Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA7980

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
12-06-2007
Datum publicatie
26-06-2007
Zaaknummer
Awb 06/1122
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Langdurigheidstoeslag; arbeidsmarktperspectief bij bijstandsgerechtigden; artikel 26 IVBPR; strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Zaaknummer: 06/1122

Uitspraak in het geschil tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. N.E.A. Runtuwene, regiojurist van ABVAKABO regio Noord

te Groningen,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Slochteren, verweerder

gemachtigde G. van Weerden.

1. Onderwerp van geschil

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 juni 2006.

In dit (bestreden) besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 december 2005, tot afwijzing van het verzoek om een langdurigheidstoeslag, ongegrond verklaard en zijn besluit van 12 december 2005 gehandhaafd.

2. Zitting

Het geschil is behandeld op de zitting van 7 juni 2007.

Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

3. Beoordeling van het geschil

Eiseres heeft op 26 oktober 2005 een aanvraag ingediend om een langdurigheidstoeslag.

Verweerder heeft bij besluit van 12 december 2005 de aanvraag van eiseres afgewezen, aangezien eiseres niet voldoet aan de voorwaarde dat zij gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen. Eiseres ontving een gedeeltelijke WAO-uitkering, welke uitkering inkomsten vormt in verband met arbeid.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 11 januari 2006 een bezwaarschrift ingediend. Daarbij heeft zij gesteld dat zij door verweerder is ingedeeld in fase 4. Dit houdt in dat bemiddeling van eiseres zeer moeilijk is en zij is ontheven van verplichtingen in dat kader.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder beslist het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, om het bezwaar gegrond te verklaren en een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van het advies, niet over te nemen en het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 3 augustus 2006 beroep ingesteld. In de gronden van beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd en heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat ook in 2004 aan haar een langdurigheidstoeslag is toegekend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft nog aanvullende stukken ingediend in de vorm van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juli 2006, gepubliceerd in Rechtspraak.nl onder nummer AY0173, alsmede de brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 oktober 2006 (kenmerk: W&B/URP/2006/82332) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Ter zitting heeft gemachtigde van verweerder medegedeeld dat aan eiseres naar aanleiding van bovengenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de genoemde brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor 2006 wel een langdurigheidstoeslag is toegekend, maar dat het bestreden besluit, dat op 2005 betrekking heeft wordt gehandhaafd, omdat uit het standpunt van de Staatssecretaris niet blijkt dat de uitspraak van de CRvB terugwerkende kracht heeft.

In dit geding dient de rechtbank derhalve de vraag te beantwoorden of verweerder terecht heeft geweigerd aan eiseres een langdurigheidstoeslag toe te kennen voor het jaar 2005.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de Wet Werk en Bijstand (WWB) verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft;

b. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen;

c. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden, en

d. na een periode als bedoeld in onderdeel a, binnen een periode van twaalf maanden niet voor een langdurigheidstoelslag in aanmerking is gekomen.

Conform de bovengenoemde uitspraak van de CRvB stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiseres op grond van het bepaalde in artikel 36, eerste lid, onder b, van de WWB niet in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag.

Eiseres beroept zich echter - aanvankelijk onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 oktober 2005 en hangende de onderhavige procedure naar de voornoemde uitspraak in hoger beroep van de CRvB van 4 juli 2006 - op strijd met het in artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) opgenomen gelijkheidsbeginsel, nu zij ondanks een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering nog steeds niet beschikt over enig arbeidsmarktperspectief.

Zoals de CRvB in genoemde uitspraak heeft overwogen komt de staten die partij zijn bij het IVBPR een ruime beleidsvrijheid toe bij de implementatie van maatregelen op sociaal en economisch gebied en heeft de rechter zich terughoudend op te stellen, voorzover in de sociale wetgeving gemaakte onderscheidingen tenminste niet raken aan de in artikel 26 van het IVBPR expliciet genoemde, dan wel bij de huidige stand van het recht anderszins als verdacht aan te merken criteria. Het in artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de WWB neergelegde criteria stuit in zijn huidige vorm bij de CRvB echter op bedenkingen. De CRvB heeft uitgebreid overwogen dat de wetgever naar zijn oordeel de hem op dit gebied toekomende, ruime beoordelingsmarge heeft overschreden door geen reëel arbeidsmarktperspectief aanwezig te achten bij de bijstandsgerechtigden die geen enkel inkomen uit of in verband met arbeid hebben ontvangen en zich niet verwijtbaar hebben gedragen ten aanzien van hun arbeidsinschakeling en dat zelfde perspectief wel zonder meer aanwezig te achten bij personen die in (een deel van) de relevante periode een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben ontvangen en zich evenmin verwijtbaar hebben gedragen ten aanzien van hun arbeidsinschakeling. De CRvB is tot conclusie gekomen dat dit onderscheid in redelijkheid geen geschikt en evenredig middel kan worden geacht om de doelstelling van de regeling inzake de langdurigheidstoeslag te bereiken.

De rechtbank kan niet inzien, waarom het oordeel van de CRvB uitsluitend opgeld doet voor de langdurigheidstoeslag over 2006 en niet voor die over 2005. Het enkele feit dat de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid eerst na de uitspraak van de CRvB zijn standpunt heeft herzien maakt immers niet dat in 2005 geen sprake was van een ongeoorloofd onderscheid.

Eén en ander betekent dat het bestreden besluit als zijnde in strijd met het gelijkheidsbeginsel dient te worden vernietigd en dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Het beroep van eiseres moet daarom gegrond worden verklaard.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb, tevens te worden bepaald, dat het door eiseres betaalde griffierecht ad € 38,00 door de gemeente Slochteren aan eiseres wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerder op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken en wijst de gemeente Slochteren aan als de rechtspersoon die de kosten moet betalen.

Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op € 644,00, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.

4. Beslissing

De rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 21 juni 2006;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de gemeente Slochteren eiseres het betaalde griffierecht ad € 38,00 dient te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, welke zijn vastgesteld op € 644,00, en bepaalt dat de gemeente Slochteren eiseres deze kosten dient te betalen;

Aldus gegeven door mr. L.W. Janssen, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken op 12 juni 2007 in tegenwoordigheid van mr. F.M. Mulder als griffier.

De griffier De rechter

De rechtbank wijst er op dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de

Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.

Afschrift verzonden op:

typ: