Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGRO:2007:BA7947

Instantie
Rechtbank Groningen
Datum uitspraak
26-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
91058/FA RK 06-2251
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen onderhoudsplicht ten aanzien van voor en tijdens het geregistreerd partnerschap geboren minderjarigen, nu er geen sprake is van gezamenlijk gezag over de minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2007, 75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GRONINGEN

Sector Civielrecht

zaaknr.: 91058 FA RK 06-2251

beschikking d.d. 26 juni 2007

in de zaak van:

A.,

verzoekster,

procureur mr. J. Dijkman,

en

B.,

verweerster,

procureur mr. M.R.M. Schaap.

PROCESVERLOOP

[A.] heeft op 18 december 2006 ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ingediend. Daarin wordt verzocht te bepalen dat [B.] maandelijks en telkens bij vooruitbetaling aan [A.] een bedrag van € 150,-- per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans nog minderjarige kinderen C, D., E., en F. dient te voldoen.

[B.] heeft tijdig een verweerschrift ingediend,

De rechtbank heeft partijen, bijgestaan door hun raadslieden, gehoord ter zitting met gesloten deuren van 24 april 2007.

RECHTSOVERWEGINGEN

Tussen partijen staat het volgende vast:

- partijen zijn op 10 juli 1998 een geregistreerd partnerschap aangegaan;

- hun geregistreerd partnerschap is beëindigd door inschrijving daarvan in de registers van de burgerlijke stand op 5 juni 2003;

- tijdens het geregistreerd partnerschap zijn geboren de minderjarige kinderen C. op 15 januari 1999,

D. op 7 september 2001 en E. op 6 maart 2003;

- voor het geregistreerd partnerschap is uit verzoekster geboren het minderjarige kind F. op 25 augustus 1995 - de kinderen verblijven bij [A.].

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil de vraag of [B.] onderhoudsplichtig is ten aanzien van de voornoemde kinderen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van artikel 1:253w van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een ander die met de ouder gezamenlijk het gezag uitoefent verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud jegens het kind dat onder zijn gezag staat.

Op grond van 1:253sa, eerste lid, BW, welk artikel in werking is getreden op 1 januari 2002, oefenen een ouder en zijn geregistreerde partner die niet de ouder is over een staande geregistreerd partnerschap geboren kind, gezamenlijk het gezag uit, tenzij het kind tevens in familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder.

Tussen partijen is niet in geschil dat het oudste kind van partijen F. uit verzoekster is geboren vóór het geregistreerd partnerschap van partijen en dat partijen over dit kind niet gezamenlijk het gezag uitoefenen.

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 1:253w BW, van oordeel dat [B.] derhalve niet onderhoudsplichtig is ten aanzien van F.

De rechtbank ziet geen aanleiding om voor F. een bijdrage vast te stellen op grond van de redelijkheid en de billijkheid, zoals door [A.] is betoogd, nu dit geen grond is voor de vaststelling van een onderhoudsplicht. De onderhoudsplicht jegens een kind vloeit immers enkel voort uit een daartoe strekkende wettelijke bepaling.

Wat betreft de onderhoudsplicht van [B.] ten aanzien van C. en D. overweegt de rechtbank dat deze kinderen weliswaar zijn geboren tijdens het geregistreerd partnerschap van partijen, maar vóór 1 januari 2002, de datum waarop artikel 1:253sa BW in werking is getreden. Partijen hebben derhalve niet op grond van voornoemd artikel het gezamenlijk gezag over C. en D. verkregen. Gesteld noch gebleken is dat partijen op andere grond het gezamenlijk gezag over deze kinderen hebben verkregen, bijvoorbeeld op grond van een verzoek als bedoeld in artikel 1:253t BW.

Gelet op het voorgaande is [B.] ten aanzien van de kinderen C. en D. evenmin onderhoudsplichtig.

De rechtbank tekent bij een en ander nog aan dat [A.] desgevraagd ter zitting heeft aangegeven zich niet te beroepen op analoge toepassing van artikel 1:394 BW en mogelijke strijdigheid daarvan met artikel 8 EVRM (zo daarvan gelet op HR, NJ 2002, 278 sprake zou zijn).

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat geen onderhoudsplicht van [B.] bestaat jegens de minderjarige kinderen van partijen C., D. en F., zodat de rechtbank [A.] in haar verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren.

De overige stellingen van partijen, onder andere betreffende de draagkracht van [B.], behoeven gezien het voorgaande geen beoordeling, nu deze voor de beslissing niet van belang zijn.

BESLISSING

verklaart [A.] niet-ontvankelijk in haar verzoeken.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Smit en uitgesproken door deze ter openbare terechtzitting van 26 juni 2007 in tegenwoordigheid van mr. T.J. de Wind als griffier.