dit anders zouden doen zijn ontbreken. Bovendien handelt art. 8 Evrm over inbreuken door staten; gedaagde maakt geen inbreuk op deze verdragsbepaling.

Ook is er geen sprake van misbruik maken van een bevoegdheid, noch anderszins van onrechtmatig handelen.

De patiënte is niet in staat een telefoongesprek te voeren, zodat ook het desbetreffende onderdeel van de vordering niet toewijsbaar is, daargelaten het onbeperkte karakter van dat onderdeel.

5. Beoordeling

5.1. De rechtbank acht de concrete omstandigheden zodanig dat de relatie tussen eiseres en de patiënte onder de reikwijdte van art. 8 lid 1 Evrm valt. Bedoelde verdragsbepaling hanteert een autonoom begrip ‘family life’, waarin tal van betrekkingen van juridische, biologische en feitelijke aard hun plaats vinden. Aannemelijk is geworden dat de beide zusters hun leven lang nauw contact hebben gehad, wat tot uiting kwam in het elkaar sturen van brieven en ansichtkaarten, in regelmatig telefonisch contact en in regelmatig bij elkaar logeren. Een dergelijke van jongs af aan bestaande verbondenheid tussen verwanten in de tweede graad geniet ‘natuurlijk’ de bescherming die art. 8 Evrm biedt.

5.2. Art. 8 Evrm is niet een bepaling waarop eiseres zich jegens gedaagde rechtstreeks kan beroepen, omdat dit verdragsartikel zich richt tot de staat: hij moet ‘family life’ beschermen. Gedaagde kan echter wel op indirecte wijze de bescherming van art. 8 Evrm inroepen aldus, dat zij toegang tot de rechter moet hebben als haar recht door een medeburger tekort wordt gedaan; de staat is verantwoordelijk voor de door de rechter bereikte uitkomst.

Volgens Nederlands recht is de geëigende wijze om de rechter in een kwestie als deze te benaderen het instellen van een vordering gebaseerd op de stelling dat de wederpartij jegens eiser onrechtmatig handelt. Aldus is eiseres hier ook tewerk gegaan.

5.3. Gedaagde handelt jegens eiseres alleen dan onrechtmatig indien (zie de formulering van art. 6:162 BW) zijn gedraging in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het ligt in de rede bij de invulling van deze norm mede aansluiting te zoeken bij het tweede lid van art. 8 Evrm, waarin is bepaald (voor zover thans relevant) dat inmenging in de uitoefening van het recht op respect voor ieders ‘family life’ toegestaan is voor zover dat noodzakelijk is voor de bescherming van de gezondheid van een ander. Het is dit laatste waar gedaagde zich ter afwering van de vordering op beroept. De vraag die de rechtbank derhalve zal moeten beantwoorden is of omgang tussen de beide zusters (in aan art. 1:377a BW ontleende bewoordingen) “ernstig nadeel” oplevert voor de patiënte, doordat eiseres “kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang”. Of korter geformuleerd: is omgang met eiseres gecontra-indiceerd door het belang van de patiënte?

5.4. Of de weigering van gedaagde om eiseres tot haar zuster toe te laten gerechtvaardigd is, kan de rechtbank slechts op basis van een deskundig advies beantwoorden. Aan de deskundige zal de rechtbank de vraag voorleggen of naar zijn inzicht omgang tussen de beide zusters is gecontra-indiceerd door het belang van de patiënte.

De deskundige zal zich waarschijnlijk pas dan een oordeel kunnen vellen indien hij getuige is van een daadwerkelijke ontmoeting tussen de zusters. De deskundige kan afzien van het arrangeren van (een) ontmoeting(en) indien hij op grond van zijn bevindingen al op voorhand tot het inzicht komt dat contact niet moet plaatsvinden.

Aan de deskundige zal tevens worden gevraagd of – indien hij bevindt dat contacten tussen de zusters mogelijk zijn – hij omtrent de frequentie en de vorm daarvan nadere suggesties kan doen. Voorts zal de deskundige worden gevraagd zich uit te laten omtrent het verlangen van eiseres om telefonisch contact met de patiënte te hebben.

5.5. Gelet op de aard van het gerezen geschil en de daaromtrent tot dusver verkregen informatie, zal de rechtbank bepalen dat elk van partijen de helft van het voorschot van de deskundige voldoet.

5.6. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. Voor gedaagde betekent dat hij zijn medewerking verleent aan een – of als de deskundige dat noodzakelijk oordeelt: meerdere – ontmoeting(en) tussen eiseres en de patiënte.

Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

5.7. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

5.8. De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij zal het provisionele deel van de beslissing, omtrent de betaling van het voorschot, ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.9. Nadat de deskundige zijn rapport heeft uitgebracht, zullen zijn bevindingen door de rechter met partijen worden besproken tijdens een tweede comparitie van partijen. Gelet op de verwachting van de deskundige dat zijn onderzoek ongeveer een maand in beslag zal nemen, alsmede gelet op de overige te zetten stappen, wordt de zaak verwezen naar een rolzitting van tien weken na heden, voor opgave verhinderdata van partijen voor wat betreft een periode van twee maanden na die rolzitting.

6. De beslissing

De rechtbank:

de onderzoeksvragen

6.1. beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Is naar uw inzicht omgang tussen de beide zusters gecontra-indiceerd door het belang van de patiënte?

2. Indien u bevindt dat contacten tussen de zusters mogelijk zijn: kunt u omtrent de frequentie en de vorm daarvan nadere suggesties doen?

3. Kunt u zich uitlaten omtrent het verlangen van eiseres om telefonisch contact met de patiënte te hebben?

4. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

de deskundige

6.2. benoemt tot deskundige:

prof. J.P.J. Slaets, klinisch geriater,

[...]

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2007.?

vonnis

EINDVONNIS

RECHTBANK GRONINGEN

Sector civielrecht

zaaknummer / rolnummer: 89842 / HA ZA 06-874

Vonnis van 11 juli 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. M.J. Blokzijl,

advocaat mr. M.G. van der Vliet-Blokziel,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. L.A.M. Barendregt.

Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.

1.De verdere procedure

Bij tussenvonnis van 28 februari 2007 is een deskundigenonderzoek gelast. De deskundige prof. dr. J.P.J. Slaets, klinisch geriater UMCG (Groningen) heeft een rapport d.d. 10 mei 2007 (met bijlagen) ingezonden. Bedoeld rapport is met partijen besproken ter comparitie van 18 juni 2007. Na sluiting van de mondelinge behandeling is bepaald dat heden vonnis zou worden gewezen.

2. Het deskundigenrapport

Prof. Slaets heeft in zijn rapport van 10 mei 2007 als zijn bevinding neergelegd dat de patiënte “zeer ernstig ziek” is. Het rapport vermeldt in dit verband: “De dementie heeft haar persoonlijkheid weggevaagd. Zij weet niet meer wie zij is en wie zij is geweest. Zij is haar hele persoonlijke biografie kwijt, inclusief die van mensen in haar omgeving. Het ontbreekt haar aan taalfuncties, niet alleen receptief en expressief maar waarschijnlijk ook als vehiculum voor het denken. Het ontbreekt haar aan waarneembare emotionele resposiviteit, zowel verbaal als non-verbaal. Het ontbreekt haar aan mogelijkheden om actief doelgericht gedrag te ontplooien, zelfs niet voor primaire lichamelijke functies zoals naar het toilet gaan. Zij is voor alles volledig afhankelijk van haar directe omgeving”. In zijn observatie van de ontmoeting tussen eiseres en de patiënte verwoordt de deskundige dat de patiënte geen enkel teken van herkenning van of betrokkenheid op haar zus en/of hetgeen deze presenteerde (foto’s van de patiënte en familie uit de periode 1990-2002, voorheen voor de patiënte dierbare muziek) heeft gegeven. In verband hiermee vermeldt het rapport: “De ernst van de ziekte (…) is van dien aard dat het betekenis verlenen aan dierbare personen uit het verleden nu niet meer mogelijk is. Die gegevens zitten opgeslagen in het episodisch geheugen (de biografie) en die zijn volledig verdwenen dan wel niet meer toegankelijk voor patiënte. Zij weet niet meer wie dat zijn, zij weet ook niet meer wie zij zelf is. In principe kan iedere willekeurige persoon met evenveel of even weinig kans op succes proberen om een positief moment van welbevinden teweeg te brengen”.

In de weergave van het gesprek van de deskundige met eiseres schrijft hij dat hij zijn twijfels noemt omtrent het bestaan van enige betekenis van de persoon van eiseres voor de patiënte, maar dat eiseres er van overtuigd blijft dat haar persoonlijke aanwezigheid bijdraagt aan het welbevinden van haar zus.

In het concluderende gedeelte van het deskundigenrapport komen voorts de volgende passages voor: “Ik heb op geen enkel moment kunnen vaststellen dat [eiseres] als persoon nog een bijzondere betekenis heeft voor patiënte. Ik heb ook kunnen vaststellen dat [gedaagde] het bezoek van [eiseres] ervaart als een ernstige inbreuk in zijn persoonlijke levenssfeer en als zeer storend voor zijn rol als primaire verantwoordelijke voor de zorg van zijn echtgenote. Een toename van onrustig gedrag na afloop van het bezoek zoals beschreven door [gedaagde] heb ik niet zelf kunnen observeren. Daarvoor was mijn observatie te kort en ook slechts eenmalig. Het is echter bekend dat iedere verandering in de omgeving van dergelijke patiënten een toename van gedragsstoornissen met zich mee kan brengen. Juist patiënten met een frontotemporale dementie hebben grote problemen met het begrijpen van en het omgaan met hun omgeving. (…) Het creëren van een stabiele, veilige en voor de patiënt eenvoudige omgeving is een gebruikelijke richtlijn voor verzorgers van dergelijke patiënten. (…) Als [gedaagde] bezoek van [eiseres] als storend ervaart in de zorgtaak voor zijn echtgenote dan kan dit bezoek indirect een bedreiging vormen voor het welbevinden van patiënte omdat het een extra belasting vormt bovenop de al zeer grote “burden of care”. Deze toename van de “burden of care” is in de beleving van [gedaagde] evident aanwezig. Ik heb geen reden om daaraan te twijfelen en vanuit mijn kennis over het ziektebeeld van zijn echtgenote is dat zeer plausibel”.

Het antwoord van de deskundige op de eerste door de rechtbank geformuleerde vraag of omgang tussen beide zusters is gecontra-indiceerd door het belang van de patiënte, luidt als volgt: “Ja, omdat naar mijn mening en op grond van mijn observatie de balans voor het welbevinden van patiënte eerder negatief dan positief zal uitvallen. Het is niet aannemelijk dat deze omgang in de huidige situatie zal bijdragen aan het welbevinden van patiënte en er zijn reële bedreigingen voor haar welbevinden, onder andere via de toename van onwelbevinden bij patiënte en een toename van de “burden of care” bij [gedaagde]”.

Op de vraag omtrent eventuele suggesties aangaande frequentie en vorm van de contacten antwoordt de deskundige: “Ik denk dat dergelijke contacten beter niet kunnen plaatsvinden”.

Op de vraag naar eventueel telefonisch contact antwoordt de deskundige: “Dat is zinloos vanwege de ernstige taalstoornis bij patiënte”.

Op de slotvraag aangaande overige opmerkingen vermeldt het rapport: “De gestoorde verhouding tussen [eiseres] en [gedaagde] vormt zeker ook een determinant van het probleem/ Zij hebben totaal verschillende persoonlijkheden die niet matchen en door het huidige conflict steeds verder uit elkaar komen te staan. Het door rechtspraak afdwingen van een bezoekregeling zal dit probleem waarschijnlijk versterken en niet verbeteren”.

3. De vervolgzitting

Ter zitting van 18 juni 2007 is het deskundigenrapport met partijen besproken. Zowel eiseres als gedaagde zijn gebleven bij hun eerdere standpunt.

Eiseres acht een bezoek van drie uur per maand redelijk en billijk; in zo’n korte tijd wordt het welbevinden van de patiënte in ieder geval niet onevenredig geschaad.

Eiseres heeft geopperd dat haar bezoeken worden gecombineerd met die van de moeder van beide zusters; zij bezoekt de patiënte 3 uur per 4 weken c.q. per maand en eiseres zou haar daarbij kunnen vergezellen.

Gedaagde heeft zulk gecombineerd verzoek van de hand gewezen: beide dames zijn zeer indringend aanwezig, als zij er samen zijn is dat funest voor het welbevinden van de patiënte.

Aangaande de bezoeken van de moeder heeft gedaagde verteld dat deze aldus verlopen dat zij naar de echtelijke woning wordt gebracht door een familielid. Gedaagde neemt vervolgens zijn echtgenote en haar moeder mee in de auto en begeeft zich naar een horecagelegenheid buiten de stad. Op die locatie laat hij zijn echtgenote en haar moeder enige tijd alleen.

Op vragen van de rechter heeft gedaagde hier aan toegevoegd dat hij met zijn echtgenote ook wel eens in de stad uit eten gaat; vereist is een rustige omgeving, als een restaurant druk is heeft dat een ongewenste invloed op zijn echtgenote (zij kan dan bijvoorbeeld ineens weglopen).

Op nadere vragen van de rechter waarom niet op vergelijkbare wijze als met de moeder, contacten met eiseres zouden kunnen plaatsvinden, heeft gedaagde geantwoord dat haar persoonlijkheid daar een beletsel voor vormt: eiseres is onvoldoende in staat zich aan te passen aan de eisen die omgang met de patiënte stelt. “Je moet jezelf volledig weg kunnen cijferen en dat kan eiseres niet”. Dat kan zijn schoonmoeder eigenlijk ook niet, maar dat neemt hij bij haar maar voor lief, aldus gedaagde.

Gedaagde heeft voorts aangevoerd dat de onrust (gepaard gaande met dwangmatig gedrag) er steeds is als er bezoekers zijn geweest. Hij heeft ook opgemerkt dat de ‘burden of care’ voor hem in de tweede plaats komt: op de eerste plaats staat de ongewenste druk/belasting voor zijn echtgenote. Juist de indringende wijze van optreden van eiseres vormt het probleem. Het gaat er evenwel niet om wat goed is voor eiseres, maar wat goed is voor de patiënte, aldus gedaagde.

4. Nadere beoordeling

4.1. Ten grondslag aan de primaire vraag van de rechtbank aan de deskundige – is omgang van de beide zusters geconta-indiceerd door het belang van de patiënte? – lag het oordeel (zie onderdeel 5.3 van het tussenvonnis van 28 februari 2007) dat er alleen reden zou zijn om aan eiseres omgang te ontzeggen indien contacten ernstig nadeel voor de patiënte zouden opleveren, in het bijzonder doordat eiseres ongeschikt of kennelijk niet in staat is tot omgang. Het criterium werd aldus geformuleerd op grond van enerzijds het recht op ‘family life’ van eiseres (zie onderdeel 5.1 van genoemd vonnis), anderzijds de stelling van gedaagde dat eiseres onvermogend is zich te gedragen zoals het belang van de patiënte dat vereist (zie onderdeel 4 van dat vonnis).

4.2. De rechtbank stelt vast dat uit het rapport van de deskundige niet blijkt dat eiseres ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang. Slechts blijkt dat zij een ander idee dan de deskundige heeft over haar mogelijke bijdrage aan het welbevinden van de patiënte.

De rechtbank acht het overigens aannemelijk dat eiseres een zekere neiging heeft om datgene wat zij juist acht te stellen vóór inzichten die anderen hebben en daar vervolgens ook naar te handelen; in de precaire verhouding met gedaagde is haar dit ook opgebroken.

4.3. Indien thans omgang plaatsvindt – zo neemt de rechtbank met de deskundige aan – zal de patiënte daar weinig tot niets aan ontlenen, hooguit na afloop een toename van onrust ten toon spreiden.

De vraag is of toenemende onrust gekwalificeerd kan worden als een ernstig nadeel voor de patiënte. De rechtbank haalt hier naar voren het gegeven dat gedaagde het niet onverenigbaar acht met het belang van de patiënte om haar mee naar een restaurant te nemen en om bezoeken van de moeder op een locatie buiten de stad te doen plaatsvinden. Kennelijk is de mate van onrust die een verandering van omgeving met zich meebrengt, niet onevenredig/onaanvaardbaar groot. Mede gelet hierop concludeert de rechtbank dat omgang van eiseres met haar zus niet als zodanig een dermate groot nadeel voor de patiënte met zich meebrengt dat hierin een grond zou zijn gelegen het recht op omgang te ontzeggen. Als bedacht wordt dat aan eiseres in de feitelijke uitvoering van contacten beperkingen kunnen en mogen worden gesteld, is de gevolgtrekking passend dat er geen onoverkomelijk beletsel voor omgang bestaat.

4.4. In het belang van de patiënte kunnen en mogen beperkingen worden opgelegd aan het doen en laten van eiseres. Haar karakter verzet zich daar wellicht tegen, maar eiseres zal zich tot op zekere hoogte wel degelijk moeten richten naar wat ánderen aangeven als vereist door het belang van de patiënte.

Een beperking is allereerst gelegen in een limitering in de tijd: eiseres zal (slechts) omgang mogen hebben gedurende drie uur per maand.

Voorts mag gedaagde die beperkingen stellen die hij gelet op wat goed is voor de patiënte volstrekt noodzakelijk acht, bijvoorbeeld:

- als gedaagde dat wenst, zullen bezoeken van de moeder en eiseres niet gezamenlijk plaatsvinden en

- indien gedaagde verblijf buitenshuis van de patiënte niet gewenst acht, kan hij zich er tegen verzetten dat eiseres de patiënte mee uit wandelen neemt.

De rechtbank tekent hier, ter voorkoming van enig misverstand bij gedaagde, uitdrukkelijk bij aan dat grenzen die gedaagde stelt, het recht op omgang niet in de kern mogen aantasten.

4.5. De vordering is gelet op al het vorenstaande aldus toewijsbaar dat de verlangde verklaring voor recht - dat gedaagde het recht op family life van eiseres heeft geschonden door geen omgang toe te staan - wordt gegeven, alsmede dat gedaagde wordt veroordeeld om omgang tussen eiseres en haar zuster toe te staan, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Het gevorderde gebod ter zake van het toestaan van telefonisch contact wordt, gelet op de vermogens van de patiënte, bij gebreke van belang van eiseres niet uitgevaardigd.

4.6. Overeenkomstig hetgeen gebruikelijk is bij conflicten in de familiale sfeer, zal de rechtbank bepalen dat elke partij de eigen kosten draagt, alsmede dat elke partij belast blijft met de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek.

4.7. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als onder 5.3 vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat gedaagde het recht op family life van eiseres heeft geschonden door geen contact toe te staan tussen eiseres en haar zuster, de echtgenote van gedaagde,

5.2. veroordeelt gedaagde om er aan mee te werken dat er gedurende drie uur per maand omgang kan zijn tussen eiseres en haar zuster, de echtgenote van gedaagde,

5.3. bepaalt dat gedaagde voor iedere keer dat hij in strijd handelt met het onder 5.2 bepaalde, aan eiseres een dwangsom verbeurt van EUR 2.500,00 per overtreding, tot een maximum van EUR 100.000,00,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen

uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2007.?